Inspectie doet aan "positieve chantage'

Driekwart van de Nederlandse beroepsbevolking behoort tot de wereldelite, de rest is ziek of arbeidsongeschikt. Om dat te verbeteren verdienen ook arbeidsomstandigheden meer aandacht. Aflevering 8: de arbeidsinspectie.

ROTTERDAM, 14 JULI. De arbeidsinspectie moet de naleving van de wetten op het gebied van arbeidsomstandigheden controleren. De circa driehonderd buitendienstmedewerkers bezoeken daarvoor dagelijks bedrijven en instellingen. Als inspecteur van de arbeid Gerard Oostveen zijn auto de parkeerplaats van het bedrijf opstuurt, staat zijn collega al te wachten. Met zijn tweeën gaan ze op bezoek bij een internationaal distributiecentrum van een wereldwijd opererend concern.

Hun bezoek heeft een voorgeschiedenis. In het najaar kwam over het bedrijf een klacht binnen van de vakbond. Er zou worden gerommeld met werktijden en er zouden onduidelijke chemicaliën aanwezig zijn. Oostveen ging op inspectie. Het bedrijf bleek echter een overwerkvergunning te hebben - hetgeen later door de bond werd erkend - en volgens de directie waren er geen chemicaliën aanwezig. Oostveen trof ze op zijn inspectieronde door het bedrijf ook niet aan. De bond hield vol dat ze er wel waren. Oostveen heeft in de loop der jaren ervaren dat bonden de arbeidsinspectie meestal niet voor niets inschakelen. “Maar je moet het wel constateren om iets te kunnen doen.”

Nu wilde het bedrijf weten waar het aan moest voldoen als er - in de toekomst - chemicaliën in gesloten verpakking zouden worden overgeslagen. Het blijkt te gaan om een buitengewoon agressieve stof, zodat voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen voor het geval er een verpakking kapot gaat. Oostveen legt de gevaren uit en schetst wat er gedaan moet worden. De directie blijkt bereid extern advies in te winnen over de preciese uitvoering van de voorzorgsmaatregelen en voor de noodzakelijke instructie aan het personeel. Oostveen, later in de auto: “Ik kan het natuurlijk ook zelf doen, maar dat kost veel tijd. Bovendien krijgt het bedrijf dan instructies en volgt die op. Op deze manier hoop je dat ze zelf meer nadenken”.

Dezelfde middag werkt Oostveen een brief uit aan het bedrijf, waarin hij nog eens op een rijtje zet wat er die morgen is besproken. Die kan meteen op de bus, zodat iedereen weet waar hij aan toe is.

In district 3 (Rotterdam en omstreken) moeten veertig buitendienstmedewerkers 60.000 bedrijven in de gaten houden. “Dat kunnen we aan, als je tenminste niet overal als politieagent wilt optreden”, zegt Oostveen. “We stimuleren bedrijven zelf deskundigheid in te huren.” Toch zouden ze effectiever kunnen werken als ze de bedrijven waar ze op bezoek gaan scherper zouden selecteren, meent hij. Dat mag nu niet, omdat elk bedrijf een maal in de zoveel jaar (afhankelijk van het type bedrijf) moet worden bezocht. Oostveen: “Als nu in een bepaalde branche het ziekteverzuim varieert van 3 tot 18 procent, dan zou je je prioriteit moeten kunnen leggen bij die bedrijven die een paar procent boven het gemiddelde zitten”.

Meer dan de helft van de tijd besteedt de buitendienst aan projecten, iets minder dan de helft aan losse inspecties (onderzoek naar ongevallen en klachten) en de rest aan voorlichting. Gerrit Berendsen doet vooral losse inspecties, maar gaat deze middag op pad voor een project. De aanleiding voor het project was een dodelijk ongeval twee jaar geleden bij een recyclingbedrijf. De daar aangetroffen omstandigheden waren voldoende reden de hele bedrijfstak in het district eens door te lichten.

Het eerste bezoek doet hij onaangekondigd. Hij maakt dan een rondgang door het bedrijf. De inspecteur heeft bevoegdheid om alles te zien, ook administratieve gegevens, bijvoorbeeld over werktijden, verzuim en ongevallen. Daar staat tegenover dat hij een geheimhoudingsplicht heeft.

Om meer uniformiteit in het optreden van de arbeidsinspectie te krijgen heeft ze tegenwoordig een handhavingsbeleid. Dit bestaat uit een aantal stappen, waarbij een bedrijf op basis van een vaste checklist wordt doorgelicht. Als zaken niet in orde zijn, worden daarover schriftelijke afspraken met het bedrijf gemaakt. Na het verstrijken van een vastgestelde termijn heeft er controle plaats. Mocht een deel van de maatregelen nog niet zijn genomen, dan kan het bedrijf afhankelijk van de ernst van de zaak nog enige tijd respijt krijgen. Als na die tijd nog niet alles in orde is, volgt onverbiddelijk een proces-verbaal. Als er iets ernstig mis is dan krijgt het bedrijf nooit een tweede kans, maar volgt onmiddellijk een proces-verbaal als na de vastgestelde termijn de zaken niet in orde zijn.

Sinds het ongeluk twee jaar geleden is er wel het een en ander verbeterd bij het recyclingbedrijf dat Berendsen deze middag bezoekt. Met het hoofd van de technische dienst loopt hij het terrein over. Veel van het sorteerwerk gaat automatisch, maar hier en daar komen er mensenhanden aan te pas, vooral om rommel die erdoor is geslipt eruit te halen. Het is saai, eentonig werk in een lawaaiige omgeving. Op het nieuwere gedeelte van het bedrijfsterrein staan die werknemers in kamertjes met een dikke laag geluidsisolatie. Menigeen laat de deur echter open staan, zodat het effect gering is. “Wat moet je dan nog?”, verzucht het hoofd van de technische dienst. Berendsen benadrukt het belang van instructies, eventueel zelfs schriftelijk.

Maar niet alles is zo mooi als de geïsoleerde hokjes. In een loods zit een stroomomvormer open en bloot aan de wand. Hij zat in een keukenkastje, maar het deurtje bungelt erbij aan één scharnier. “Daar moet direct wat aan gebeuren”, zegt Berendsen na afloop van de ronde bij een kop koffie tegen de technische man. “Morgen al.” Ook een onbeschermde eindrol van een transportband moet snel worden beveiligd, vindt hij. Daar kan immers iemand met zijn hand tussenkomen. Op enkele plaatsen moeten kabels langs een transportband komen om de noodstop te bedienen. De meeste banden hebben al wel zon kabel.

De rest bespreekt Berendsen een paar dagen later met de directeur van het bedrijf. Daarvoor maakt hij wel een afspraak. Dan zal hij ook de hele vragenlijst de revu laten passeren, waarvan hij een exemplaar achterlaat. Bij zijn beoordeling van de situatie weegt hij mee dat het bedrijf binnenkort nieuwbouw pleegt en het oudste terrein zal ontruimen: “Ik wil een sterfhuis niet op kosten jagen.”

Net als Oostveen probeert hij een bedrijf zoveel mogelijk zelf te laten doen, tot aan het stilleggen toe, als ernstig gevaar dreigt. Berendsen: “Ik geef ze dan de keus: legt u het stil of doe ik het? Als ik het doe, krijgen ze wel meteen een proces-verbaal. In de praktijk legt het bedrijf dan altijd zelf de zaak stil.” Dat scheelt de inspecteur het opstellen van een proces-verbaal, wat al snel een paar dagen kost, inclusief het verhoren van getuigen en het opzoeken van documentatie, en het resultaat is hetzelfde. “Eigenlijk is het positieve chantage”, zegt hij, “maar je moet geen zwaardere middelen inzetten dan nodig.”