ABP-weduwnaars

De ABP-wet kent nog geen gelijke behandeling van weduwen en weduwnaars.

Er bestaat slechts onder bijzondere voorwaarden recht op een weduwnaarspensioen. Het recht op weduwnaarspensioen is namelijk beperkt tot de voor meer dan vijftig procent invalide weduwnaar van een vrouwelijke ambtenaar, voor zover zijn echtgenote ten tijde van haar overlijden kostwinster was. Voor de toekenning van het weduwenpensioen gelden deze beperkende voorwaarden niet; dus de weduwe van een mannelijke ambtenaar heeft steeds recht op een weduwenpensioen.

Aan deze ongelijke behandeling is in de rechtspraak een eind gemaakt. Op 9 januari 1992 besliste de Centrale Raad van Beroep dat de ongelijke voorwaarden voor het recht op een nabestaandenpensioen strijdig zijn met artikel 26 van het Internationaal Verdrag tot bescherming van Burgerrechten en Politieke rechten (IVBP). Dit artikel 26 verbiedt elke discriminatie op grond van geslacht. De Centrale Raad bepaalde in zijn uitspraak tevens dat vanaf 23 december 1984 een beroep kan worden gedaan op artikel 26 IVBP om aanspraak te maken op een weduwnaarspensioen ingevolge de ABP-wet.

Eerder - in 1988 - had de Centrale Raad ook al uitgesproken dat de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) in strijd is met artikel 26 IVBP, omdat een weduwnaar anders dan een weduwe niet in aanmerking kan komen voor een nabestaandenpensioen op grond van de AWW. Wat de AWW betreft heeft de Tweede Kamer inmiddels in juni van dit jaar een wetsvoorstel voor een nieuwe Algemene Nabestaandenwet aanvaard waarin de gelijke behandeling van weduwen en weduwnaars is opgenomen.

Voor de ABP-wet is op 17 december 1991 bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend dat beoogt een recht op weduwnaarspensioen te introduceren op dezelfde voet als recht bestaat op weduwenpensioen. De vroegste datum van ingang van het weduwnaarspensioen is in dit wetsvoorstel gesteld op 1 januari 1986. In het beleid liep het ABP vanaf september 1991 op dit wetsvoorstel vooruit. Door de uitspraak van de Centrale Raad van 9 januari 1992 blijkt nu evenwel dat niet 1 januari 1986, maar 23 december 1984 de vroegste ingangsdatum van het weduwnaarspensioen is.

Voor het ABP was dit aanleiding een advertentie-campagne op te zetten in onder andere de landelijke dagbladen. “ABP-weduwnaarspensioen voor u?”, zo vraagt de advertentie-tekst de lezer in grote letters. Daaronder volgt de uitleg: “Als gevolg van een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep hebben voortaan meer weduwnaars recht op een nabestaandenpensioen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) dan voorheen het geval was. Was uw overleden (ex-)echtgenote ambtenaar in de zin van de ABP-wet, dan voldoet u aan een belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor een weduwnaarspensioen”. Er gelden echter ook nog andere voorwaarden. Met name dient er rekening mee te worden gehouden dat de ingangsdatum van het weduwnaarspensioen - en trouwens ook het weduwenpensioen - mede afhankelijk is van de datum van aanvraag. Volgens de ABP-wet kan een pensioen niet eerder ingaan dan één jaar voor de aanvraag. Ik vraag mij echter af of deze termijn strikt kan worden gehanteerd, vooral in die gevallen waarin weduwnaars op basis van in het verleden gegeven voorlichting er van hebben afgezien een aanvraag voor weduwnaarspensioen in te dienen of een wèl ingediende aanvraag werd afgewezen.

Duidelijk is echter wel dat thans rechtstreeks op basis van artikel 26 IVBP een recht op weduwnaarspensioen kan worden gebaseerd, ook al is dit nog niet in de ABP-wet zelf geregeld.

Het ABP zit natuurlijk wel met de moeilijkheid dat het fonds aan de wet is gebonden. Normaal gesproken is voor het wijzigen van de uitkeringen dan ook een wetswijziging noodzakelijk. Daarom is het voor het ABP lastig om snel in te spelen op ontwikkelingen die volgens de rechtspraak en de maatschappelijke opvattingen al gemeengoed zijn. Bij de presentatie van het jaarverslag van het ABP op 7 juli jl. constateerde bestuursvoorzitter Reijnen dan ook terecht dat er nogal wat “achterstallig onderhoud” in de ABP-wet zit. Illustratief is in dit verband dat bij de bedrijfspensioenfondsen in Nederland de gelijke behandeling van weduwen en weduwnaars voor reeds ruim 99 procent van de deelnemers is gerealiseerd. Onlangs is door de commissie-Pont de aanbeveling gedaan het ABP per 1 januari 1994 te verzelfstandigen. Een verzelfstandiging van het ABP, met een - net als de pensioenfondsen in het bedrijfsleven - in de Pensioen- en spaarfondsenwet verankerde positie en met minder overheidsbemoeienis lijkt inderdaad wel een must om slagvaardig te kunnen optreden.