In de wereld is voldoende idealisme voor vrijwillige troepen; Taak voor alternatief vredesleger

De vertraging die is opgelopen, eerst in Kroatië en nu in Bosnië, bij het sturen van een vredesmacht, is buitengewoon schadelijk. Ze is kenmerkend voor een algemener dilemma dat diplomatie binnen een democratie nu eenmaal met zich meebrengt. Maar ze biedt ook bredere perspectieven.

Internationale toeschouwers, die het zonder de strategische en psychologische drijfveren van de Koude Oorlog moeten doen, meenden niet te kunnen interveniëren voordat zij een dwingend argument konden aanvoeren voor het thuisfront. Anders zouden zij in eigen land geen steun kunnen vinden voor het aan gevaar blootstellen van hun soldaten.

Dat wil zeggen dat het uitstel in Joegoslavië niet alleen maar een uitvlucht was. Er stak ook een politieke logica achter. Maar de kosten van het uitstel - in levens en in de uitbreiding van de oorlog - blijven zeer hoog. Hoe langer het uitstel in zulke omstandigheden duurt, des te riskanter en meer omstreden is de beslissende interventie.

De kunst is om op het juiste moment te interveniëren. Hoe kan het politieke risico van het sturen van vredestroepen naar een plaatselijke chaos worden beperkt?

De vormen van preventieve diplomatie, zoals geschetst door de Egyptische secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros Ghali, bieden een aantal mogelijke oplossingen. Alles wat het uitbreiden van een conflict tegengaat of vermindert, helpt.

Maar er bestaat een andere mogelijkheid die direct van toepassing is op de vroege stadia van een ontkiemende etnische of humanitaire crisis: een vrijwillige vredesmacht. Deze bestaat uit mensen die op eigen houtje in actie komen en voor wie een politiek leider geen volledige of directe verantwoordelijkheid draagt als zij hun leven op het spel zetten. Het is een plan voor bepaalde tijdperken en misschien ook voor de huidige overgangssituatie.

Ik ga uit van de veronderstelling dat er vandaag de dag een enorme hoeveelheid idealisme braak ligt in de wereld. Het ooit heersende determinisme, het idee dat er altijd sprake zou blijven van een zekere mate van strijd, heeft plaatsgemaakt voor de opvatting dat regeringen, internationale organisaties en zelfs individuen de zaken op zijn minst in de goede richting kunnen sturen.

Vroeger hadden mensen die zich bezig hielden met diplomatie of vrede, de neiging dit terrein van het openbare leven te beschouwen als tegenpool van geweld, als een alternatief voor oorlog. Deze tegenstelling, die altijd al verkeerd was, is aan het verdwijnen.

Dit vredeslegioen is nu veel eerder bereid het nut, de noodzaak en de verdienste van de toepassing van geweld te accepteren als middel om de vrede veilig te stellen. Geweld in de handen van een verdachte supermacht was één ding, geweld in de handen van een waardige en officiële internationale instantie is iets anders.

Kortom, ik denk dat er steeds meer mensen zijn, in de Verenigde Staten en ook elders, die bereid zouden zijn zich bij een internationaal vredesleger aan te sluiten. Sommigen zouden dit doen om een universeel principe te dienen, anderen in naam van patriottisme en weer anderen om persoonlijke redenen. Maar de behoefte is er.

Boutros Ghali, die de lidstaten dringend verzoekt vredesmachten te vormen en die beschikbaar te houden, heeft gesuggereerd soldaten als vrijwilligers te nemen. Hij had de Scandinavische manier van soldaten recruteren in gedachte. Die melden zich namelijk vrijwillig aan voor vredesmachten.

Dat is een goed idee, maar waarom zou men zich beperken tot de leden van de nationale legers? Waarom zou men deze internationale vredesmachten niet voor gewone burgers openstellen? Waar zij ook vandaan komen, ze zouden niet onder een of ander nationaal leger vallen, maar rechtstreeks onder een internationale macht, logischerwijs de Verenigde Naties, die de militaire, logistieke en financiële competentie zouden moeten opvijzelen tot een professionele vredesmacht.

Lijkt het soms vergezocht te veronderstellen dat een internationale groep mensen, van wie sommigen misschien uit nationale legers, sommigen uit een burgerbestaan, zich vrijwillig aanmelden om onder internationaal gezag te dienen en persoonlijke risico's aanvaarden, die te groot zouden zijn als bijvoorbeeld de president van de Verenigde Staten voor hen verantwoordelijk zou zijn?

Wij zijn al begonnen met het heroverwegen van de verdeling van de macht en verantwoordelijkheden van na de Koude Oorlog tussen natiestaten en internationale organisaties. In dezelfde geest van een nieuw internationalisme, wordt het misschien tijd dat we ons afvragen waar individuen onder vallen.

Zowel in het Westen als in het Oosten dwong de Koude Oorlog burgers op de staat te dienen. “Vraag niet wat uw land voor u kan doen”, stelde president John Kennedy met nadruk, “vraag wat u kunt doen voor uw land.” Burgers kunnen veel doen voor hun land. Zij kunnen ook veel doen voor een internationale zaak - armoede bestrijden, verzoening bevorderen, de vrede bewaren. De energie is er, denk ik, het wachten is op een nieuw doel waarin ze kan worden geïnvesteerd.

© The Washington Post/ NRC Handelsblad