Weinig uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling

De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) in Nederland zijn in vergelijking met die in andere belangrijke industrielanden laag.

Ook als er wordt gecorrigeerd voor de economische structuur en als rekening wordt gehouden met het feit dat deze activiteiten in de dienstensector in de cijfers grotendeels buiten beschouwing blijven, is er sprake van een forse achterstand. Tot deze conclusie komt het Economisch Bureau van de NMB Postbank in een artikel in de tweemaandelijkse uitgave Infograph.

In procenten van het bruto binnenlands produkt (BBP) komen de Nederlandse uitgaven voor R&D op ongeveer 2,1. Landen als de VS en Japan naderen de 2,9 procent. Wordt Nederland vergeleken met enkele middelgrote Oeso-landen, dan is het beeld wat gunstiger. Niet Nederland staat dan onderaan, maar landen als Noorwegen en Denemarken.

Afgezien van de achterstand is ook de smalle O&O-basis in Nederland een punt van zorg. Het leeuwedeel van de uitgaven komt namelijk voor rekening van de vijf industriële multinationals. In deze concentratie schuilt een risico, aangezien onderzoek aantoont dat vooral multinationals relatief sterk inspelen op de internationalisatie van technologie door O&O-centra ook buiten het land van herkomst te vestigen.

Opmerkelijk is volgens de bank dat, ofschoon het aandeel van het midden- en kleinbedrijf in de O&O-uitgaven beperkt is, deze sector wel tweemaal zoveel vernieuwingen per O&O-arbeidsjaar voortbrengt.

De bankeconomen stellen vast dat de overheidsbijdrage aan de financiering van bedrijfs-O&O in Nederland nogal bescheiden is. Gezien de toenemende beleidsconcurrentie tussen landen moet het technologiebeleid niet als melkkoe worden gebruikt, maar is een extra financiële impuls op zijn plaats. Vooral richting midden- en kleinbedrijf levert dit gezien de vernieuwingsdrang van de sector een tweemaal zo hoog rendement op. Het introduceren van een fiscaal instrument vindt de bank in dit verband het overwegen waard.