Mercury breekijzer op telefoniemarkt

Phone Wars: The Story of Mercury Communications. Auteur Keith Bradley. Uitgeverij Century Business. ISBN 0-7126-9826-4. Prijs 16.99 pond.

Bij PTT Telecom zal dit boek met rode oortjes worden gelezen. Een concurrentieslag als die tussen Mercury en British Telecom, de twee belangrijkste informatievervoerders van Groot-Brittannië, staat ook in Nederland te wachten, zeker nu monopolies ten einde lopen en het dataverkeer, het satellietverkeer en het reguliere telefoonverkeer steeds meer worden vrijgegeven.

Al aan het begin van de jaren tachtig werd door de Britse overheid aan Cable & Wireless-dochter Mercury een volwaardige telecommunicatie-consessie verleend. Zeer tegen de zin van monopolist British Telecom, maar tot volle tevredenheid van de consument, die nu tussen twee aanbieders kan kiezen. De kwaliteit van de dienstverlening is er enorm door verbeterd. In Londen staan de telefooncellen van Mercury en BT broederlijk naast elkaar. En ze werken allemaal.

De verwachting is dat de Britse regelgeving de komende jaren verder wordt verruimd. Het voormalige staatsbedrijf BT, dat nu nog het merendeel van de telecommunicatiemarkt in handen heeft, zal steeds meer terrein moeten prijsgegeven. Niet alleen aan Mercury, dat inmiddels zes procent van de telecommunicatiemarkt heeft veroverd, maar ook aan internationale "carriers'. Onlangs is een derde consessiehouder op de Britse markt toegelaten en nog eens twintig bedrijven hebben aanvragen ingediend.

Keith Bradley, oprichter van directeur van de Business Performance Group van de London School of Economics, demonstreert in "Phone Wars: The Story of Mercury Communications' (ondanks de pakkende titel geen uitgesproken leesboek) de grootste bewondering voor het jonge telecommunicatiebedrijf. Het vrijgeven van de Britse telecommunicatiediensten (1980) bracht grote risico's met zich mee, omdat het de winstgevendheid van BT onder druk zou kunnen zetten en de telefoontarieven daardoor fors zouden kunnen stijgen. De BT-directie zèlf was mordicus tegen liberalisering en dreigde de tarieven voor de lokale gesprekken te verhogen. Op de overheid moeten deze dreigementen weinig indruk hebben gemaakt, want in 1981 was de verzelfstandiging van de dienst telecommunicatie van de Britse Posterijen (British Telecom) èn de privatisering van Cable & Wireless, een in 1928 opgericht staatsbedrijf dat voornamelijk in Britse kroonkolonies als Hong Kong en India opereerde, een feit.

Omdat Cable & Wireless voortaan óók zaken mocht doen op de Britse markt, werd deze onderneming plotseling een potentiële concurrent voor BT. De nieuwe concessie-houder mocht zelfs een eigen telefoonnetwerk laten aanleggen en een deel van het nationale telefoonverkeer afhandelen, al was men voor graafwerkzaamheden en verbindingen nog wel afhankelijk van British Telecom.

De mogelijkheid van een apart telecommunicatienet naast het reguliere netwerk van BT werd aanvankelijk nauwelijks serieus genomen. Doch bij de grote banken in het Londense zakenkwartier bestond wel degelijk behoefte aan een infrastructuur voor zakelijke doeleinden. Voor vijftig miljoen pond liet Mercury een glasvezelnetwerk aanleggen tussen Londen, Bristol, Birmingham, Liverpool en Manchester.

Nu had dit uiteraard weinig zin als Mercury geen toegang zou krijgen tot het openbare telefoonnet van BT. “Het is alsof je Robert Maxwell vraagt om zijn rivaal Murdoch te helpen bij het oprichten van een krant”, protesteerde Michael Bett, een van de directeuren van BT. Maar na veel vijven en zessen ging BT overstag en begon Mercury aan zijn opmars. In 1990 had het 35.000 klanten. Met zevenduizend werknemers is het nu een van de snelst groeiende bedrijven van Europa.

Bradley schrijft dit succes toe aan een efficiënte bedrijfsvoering, een stringent doorgevoerd kwaliteitsprogramma, een innovatief produktbeleid, strategische allianties met ondernemingen als Motorola en Shay en een salariëring die jaarlijks wordt aangepast al naar gelang de capaciteiten van de individuele werknemer.

Of Mercury het vooral op prijs geleverde gevecht zal overleven, blijft - ook in dit boek - een open vraag. Mercury kan tevreden zijn met het hoge rapportcijfer dat Bradley het bedrijf geeft, maar zal nu echt moeten bewijzen wat het waard is.