Eeuwenoude kaas, tabak en luizenkammen uit zee

Tentoonstelling: De Zeeuwse VOC boven water: 10 jaar onderzoek naar scheepswrakken, Stedelijk Museum Vlissingen, t/m 27 sept, ma-vr 10-17 uur, za-zo 13-17 uur.

Op 3 februari 1735 voltrok zich een drama vlak voor de kust van Walcheren. Twee volgeladen zeilschepen van de Zeeuwse Kamer van de Verenigde Oostindische Compagnie, 't Vliegent Hart met 256 man aan boord en de Anna Catharina met 175 opvarenden, vergingen kort na hun afvaart naar Azië met man en muis als gevolg van een verkeerde beoordeling van de weersomstandigheden.

Het was niet het eerste ongeluk met VOC-schepen. Storm en slechte stuurmanskunst eisten herhaaldelijk hun tol. Tussen 1602 en 1795 voeren in totaal 1700 handelsschepen van de Verenigde Oostindische Compagnie richting Indië en daarvan verdwenen er zo'n 250 naar de zeebodem. Dertig wrakken zijn later teruggevonden en twintig daarvan zijn of worden onderzocht.

Het wrak van 't Vliegent Hart, een driemaster, werd in 1981 gevonden door een Engelse duikploeg. In de jaren die volgden ondernam de North Sea Archeological Group, een particuliere Engelse onderneming, verscheidene bergingsexpedities. Behalve een opzienbarende vondst in 1983 van een geldkist met gouden dukaten en zilveren realen, haalden de duikers ook kookgerei, persoonlijke bezittingen, wapens, voedselresten en goederen boven water waaruit het dagelijks leven op de VOC-schepen uit die tijd gedeeltelijk viel te reconstrueren.

Dat leven viel niet mee, zo blijkt uit de kleine, maar leerzame tentoonstelling die het Stedelijk Museum in Vlissingen heeft ingericht van grotendeels uit 't Vliegent Hart opgedoken voorwerpen. Op 't Vliegent Hart, een tweedeks-schip met een lengte van 40 en een breedte van 10 meter, zaten de schepelingen als haringen in een ton. De hygiënische omstandigheden waren voor de gewone bemanningsleden erbarmelijk. De officieren beschikten over ruime hutten met bedden en een toilet en konden zich, gezien onder andere een opgeviste ivoren tandenborstel, behoorlijk verzorgen. Het scheepsvolk daarentegen moest het doen met een gemeenschappelijke ruimte op het onderste dek, waar het dicht op elkaar gepakt moest slapen. Ongedierte moet er welig hebben getierd, dat blijkt uit de vele luizenkammetjes die zijn opgedoken. Ratten en muizen scharrelden door het vooronder. De matrozen deelden met z'n allen één "toilet' - een plank met een gat erin - dat niet voor niets de "luizenplecht' werd genoemd.

Vondsten van potten en pannen, alsmede kersepitten, hazelnoten, kastanjes, visgraten en botten van varkens en schapen geven inzicht in het menu aan boord. Voor de bemanning was ook dat veel eenvoudiger dan voor de hogeren in rang. Matrozen aten met zeven man tegelijk uit een houten bak en kregen 's ochtends gort, 's middags bonen met een stukje vlees en 's avonds de restjes van die dag. Velen overleden aan scheurbuik door het gebrek aan verse groenten. Voor het hogere personeel en de passagiers was er tinnen eetgerei waarin een veel gevarieerder menu werd opgediend. Zij kregen wel verse groenten die gekweekt werden in tuintjes aan boord.

Er moest hard gewerkt worden, maar de opgedoken voorwerpen laten zien dat er ook tijd was voor ontspanning. In die schaarse vrije uren rookten de schepelingen een pijp, of speelden een spelletje. Een uit 't Vliegend Hart geborgen, half afgemaakte dobbelsteen doet vermoeden dat er ook verboden spelletjes werden gespeeld. Dobbelen aan boord was streng verboden.

De duikers brachten veel kogels en onderdelen van musketten en degens naar boven. 't Vliegent Hart had een contingent soldaten aan boord die naar Indië werden verscheept om daar de VOC terzijde te staan. De schepen zelf waren met kanonnen uitgerust. Op de expositie is een soort voorloper van de fragmentatiebom te zien, de zogenoemde druif, een houten klos gevuld met kogels die op korte afstand werd afgevuurd. De druif diende soms ook als versiering.

Wrakkenonderzoek kan inzicht geven in tot dusver onbekende gegevens. Zo ontdekte men bijvoorbeeld hoe destijds goederen werden verpakt. Uit op het land bewaard gebleven ladinglijsten was alleen de aard en de hoeveelheid van de vervoerde produkten bekend. Uit vondsten onder water bleek dat flessen wijn in kisten met stro werden vervoerd en breekbare pijpen beschermd werden met boekweitdoppen. Een opzienbarende ontdekking bij 't Vliegend Hart was de aanwezigheid van dichtgesoldeerde loden containers, waarin tabak, kaas en ansjovis waren "ingeblikt'. Dergelijke goederen waren ten minste zeven jaar houdbaar. De inhoud van een opgedoken tabaksvat heeft zelfs het 250-jarig verblijf onder de zeespiegel goed doorstaan. Ook de wijn in de geborgen flessen bleek nog een redelijk percentage alcohol te bevatten, al verdiende de smaak volgens ingeschakelde wijnproevers geen krans meer.

Behalve opgedoken voorwerpen zijn op de tentoonstelling in Vlissingen ook modellen van VOC-schepen, kopieën van oude facturen, tekeningen en schilderijen te zien. Tevens is een hoek ingeruimd waarin een beeld wordt gegeven van het werk van de scheepsarcheoloog. Het is een fascinerend, specialistische bedrijf dat in het kader van deze tentoonstelling helaas maar beperkt belicht kon worden. De duikers moeten vaak op grote diepte en in troebel water met nauwelijks zicht hun weg proberen te vinden in een wrak dat voor het grootste deel onder modder en zand begraven ligt. Door middel van een buizenstelsel wordt het onderzoeksgebied in vakken verdeeld om vondsten te kunnen lokaliseren. Met speciale "stofzuigers' wordt het zand laagje voor laagje afgevoerd. Ter ontmythologisering is in Vlissingen een stripboek neergelegd, waarin Kuifje in duikerpak, in een omgeving zo helder als kraanwater, onbelemmerd een compleet boven de bodem uitstekend wrak binnenwandelt. “Zo gaat het dus niet”, meldt het bijgaande bordje.