Bad vibes in de Holiday Inn

Een uurtje ben ik nu in Sarajevo, en al gewond. Niet door een mortiergranaat, of door het vuur van een sluipschutter, waarvan er toch voldoende zijn rondom de Holiday Inn, voor de helft uitgebrand en weggeschoten maar nog steeds in gebruik als hoofdkwartier van de internationale pers.

Nee, het is eigen schuld en voorzichtigheid die mij van de vierde verdieping naar beneden, naar de receptie drijven, met een verzoek om wat jodium en wat pleisters voor mijn rechterbil.

En ik had het nog wel zo getroffen met mijn kamer 421, gelegen aan de enige kant van het hotel waar - zegt men - geen sluipschutters zijn en die bovendien in de "schaduw' van de diverse mortier- en granaatbombardementen is gelegen. Desondanks heb ik, je weet nooit met die uitgebrande appartementen op 200 meter afstand, meteen de gordijnen dichtgedaan, en heb mij vervolgens op een laag tafeltje naast het raam neergezet, teneinde vanachter de muur, onder een hoek, een blik te werpen op de uitgebrande kantoortorens aan de westkant van het hotel.

Helaas, het tafeltje was van glas, van dat gerookte glas dat in het halfduister bijna hout lijkt, en met donderend geraas ben ik erdoor gezakt. Daar sta ik nu bij de receptie, waar een vriendelijke moslim-strijder de fles ethanol en de pleisters ter hand neemt. Het valt mee, meldt hij opgewekt, over de wond die ik zelf slecht kan zien. Alleen het lopen zal even wat moeilijker gaan.

Maar dat lijkt geen bezwaar, want de omgeving van de Holiday Inn van Sarajevo noodt nauwelijks tot het maken van een wandeling. Een groepje, al wat langer in deze frontlijn verblijvende collega's, zit mokkend in het ruime atrium van het gebouw, waaruit het meeste glas door de oorlogshandelingen al verdwenen is. Al twee dagen, melden zij, houden sluipschutters de ingang van de Holiday Inn onder schot. De enige uitgang is de oprit van de ondergrondse garage: flink vaart zetten en met je auto zo snel mogelijk achter het gebouw zien te komen, al die tijd hopend dat de sluipschutters niet op je komst verdacht zullen zijn. Na het ronden van het gebouw krijgen ze echter een nieuwe kans, als de auto vaart zet, richting VN-hoofdkwartier of binnenstad.

Journalisten verschillen in hun werkwijze. Schrijver dezes mag graag een beetje rondlopen en kijken, en schijnbaar doelloze gesprekken voeren om de talk of the town te leren kennen - verklaringen van autoriteiten en persconferenties zoveel mogelijk negerend. Sarajevo biedt voor deze benadering echter weinig mogelijkheden, want ook de binnenstad ligt onder vrijwel voortdurend sluipschuttervuur, en de buitenwijken ook - de hele stad dus eigenlijk. Ook de ritjes richting VN-hoofdkwartier of vliegveld zijn een buitenkansje voor de avontuurlijke reiziger: zo hard mogelijk langs een vierbaansweg, terwijl je hoort dat ze op je schieten en inmiddels de wrakken vermijdend van de auto's vóór je, die het niet gehaald hebben.

Die rit de stad in heb ik gemaakt met een collega van Newsweek die voor het eerst in het voormalige Joegoslavië was en naar mijn bescheiden inzicht de situatie niet geheel door had. Aan ieder roadblock van de diverse strijdende partijen hield ze geruime tijd halt om een perspasje te verkrijgen, alsof dat tegen sluipschutterkogels bescherming zou kunnen bieden. Een lichtpuntje was dat ik, net voordat we de gevarenzone binnenreden, van een Franse televisieploeg, op weg naar Parijs, een kogelvrij vest had kunnen lenen.

Het verblijf in de Holiday Inn heeft zijn curieuze aspecten. Om te beginnen zijn de bovenste vijf verdiepingen van het gebouw grotendeels door zwaardere granaten verwoest. Sommige kamers zijn alleen maar door betonstof grijs geworden, andere geheel uitgebrand of weggeblazen. Maar ook op de vierde etage is niet alles zoals de concernleiding in Amerika het zich moet hebben voorgesteld. Zo verdient het aanbeveling bij het verlaten van de lift een klein sprintje te trekken, daar zich in het halletje een groot gat in de buitenmuur bevindt, waardoor je de lokatie van sluipschutters prachtig kunt zien. Even verderop in de gang passeer je het punt, waar de lokale staf van het persbureau Reuters onder bescherming van de gangmuur de satelliettelefoon ligt te bedienen. De schotel hebben ze middenin een kamer zonder buitenmuur gezet, want helaas is de steeds beschoten muur de zuidkant van het hotel en in het zuiden bevinden zich, zoals bekend, de geostationaire communicatiesatellieten.

Over de voedselvoorziening niets dan lof. Het geheel door binnenmuren omgeven congrescentrum is tot restaurant ingericht en rijk voorzien van victualiën van de zwarte markt in deze hongerende stad, inclusief moeizaam per humanitaire luchtbrug binnengevlogen flessen mineraalwater. Het diner wordt opgevrolijkt door een heuse barpianist, die het Strangers in the night tot diep in de nacht voortzet, zeer ten gerieve van de collega's die eveneens tot diep in de nacht proberen een telefoonverbinding met de buitenwereld tot stand te brengen in de donkere, de talrijke schoten buiten fraai weergalmende hal. Tenslotte lukt het door te komen, dankzij een telefoniste in de Servische hoofdstad Belgrado. Het is een vreemde wereld.

Onder de meer moedige collega's moet Dick Verkijk worden vermeld, de NOS-correspondent in Belgrado. Reeds vroeger, in het oude Oost-Europa, viel hij op door de onverschrokkenheid waarmee hij dissidenten bezocht en interviewde, terwijl anderen er in de hotelbar nog eentje namen en hun angst in brede analyses omzetten. De moedige veteraan laat ook nu het jonge volkje weer ruim achter zich door zonder enige zichtbare schroom per Chevrolet-stationwagon iedereen te gaan interviewen, die hij spreken wil en alles te gaan bekijken, wat hij zien wil. En niks geen gezeur met kogelvrije vesten.

Met grote opluchting neem ik kennis van Dicks aanbod mij morgen "even' naar het vliegveld te brengen, voor een dieptereportage over de fragiele hulpactie daar en een misschien niet zo eervolle, maar mij zeer welkome aftocht met een buitenlands militair vliegtuig. Maar eerst ondergaan we nog een artilleriebombardement rond het hotel, zo dichtbij dat je de granaten op je kamer hoorde fluiten. In de kelder naast de keukens, waar de meeste journalisten na een stormachtige val langs de trappen dekking zoeken, veel natte haren, want voor het eerst sinds dagen was er net warm water, op het moment dat het bombardement begon.

Tijdens het schuilen en wachten debiteert een collega een theorie die iedereen kent, maar die weinigen durven uit te spreken. Dat de Bosnische verdedigers van de stad de dood van wat Westerse journalisten misschien wel goed zou uitkomen, omdat zij immers geen humanitaire hulp, maar wapens of buitenlandse interventie willen, en denken dat zo'n incident interventie wel eens dichterbij zou kunnen brengen. Een ander snoert hem de mond: “Geen bad vibes hier! Is dat begrepen?”