Willcox (89): Boy oh boy, daar ging ik weer

De Amerikaanse trombonist Spiegle Willcox (89), die in de jaren twintig speelde met jazz-legendes als Bix Beiderbecke en Paul Whiteman, heeft gisteren en vandaag in een geluidsstudio in Monster opnamen gemaakt voor een cd met vijf Nederlandse muzikanten.

Spiegle Willcox zet de trombone aan zijn lippen en blaast Summertime, een nummer dat nog niet bestond toen zijn muzikantencarrière begon. Hij heeft een lyrische toon, die nu hooguit iets kortademiger is dan in de gloriejaren. Met een hoofse buiging en een brede glimlach neemt hij het applaus in ontvangst. “I'm glad to be here,” roept hij. “In fact, at my age, I'm glad to be anywhere!” Maar zodra hij zich buiten het bereik van de microfoon bevindt, betoont de trombonist zich iets minder tevreden: “De lange noten kosten me moeite en ik heb meer vibrato dan ik zou willen. Dat zit me dwars. Er zit steeds een criticus in mijn achterhoofd, die fluistert: Spiegle, je bent niet meer zo goed als vroeger. Nee, ik krijg geen klachten, dat is waar. En natuurlijk is het hartverwarmend om nog te kunnen spelen. Alleen die criticus, die blijft maar zeuren in mijn achterhoofd.”

Hij is van 1903 en staat in de naslagwerken vermeld als lid van twee fameuze orkesten: Paul Whiteman's Collegians, actief in 1923 en 1924, en daarna de Jean Goldkette Band, waar hij binnenkwam als opvolger van Tommy Dorsey en zich in het eerbiedwaardige gezelschap bevond van collega-trombonist Bill Rank, hot-violist Joe Venuti en cornettist Bix Beiderbecke. Elk van hen vierde later triomfen - behalve Spiegle Willcox, die in juni 1927 het muzikantenvak verliet en vervolgens bijna vijftig jaar lang in zaken was.

“Raar? Ja, misschien was dat raar. Vooral als je bedenkt dat de Goldkette Band in die tijd echt een top-orkest was, met Bix en Joe... die jongens waren fantastisch, het is niet voor niets dat hun namen nog steeds zo'n geweldige klank hebben. Alle andere groten uit die tijd kwamen naar ons luisteren. Maar ik ben altijd nogal een huiselijk type geweest; ik ging na ieder optreden meteen naar huis, terwijl de rest de stad in ging en... wat ze deden, weet ik niet precies, maar ik weet wel dat er een hoop drank bij te pas kwam. Bix zoop liters, geen wonder dat hij niet ouder is geworden dan 28. Ik was getrouwd en vond het al erg genoeg dat ik zo vaak van huis was. En toen in 1927 mijn eerste zoon werd geboren, heb ik de trombone ingepakt en ben gestopt. Daar kwam bij, dat mijn vader een kolenhandel had en in mij altijd al zijn opvolger had gezien. Van het ene moment op het andere was ik weg uit de muziek en zat ik in de handel.”

“Het enige wat ik sindsdien in de muziek heb gedaan, was een eigen vrijetijds-orkest op vrijdag en zaterdag. Verder had ik geen contact meer met de scene. Ik woonde en werkte in de staat New York, zo'n 250 mijl verwijderd van de grote stad. Mijn leven speelde zich af binnen een straal van vijftig vierkante mijl. De enige muziek die ik hoorde, was op de radio of op platen. Maar ik was tevreden en ik heb er een mooi huis aan het water aan overgehouden, met een oprijlaan van een mijl - dat was me als muzikant nooit gelukt.”

“Tot ik met pensioen ging en opeens, in '75, een telefoontje van Joe Venuti kreeg: er kwam een Beiderbecke-tribute in Carnegie Hall en of ik mee wilde doen. Het was een belevenis om weer met alle oude jongens te spelen. Wegens groot succes hebben we het drie maanden later nòg eens gedaan, op het Newport Jazz Festival, en toen vroeg Joe of ik met hem op tournee wilde. Van mijn vrouw en mijn dochter kreeg ik het groene licht. En boy oh boy, daar ging ik weer. Ik heb nooit spijt gehad van mijn beslissing, maar dat ik nu nog leef en werk, heb ik zonder twijfel te danken aan de muziek.”

Sinds zijn terugkeer heeft Spiegle Willcox zich moeten bekwamen in de improvisatie: “Ik had altijd van blad gespeeld; ik was bij Whiteman en Goldkette de sweet trombone player, die alleen de noten blies die genoteerd stonden. Ik hou ook absoluut niet van al die moderne blazers met àl die noten... je weet soms niet of ze al spelen of zich alleen nog maar aan het inblazen zijn. Maar een beetje improviseren wilde ik wel leren. En ik leer tot op de dag van vandaag; ik kan mezelf nog steeds verbazen als ik opeens in een lick terechtkom waarvan ik denk: waarom heb ik dat nooit eerder gedaan? De inspiratie komt van degenen met wie ik op het podium sta. Omringd worden door muzikanten, dat is het mooiste en het inspirerendste wat er is. Ik hou van ze; als ik ergens speel, zorg ik er altijd éérst voor dat de muzikanten me aardig vinden. Door me even om te draaien en te knikken als ik ze iets bijzonders hoor doen, bijvoorbeeld. Dat vind ik belangrijk; ik ben ook een audience pleaser, maar de muzikanten komen op de eerste plaats.”

Zo heeft Willcox zich intussen ook in Nederland een vriendenkring verworven. Hij logeerde dezer dagen ten huize van klarinettist en altsaxofonist Pim Gras, één van de vijf Nederlandse musici met wie hij gisteren en vandaag een cd heeft opgenomen - een initiatief van de Engelse producer Chris Ellis, sinds kort woonachtig in Amsterdam. “Ik vind het belangrijk zijn spel vast te leggen, nu hij nog op zijn best is,” aldus Ellis. “Nee, als hij alleen nog maar een schim van vroeger zou zijn, was ik er niet aan begonnen.” De plaat verschijnt dit najaar op het Timeless-label. Spiegle Willcox vertrekt morgen voor een serie engagementen naar Duitsland.