Hexensee

Van Grosse Scheidegg, 1961 m, liepen we naar een plek die op de kaart Wart wordt genoemd, 2706 m. Veel sneeuw. Bij vlagen ingesloten door wolken. Een passerende steenarend werd uitgefloten door alpenmarmotten.

We wilden langs de meertjes, die daar doorgaans bevroren tegen een noordwand liggen. Meteen bij Wart al maakte de mist het lastig het pad te vinden. Later zeiden we: toen hadden we moeten omkeren. Nu we zo duidelijk overleefd hebben, zijn we geneigd deze conclusie te matigen. We leren van onze fouten, maar liever niet te veel.

We bereikten de Hexensee, aten brood, dronken water en zeiden: moet je horen hoe stil het is.

Sneeuw bedekte de markeringen langs de route, mist verborg alle andere aanknopingspunten. Hier en daar suggereerden sneeuw en mist samen een zodanige leegte, dat je geen stap meer zou durven doen.

Na verloop van tijd doemde aan onze linkerhand een wand op die er niet hoorde. We begonnen af te dalen over een paadje dat mogelijk een mensenpaadje was. Opeens keken we, halve engelen, vanuit onze wolk neer op de aarde: een paradijselijk groen veldje in een web van aan alle kanten neersuizend smeltwater. Er mankeerde aan dit veldje maar één ding: je moest je ongeveer een halve kilometer laten vallen om er te komen.

“Dit is het niet”, zei Daan.

“Nee”, zei ik, “dit is het niet.”