Holocaust en de literatuur Raster 57. De ...

Holocaust en de literatuur Raster 57. De literaire getuige - S.Dresden. De Bezige Bij, 144 blz.ƒ24,50

Knock-out door poëzie De Zingende Zaag 15, K.O. by Poetry. 52 blz.ƒ15, Postbus 1077, 2001 BB Haarlem.

Holocaust en de literatuur

Een uitzonderlijk nummer van Bezige Bij's Raster: "De literaire getuige', helemaal gewijd aan Sem Dresden en zijn vorig jaar verschenen boek Vervolging, vernietiging, literatuur (Meulenhoff, 277 blz. ƒ39,50). Omdat we er zo van onder de indruk zijn, zegt de redactie eenvoudig ter verklaring .

Vier Raster-redacteuren schreven een beschouwing over Dresdens boek: Matsier, Van Toorn, Vogelaar en Offermans. De auteur zelf droeg twee oudere, inleidende essays bij, een nieuw dat "ook als aanvulling mag gelden' op zijn eigen boek, en hij liet zich interviewen.

De aankoop van Vervolging, vernietiging, literatuur stelt Raster niet als voorwaarde, maar wie in literatuur, de jodenvervolging en vooral die combinatie is geïnteresseerd moet zich het boek in 's hemelsnaam niet laten ontgaan. Geen ethische kwestie aangaande "holocaustliteratuur' laat Dresden onbesproken en geen auteur die in dit verband van belang is laat hij ongenoemd. En dat ook nog op een perfecte toon: betrokken maar niet heftig, verbijsterd maar niet sentimenteel, informatief maar niet weterig, gedecideerd opiniërend maar niet moraliserend, breed en toch bondig, mooi maar niet prachtig. Serene bewogenheid, als dat bestaat.

Zelfs het begin van het Register noodt al dadelijk tot lezen: aanvaarding, totale; absurditeit; achterhuis, Het; actualiteit; Adler,H.G.; Adorno,Th.W.; afstandelijkheid zie distantie; Ahasverus; ...

Dresden (1914) zette zich aan deze studie na het symposium "Wat heet fout in de literatuur', dat in oktober 1988 gehouden werd nadat Adriaan Venema zoveel loswoelde met het eerste deel van zijn onbehouwen Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Dresden vraagt zich af hoe oorlogsliteratuur zich verhoudt tot de werkelijkheid, en wat de lezer van holocaustverhalen mag of moet voelen - een zekere vermaaktheid, schaamte, opluchting, achterdocht, of woede. Volgens Dresden mag óók in oorlogsliteratuur met de exacte feiten vrij worden omgesprongen. Feiten en fictie - zeker in het vreemde grensgebied van de subjectieve ooggetuigenis - laten zich niet ontwarren. Zolang met de werkelijkheid de waarheid maar geen geweld wordt aangedaan, vindt hij. Als kritisch, analyserend en "gebruikend' lezer van oorlogsliteratuur heeft hij zijn vermogen tot bewonderen weten te behouden, zodat je als lezer geregeld aangespoord wordt romans ter hand te nemen. Belangrijker misschien toch is dat Dresden voortdurend tegen het geweten van de lezer klopt: wat zijn uw motieven? Neemt u uw lectuur niet te licht? Of verzinkt u in sentimenten?

In het vraaggesprek staan behartenswaardige naast merkwaardige opmerkingen. Zo vindt Dresden (zie ook zijn boek, p.187 e.v.) dat een roman over de SS of een SS'er ondenkbaar is. “Wat wou je over een robot zeggen? Er zijn dingen die de literatuur eenvoudig niet aankan. Bijvoorbeeld huwelijksgeluk - omdat het verdikkie dag in dag uit hetzelfde is.”

Nicolaas Matsier (“Mijn exemplaar van Sem Dresdens Vervolging Vernietiging Literatuur is ontoonbaar geworden door onderstrepingen, vraagtekens, pijltjes, uitroeptekens, aanvullingen op het register, et cetera”) plaatst Dresdens boek in de rij van Lanzmanns Shoah en Pressers Ondergang.

Raster 57. De literaire getuige - S.Dresden. De Bezige Bij, 144 blz.ƒ24,50

Knock-out door poëzie

“Een gedicht is pas een K.O.-gedicht als je als lezer gedurende ten minste tien seconden met een ander lichaamsdeel dan de voeten de grond raakt.” De Zingende Zaag, "Tijdschrift in Aandelen voor Poëzie, Beeldende Kunst en Brieven', maakte een themanummer over poëzie: Knock-Out by Poetry.

Ergens zit een minuscuul stukje bokshandschoen ingeplakt, afkomstig van wijlen de "Dutch Windmill', Bep van Klaveren. Maar de (bewerkte) foto's tonen de jonge zwarte bokser met een zachte g, Arnold van der Leijden.

Ook de aanwezigheid van Francis Bacon lijkt enigszins logisch in een nummer als dit, hoewel de schilder zelf zijn werk niet als gruwelijk of gewelddadig beschouwde - "I have never tried to be horrific'. Er is geen werk van hem afgedrukt, maar drie gedichten van Rob Bekker, een drieluik: “nu zal het lekken, mensenvlees / ook na een oorlog is het feest / men drinkt men eet vergeet / en dicht een zelfportret, halverwege / een trap valt er // een schaduw, nog een op een bed / meer mensenvlees lekt in de wereld”.

Nog los van die onmogelijke knock-out-eis is niet alle nieuwe poëzie in dit nummer even sterk te noemen. Doro Franck: “De taal is geweld. / Elke zin wordt afgemaakt.” Of Willem Desmense's “Poëzie 2000 / is een wit plastik bekertje / in de sloot. / Zien drijven en doen alsof. / Het een zwaan is.”

Daartegenover staan weer verrassender gedichten van Marc van Oostendorp, Ischa Meijer en Erna Schröder.

Jan Kostwinder schreef in proza een Ode aan de winkeldochters; de poëziebundels. “Eens had zij de alleenheerschappij. Zij is de oermoeder van alle andere literaire genres. Maar nu is zij gemarginaliseerd en de risee van het literatuurbedrijf. (-) De dood van de poëzie wordt veroorzaakt door een totale desinteresse.” Kostwinder valt de uitgevers aan, de tijdschriftredacteuren, de recensenten, de boekverkopers, de bibliothecarissen en ook nog de lezers. Niet de dichters. “Maar het zijn de media die de katalysatoren van het proces van veronachtzaming van de poëzie zijn. (-) De enige goede dichter is een leuke dichter of een dode dichter, wat de audiovisuele media betreft.” (Kostwinder woont sinds enige tijd in Wales). Hij ziet de oplossing in duidelijkheid, de afgehaakte lezer kan met heldere poëzie wel teruggewonnen worden. “Steeds minder mensen zijn nog in staat om poëzie te lezen. Daarom moet de poëzie weer doorzichtig en eenvoudig tot op het simpele af worden.”

Redacteur George Moormann sluit zich in een "Brief' bij Kostwinder aan. “Het moet anders, het moet beter. Het moet Zaagser!”. Hij voorspelt, hoopvol, een nieuwe avant-garde, die natuurlijk erg op het "Zaagse' lijkt: “vlijmscherpe pijlen, soms bitterzoet, soms met de smaak van suikerfondant maar met een exploderende inhoud: een onthutsende visie op een bewuster leven. Ik voorspel meer discussie, ook met niet-westerse poëten. Ik voorspel een kruisbestuiving en wel op alle fronten. Meer samenwerking met beeldend kunstenaars, maar ook met "studierichtingen' die op het eerste gezicht niets met "woord' en "beeld' te maken hebben: ecologen, ethologen, architecten, al die zogenaamde buitenstaanders. (-) De poëzie wordt boos, let maar op.” Nu maar duimen dat de Zaag niet alsnog in dezelfde val trapt als de Maximalen: veel Tarzanachtige borstklopperij en veel wapengekletter, en gedichten van niks. Voorlopig ziet het er minder eenkennig, meer belovend uit.

Grappig is dat Labey, in een antwoord op Moormann en Kostwinder, de poëziematheid van de lezer juist wijt aan óverdaad. “De delta van de poëzie lijkt weidser en daarmee onoverzichtelijker dan ooit en er is meer dan ooit een onderscheid tussen poëzie die vooral de taal wil bedwingen (vooruit: autonomistische poëzie), poëzie die vooral wil vertellen, poëzie die vooral wil ontroeren, poëzie die vooral wil oproepen.”

De Zingende Zaag wil vanaf nu extra en nadrukkelijke aandacht schenken aan "wat er flonkert aan het dichtersfirmament' sinds het gezamenlijk verschijnen en verscheiden van de Maximalen en de Nieuwe Wilden, op 30 september 1989.

De Zingende Zaag 15, K.O. by Poetry. 52 blz.ƒ15, Postbus 1077, 2001 BB Haarlem.