Pyke Koch verruilde zijn zwarte hoofdband voor een rode pruik

Tentoonstelling: Magisch realisten en tijdgenoten, t/m 23 aug. in het Gemeentemuseum Arnhem. Di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur. Catalogus ƒ 49,50.

Van alle kanten roepen ze je na, de vrouwen van Pyke Koch. Twee schreeuwende vrouwen sieren de mooie catalogus Magisch realisten en tijdgenoten. Op de affiche bij de gelijknamige tentoonstelling staat er nog een derde vrouw zwijgend naast. Het zijn reprodukties van Vrouwen in de straat, een groot schilderij van Pyke Koch (1901-1991), waaraan hij tussen 1962 en 1964 werkte, onmiddellijk na de voltooiing van zijn beroemde ”contorsionistes' (slangemensen).

Het schilderij is de afsluiting van een omvangrijke tentoonstelling in het Gemeentemuseum Arnhem. De kern van de expositie wordt gevormd door de eigen collectie magisch realisten, waarvan doorgaans slechts enkele hoogtepunten ”op zaal' hangen. Nieuw is bovendien de chronologische ordening, die zoals de affiche vermeld, een ”tijdsbeeld' geeft. Dit beeld berust op ruim negentig werken, waarvan achttien bruiklenen uit particulier bezit en afkomstig van andere Nederlandse musea. Ze belichten vooral het centrale thema, de Nederlandse beeldende kunst in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog. In vitrines wordt dit beeld verduidelijkt door publikaties uit die periode, waaronder de eerste kunstenaarsbiografieën en catalogi van kunsthandelaren, soms met notities in potlood van de biograaf in kwestie.

De tentoonstelling is als tijdsbeeld goed toegankelijk gemaakt door de begeleidende oeuvre-catalogus. Aan de schilders Raoul Hynckes, Dick Ket, Pyke Koch, Carel Willink, Johan Mekkink, Charley Toorop, Wim Schuhmacher en Edgar Fernhout zijn korte biografieën gewijd met daarna een bespreking van de afzonderlijke werken in de eigen verzameling van het Gemeentemuseum Arnhem. Aan deze door acht deskundigen geschreven hoofdstukken gaat in de catalogus een inleidend essay vooraf, waarin één van hen, John Steen, de ”magisch realisten' in hun tijd plaatst. Hij komt tot een genuanceerd oordeel over de verschillende politieke opvattingen van de kunstenaars en voegt aan het bekende verhaal over Kochs fascistische sympathieën toe dat hij lid is geweest van de NSB, wat Koch zelf altijd heeft ontkend.

Maar met de pose van Koch is meer aan de hand. Hij valt op door zijn mooie techniek en door de eigenzinnige, raadselachtige sfeer die zijn werk kenmerkt. Is de middelste figuur, die ons overal in Arnhem en ook elders in het land toeschreeuwt, wel een vrouw?

De interesse en professie van de drie vrouwen zijn aangegeven door de graffiti op de muur, links een P en rechts een K. Deze letters vormen ook de sleutel tot hun geslachtelijke en persoonlijke identiteit. Zij zijn immers ontleend aan de voornaam van de kunstenaar en aan zijn initialen. Ze verwijzen tevens naar een reeks Nederlandse woorden voor mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen. De letters onthullen en verbergen de betekenis van het schilderij. Wat tussen de P en de K staat wordt aan het oog onttrokken door de middelste figuur, het raadsel zelf.

De middelste van de drie figuren is een travestiet. De persoon is voorzien van pruik, stola en zware make-up, die van de man een vrouw maken, maar de pezige armen, geprononceerde elleboog en de tors zonder borsten onderscheiden de middelste figuur van de andere twee. Een travestiet verhult de eigen identiteit, maar de verhulling is nimmer volmaakt. De vervulling van de hang naar mystificatie ligt in de misleiding en daar is Koch tot dusverre goed in geslaagd. Naar postuur en fysionomie heeft de centrale figuur kenmerkende trekken gemeen met de kunstenaar zelf, die gewoon was zich zo nu en dan te schminken.

Kort voor en gedurende de Tweede Wereldoorlog liet Koch zich van een andere kant zien. Hij werd geïnspireerd door wat hij zag als mannelijke heroïek, die uitdrukking vond in een serie zelfbewuste schoorsteenvegers en in een reeks zelfportretten. De meest martiale resultaten daarvan zijn het Zelfportret met zwarte doek uit 1937 en Marschgezang uit 1941. Het laatste schilderij, dat Koch zelf vernietigd heeft, is door de zwarte vlaggen en bezems ondubbelzinnig in zijn betekenis als uitdrukking van fascistische sympathieën. Zo is het werk ook in 1941 opgevat door Kochs biograaf en vriend Jan Engelman, wiens boek op de tentoonstelling te zien is. De hoofdband komt ook voor op het zelfportret uit 1937 - in het bezit van het Centraal Museum te Utrecht en nu ook in Arnhem te zien. Daarom is de zwarte band later beschouwd als fascistisch embleem, maar Koch heeft dit zelf steeds ontkend.

Als ruim zestigjarige heeft Pyke Koch in Vrouwen in de straat het heroïsche marslied van een man in de kracht van zijn jaren vervangen door het ordinaire naroepen van een zich prostituerende travestiet. De zwarte band werd een rode pruik, de zware hoofddoek werd gereduceerd tot een dun koordje, de mannelijke held werd een vrouw. Interessant is dat Koch met genoegen de reactie van een Engelse vriend memoreerde, die over de vrouwen gezegd moet hebben: ”What royalties!'

Identiteitswisselingen, dubbelzinnigheden, persiflages en provocaties zijn serieuze aangelegenheden, die met technische perfectie in beeld gebracht moeten worden. In de reacties - populaire, kunstkritische en wetenschappelijke - hebben buitenartistieke aspecten, naast respect voor het technisch vermogen, altijd volop de aandacht getrokken. De kritiek op zijn politieke opvattingen en vrouwbeeld vesterkten Kochs behoefte aan camouflage en demasqué, waarvoor echter ook andere aanleidingen bestonden. Tot de jaren zestig rustte op biseksualiteit, homoseksualiteit en geslachtsverandering een sterk taboe, zelfs in de fantasie.

Geslachtswisselingen komen ook voor bij de reeks contorsionistes die Koch schilderde. Vanaf 1952 werkte hij aan een serie schilderijen met als onderwerp een circusacrobaat. De eerste slangemens ligt op de buik met de benen voor de armen en de handen op de voeten. Daarna ontstond een kleiner schilderij met een andere stand, dat nu in Arnhem te zien is. Op het tentdoek is een tot uitbarsting komende vulkaan afgebeeld. In 1957 ontstond een versie op groter formaat, gecompliceerder ook dan de eerste versie, die zich nu in het Stedelijk Museum te Amsterdam bevindt. Een volgende versie mislukte en het eerste exemplaar werd aangepast. De slangemens is het boegbeeld van Kochs oeuvre geworden en siert vrijwel alle publikaties over zijn werk.

Fotograaf Aart Klein heeft een bijzondere rol gespeeld bij het ontstaan van deze schilderijen. Koch had in Circus Strassburger een slangemens aan het werk gezien en liet via de perschef een foto maken van het jongetje dat optrad als de ”wonderboy'. Klein, die toen veel in het circus fotografeerde, kreeg de opdracht, maar wist niet waarvoor zijn foto's bestemd waren. Op eigen initiatief fotografeerde hij ook het zusje van de ”wonderboy'. Hij betreurt het achteraf geen persoonlijk contact te hebben gehad met Koch. In grote lijnen geven de foto's de houdingen te zien van De contorsioniste en De grote contorsioniste. De kleding kreeg meer glamour, de sobere tafel is een kleurrijk podium geworden en het gezichtspunt is aangepast.

De contrastrijke kleurstelling geeft het schilderij een eigenaardige sfeer, die wordt versterkt door de pigmenten en de schilderwijze van de huid. Koch ontleende aan de vroege Italiaanse schilderkunst het volgende procédé. Op een egale laag van groene aarde schilderde hij afwisselend dekkend en transparant een laag van roze. Zo ontstaat een onnatuurlijke, als het ware geschminkte huid die tevens een nostalgische stemming oproept. De opmerkelijkste metamorfose geldt natuurlijk het geslacht van de ”wonderboy'. Het lachende jongetje is een vrouw geworden. De ballen zijn op de eerste versie links op een met goudgalon afgebiesd krukje gelegd.

Verhulde visualisering was een probaat middel voor het uitbeelden van emoties die nog weinig vaste uitingsvormen kenden, dubbelzinnig waren en waarop een taboe rustte. Het uitbeelden van buitenissigheden paste in Kochs opvattingen over het kunstenaarschap, die ondersteund werden door ideeën uit de psychoanalyse, de literatuur en de kunstgeschiedenis, in het bijzonder de iconografie. Familieleden, vrienden en vriendinnen konden hem daarover informeren.

Koch vond in de maskerade zijn artistieke roeping. Als de essentie in zijn werk noemde hij zijn ambitie om zoveel mogelijk de verschillende sectoren van zijn bewustzijn aan te boren. Slangemens, travestiet en mannen met hoofdbanden vormen Kochs bijdrage aan de individuele iconografie van de twintigste eeuw, die in beeld gebracht is met een techniek uit de grote schilderstraditie. Meer nog dan bij de andere realisten was zijn wereld met recht magisch.