Winstdeling goed voor de economie

Nederland heeft zich als enige lidstaat van de EG niet uitgesproken voor een bevordering van winstdeling. Bovendien worden Nederlandse werknemers belemmerd om aandelen in hun eigen onderneming te verwerven. De Amsterdamse advocaat mr. A. Voûte heeft de Europese Commissie gisteren verzocht te oordelen dat de Nederlandse wet op dit punt in strijd is met het EG-recht.

Tussen minister Kok van financiën en zijn collega De Vries van sociale zaken bestaat een groot meningsverschil over de fiscale stimulering van winstdelingsregelingen, meldt NRC Handelsblad op 11 juli. Kok zou voorstander zijn, maar De Vries maakt bezwaren omdat hij vreest dat een winstdelingsregeling ten koste gaat van de inkomsten van de overheid.

Het standpunt van de minister van sociale zaken is verbazingwekkend, gezien de duidelijke conclusies van het Centraal Plan Bureau: in 1989 is ten behoeve van het gewijzigde Wetsontwerp-Vermeend en 1991 nog eens voor het advies van de Stichting van de Arbeid berekend wat de gevolgen zouden zijn van fiscale stimulering van werknemersparticipatie. Tot tweemaal toe geeft het Planbureau een groot aantal positieve micro- en macro-economische effecten aan, die door de invoering van winstafhankelijke beloningsvormen (in de vorm van loon en/of aandelen) zullen ontstaan: - vergroting van produktie en investeringen, die op termijn zullen leiden tot extra arbeidsplaatsen. - matiging van de jaarlijkse loonrondes waardoor er gunstige uitstralingseffecten ontstaan, vooral voor zwakkere bedrijfssectoren en voor de overheid - die immers haar uitgaven voor ambtenaren en uitkeringsgerechtigden ten gevolge van deze matiging minder ziet stijgen.

Per saldo concludeert het Planbureau dus tot een duidelijk positief effect voor de overheidsfinanciën, zeker op de lange termijn.

Tijdens de zitting van de Raad van de Europese Gemeenschappen op 26 juni heeft Nederland als enige lidstaat zijn steun onthouden aan de door de Raad aanvaarde Aanbeveling betreffende de bevordering van werknemersparticipatie in bedrijfswinsten en -resultaten (inclusief aandelenparticipaties). De tekst van deze Aanbeveling lijkt zeer onschuldig; een Aanbeveling is bovendien op grond van artikel 189 van het EG Verdrag niet bindend voor de lidstaten.

Bij de voorbereiding van deze Aanbeveling hadden de ambtenaren die Nederland vertegenwoordigden zich dan ook niet verzet tegen deze tekst. Pas op de Raadszitting bleek dat minister De Vries niet voor wilde stemmen. Aan de notulen van de Raad werd een verklaring gehecht, waarin de Nederlandse delegatie een voorbehoud maakt. De benadering van de Commissie in deze kwestie, die in de verklaring rigide wordt genoemd, leidde tot problemen in Nederland - waar, zo stelt de verklaring, de overheid zich niet in deze problematiek mengt en waar de sociale partners als enige verantwoordelijk zijn voor de keuze van vormen van werknemersparticipatie.

Deze Nederlandse verklaring is onbegrijpelijk. Niet de Europese Commissie, maar minister De Vries is degene die zich rigide opstelt. Hij volgt daarbij kennelijk het standpunt van FNV en CNV, en niet het standpunt van het MHP en de Nederlandse werkgeversorganisaties, die wèl duidelijke voorstanders zijn van financiële participatie door werknemers.

Waarom FNV en CNV deze winstafhankelijke beloningsvormen tegenhouden, blijkt duidelijk uit recente publikaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek: nog slechts tweevijfde deel van hun leden is werkzaam in het bedrijfsleven (waarvan slechts zestien procent is aangesloten bij een vakbond). De overige leden van FNV en CNV zijn ambtenaren, trendvolgers of uitkeringsgerechtigden. Deze leden profiteren niet van winstafhankelijke beloningsvormen, vergezeld van een matiging in de jaarlijkse loonaanpassing, dus zij gaan er op achteruit.

Bovendien vrezen deze vakcentrales dat zij bij het ondernemingsgewijs invoeren van financiële winstdelingsregelingen hun toch al geringe greep op hun leden geheel kwijt zullen raken. De Nederlandse regering mag echter haar ogen niet sluiten voor ontwikkelingen in het buitenland. Zij moet iets concreets doen aan het armetierige (en sinds 1975 nimmer aangepaste) bedrag van 750 gulden per jaar dat een Nederlandse werknemer maximaal als winstdeling belastingvrij mag ontvangen, mits hij ook nog eens zeven jaar dat bedrag geblokkeerd op een spaarrekening plaatst.

Het handhaven van een dergelijk bedrag, ondanks de inflatie sedertdien van negentig procent, is om te beginnen in strijd met het door het parlement en de regering gehuldigde principe dat alle tarieven en fiscale vrijstellingen inflatie-neutraal behandeld moeten worden. Ook al zou dat fiscaal vrijgestelde bedrag dus verhoogd worden naar ƒ 1.440,- dan nog is een dergelijke vrijstelling te verwaarlozen in vergelijking met de landen om ons heen. In Engeland mag nu twintig procent van het vaste loon belasting- en premievrij onmiddellijk besteed worden, mits deze betaling gerelateerd is aan de winst. In Frankrijk kan tot 66.000 franc per jaar vrij van belasting en premie worden gespaard (na vijf jaar vrij opneembaar), en in België mogen werknemers sinds 1991 aandelen krijgen met een korting van twintig procent zonder enige belastingheffing. Ook in Duitsland kent men sinds kort zo'n fiscaal onbelaste korting en een door de overheid betaalde premie voor beleggingen in "vermögenswirksame Leistungen'.

Onderzoeken door onder meer Rosen en Young in Amerika, Bell en Hanson in Engeland en door Vanghan-Whitehead in Frankrijk, tonen duidelijk aan dat financiële participatie door werknemers een zeer gunstige invloed heeft op de resultaten van de onderneming. Uit Nederlands onderzoek blijkt dat de elf Nederlandse beursvennootschappen met een aandelenparticipatie van vier procent of meer, ten minste vijftig procent betere resultaten geven dan de 25 hoofdfondsen die samen de EOE-index vormen (mijn proefschrift: Aandelen voor werknemers, motivatie door participatie, 1991). ook zijn er aanwijzingen dat het ziekteverzuim door werknemersparticipatie drastisch afneemt.

Juist de minister van sociale zaken zou in dergelijke feiten geïnteresseerd moeten zijn, nu er telkens tegenvallers blijken te zijn bij de kosten van onze sociale voorzieningen (met name de ziektewet en de WAO). Dergelijke onderzoeken en de fiscale wetgeving in de ons omringende landen moeten nu eindelijk eens leiden tot acties bij de Nederlandse regering.

Gelijktijdig zullen dan ook de barrières geslecht moeten worden in het Nederlandse vennootschapsrecht. Met name door de huidige tekst van artikel 2: 98c van het Burgerlijk Wetboek worden Nederlandse werknemers - in strijd met de tweede Richtlijn van de EG en dus in strijd met het Europese recht - belemmerd om aandelen in hun eigen onderneming te verkrijgen. Ik heb dan ook de Europese Commissie verzocht om op grond van artikel 169 van het EG Verdrag te oordelen dat Nederland haar verplichting terzake niet is nagekomen. Hopelijk zal de Nederlandse wetgever het zover niet laten komen, en voordien deze met het EEG recht strijdige bepaling aanpassen. Financiële participatie van werknemers in de resultaten van hun eigen onderneming is van groot belang voor de Nederlandse economie.