De last van de belofte

New York - De Democratische Conventie, de dag voor de aanvang nog beschouwd als een volledig geregisseerd media-evenement, bedoeld om met deskundig veroorzaakte tam-tam "de kiezers terug te winnen', heeft zich ontwikkeld tot een explosieve bijeenkomst.

Degenen die verklaren dat "het niet meer is als vroeger' hebben altijd gelijk: wat men in de postmoderne politiek kan regelen zal men niet tot prooi van het toeval laten worden. Maar er blijken ten minste drie dingen te zijn die buiten de macht van de regie vallen: wat er op straat gebeurt, de eigenzinnigheid van gouverneur Brown van Californië en de ontwikkeling van het mysterieuze element dat iedere politieke bijeenkomst kan maken of breken: de stemming.

Met alle beperkingen die zo'n diagnose eigen is - New York is Amerika niet, na de Conventie gaan de mensen weer gewoon aan het werk, de soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend - geloof ik dat de sfeer geladen is met weigering, verzet, een neiging tot opstand. Het hoeft niet gewelddadig te zijn, op vechtpartijen uit te lopen. Het is een dringend verlangen om niet meer met kluitjes in het riet te worden gestuurd, niet meer te worden getracteerd op de politici van de praatjes.

Buiten Madison Square Garden zijn voortdurend betogingen aan de gang. Twee daarvan, tegen aids, de halfhartige manier waarop de regering de bestrijding voert, en tegen de werkloosheid, heb ik van de stoep af gezien: twee van de meest verbitterde, met vastberadenheid geladen optochten. Behalve deze zijn er nog tientallen: van de vrouwenbeweging, voor en tegen abortus, de daklozen, kleine linkse bewegingen en wat er verder aan marginale machten op een grote politieke bijeenkomst afkomt. Aids, dakloosheid, werkloosheid en armoede zijn meer dan oorzaken van een paar optochten: het zijn benamingen van vraagstukken die de afgelopen tien jaar dusdanig op hun beloop zijn gelaten dat ze nu als molenstenen om de nek van iedere serieuze politicus hangen, ongeacht of hij Democraat of Republikein is.

In de belangstelling voor deze Conventie, de publiciteit eromheen, de verslaggeving dringt voortdurend datgene door wat geen regie kan temmen of verdoezelen: de beginnende opstand van de Amerikaanse kiezer. Het aanvankelijk succes van Ross Perot is er een bewijs van. De opstand wordt voortgezet in en door de Democratische Conventie. Daaruit komt de invloed van gouverneur Jerry Brown voort. Hij heeft geweigerd zijn steun aan Bill Clinton te betuigen, hij heeft niet in een groot hotel geslapen maar de nacht in een onderkomen voor daklozen doorgebacht en hij wil nu op de Conventie zelf het woord voeren. Hij is de vrije outsider die door de partijleiding in het begin werd beschouwd als iemand die roet in het eten wil gooien omdat dit zijn liefhebberij is, maar die nu steeds meer wordt gezien als een belangrijke vertegenwoordiger van de kiezer in opstand. (Ik voorspel dat hij zijn zin krijgt.)

Het derde niet regisseerbare element is de stemming binnen de Conventie. Van de drie toespraken - de keynote speeches - waarmee de vergadering maandagavond is begonnen, kan men natuurlijk niet verwachten dat ze een verzoenende of diplomatieke toon hebben. Ze worden gehouden door oratorische talenten van de eerste orde. Tot zover waren er geen verrassingen. Maar de toon van alle drie was veel meer dan plichtmatig fel of agressief. Bill Bradley, senator uit New Jersey, en Zell Miller, gouverneur van Georgia, deden ieder in een lange, meeslepende rede een goed gerichte poging president Bush en zijn regering met de grond gelijk te maken. Het zou niet moeilijk moeten zijn, met tegen de tien procent werklozen, een mislukte "oorlog tegen de drugs', een buitenlandse politiek die na de Golfoorlog niet meer van de grond is gekomen en nog meer mislukkingen, en daarbij een visieloos kemphaantje als de plaatsvervanger van de president. Toch haalt Bush in de enquêtes nog 33 procent tegen Clinton 30. Scherp schieten met groot kaliber is noodzaak.

De percentages geven het probleem van de Democraten het best weer. Er broeit onder de kiezers een opstand die voortkomt uit de ernstigste stagnatie. Miljoenen zijn daarvan op uiteenlopende manieren iedere dag het slachtoffer. Zoveel is zo lang verwaarloosd dat alleen met veel geld en een radicaal programma daarin op langere termijn verandering kan worden gebracht. Niettemin zijn Democraten zowel als Republikeinen voor hun meerderheid aangewezen op "middle America', dat een weerzin tegen alle radicalisme heeft en het meest verlangt naar belastingverlaging. Hoe komen de Democraten tegemoet aan de opstand der kiezers zonder het grote midden voor het hoofd te stoten? Hoe kan Clinton niet alleen met het retorisch, bij tijd en wijle opzwepend talent van zijn partijgenoten de indruk wekken dat hij behalve de woorden tegen de stagnatie ook de praktische plannen heeft?

De politiek waarin de media niet aflatend zo'n groot aandeel hebben, wemelt het van "laatste kansen'. Het is niet helemaal onmogelijk dat de Republikeinen voor hun Conventie, volgende maand in Houston, nog tot enig zelfkritisch inzicht zullen komen. Daarna duurt het nog meer dan twee maanden voor de verkiezingen.

Intussen hebben de Democraten, meer dan men voor deze Conventie voor mogelijk had gehouden, de verwachting gewekt dat ze de stagnatie zullen doorbreken. Het land kan zich niet nog eens vier jaar stagnatie veroorloven. Het grootste daarop volgende gevaar is dat president Clinton in de loop van zijn bewind zou bezwijken onder de verwachtingen die hij nu wekt. Erg sterk ziet hij er op het ogenblik nog niet uit, maar een mens groeit onder zijn verantwoordelijkheid - of mislukt.