Een positieve klacht

Als ik bijkom, is mijn eerste gedachte: “De tram heeft geremd, ik lééf nog!” En zodra ik weer rechtop in bed kan zitten, bel ik het gemeentevervoerbedrijf.

“Eén van uw trambestuurders heeft mijn leven gered”, zeg ik. “Op dinsdag de vierde. Ik fietste in de -straat en ineens gooit zo'n idioot het portier van zijn auto open. En achter mij kwam een tram. Het laatste wat ik dacht, was "Als de tram maar remt! Anders ben ik straks dood!' Kunt u uitzoeken wie die tram bestuurd heeft want ik wil die man of vrouw bedanken.” Ik noem het tijdstip van het ongeluk en het lijnnummer van de tram.

“Stadinwaarts?”

“Ja, en als hij niet op tijd geremd...”

“Mevrouw, schrijft u het op. Wij hebben dat het liefst schriftelijk.”

“Ja maar...”

“Met situatieschets.”

“Maar...”

“Heus mevrouw, dan wordt uw klacht eerder gehoord.”

“Maar ik HEB geen klacht”, roep ik. “Ik wil iemand BEDANKEN!”

Stilte. “Eén van uw mensen heeft mijn leven gered!” Het blijft even stil, dan klinkt zijn onzekere stem: “Begrijp ik het goed dat u iemand wilt bedanken?” Op mijn bevestiging explodeert de man van vreugde. “Mevrouw, u maakt mijn hele dag goed. Iemand bedànken! Onze mensen hebben het juist altijd gedáán! Wij krijgen hier zoveel klachten binnen. En onze mensen moeten altijd getuigen. Ze zitten hoog. Ze hebben altijd alles gezien. Maar dit! Schrijft u het op. Dan zoeken wij het uit. En heel erg bedankt dat u belde.”

Ik schrijf een brief, bel na drie dagen weer en krijg een andere man aan de lijn. Ik vertel dat iemand mijn leven heeft gered en dat... “Mevrouw, schrijft u een brief met situatieschets...” Weer kan ik iemands dag goedmaken. Ik wacht nog een paar dagen, pak dan opnieuw de telefoon en tref de man van de eerste keer. “Ja, het duurt allemaal wat langer want uw geval is eigenlijk een positieve klacht en daar hebben wij geen formulieren voor.” Het telefoonnummer van het rittenhuisje geeft hij liever niet. “Alleen als u wanhopig wordt...” Ik krijg het nummer.

De lijnchef neemt op. Hij schrijft de gegevens even op: “Elf uur, 's morgens of 's avonds? En u droeg een witte broek en een wit jack. Leuk!” Ik lach en zeg dat die kleren na mijn val zo wit niet meer waren. 's Middags belt hij terug: “Ik heb hem gevonden. Hier komt hij!” Ik hoor een klik en daarna de stem van mijn redder. “Ik was heel verrast”, zegt deze. “Ik sta nu twaalf jaar op de tram en elke dag gebeurt er wel zoiets als met u maar ik heb in al die jaren nog nooit een bedankje gehad. Toen ik u zag fietsen hield ik er al rekening mee dat er iets kon gebeuren. Want er kan altijd iets gebeuren. Wij rijden niet. Wij zijn de hele dag bezig met ongelukken te voorkomen.” Hij vertelt hoe ik viel, hoe ik bleef liggen en dat hij toen de politie en een ambulance had opgeroepen. Een cadeau wil hij niet. Als ik aandring zegt hij: “Een bosje bloemen. Dan heeft mijn vrouw er ook wat aan.”

Met een cadeau en bloemen stap ik bij het eindpunt van de tram het rittenhuisje binnen.

“Aardig van je”, roept een van de chauffeurs en steekt zijn handen naar de bloemen uit. “Wat nee! Voor wie? Wat zeg je nou? Je leven gered? Dat is toch gewoon zijn werk.” Na een poosje komt een man binnen die, zodra hij mij ziet, begint te lachen. Iedereen behalve de radio houdt op met praten. Ik geef mijn redder een zoen op allebei zijn wangen en voel direct dat zo'n gebaar hier ongepast is.

“Ik zag meteen dat u het was”, zegt hij. Verlegen pakt hij de bloemen en het geschenk. Langzaam komen de gesprekken van de anderen weer op gang. Mijn redder drinkt zijn koffie en keert terug naar zijn wagen. Op weg daarheen begint hij zienderogen te groeien. Bijna liefkozend rust zijn hand tegen de zijwand van de tram terwijl hij met de andere de deur voor mij laat openspringen. Ik mag niet voor de rit betalen. Hij laat zijn jasje als een koningsmantel van zijn schouders glijden en hangt het, zonder zich om te draaien, aan een haakje achter zich als gaf hij het aan een gereedstaande kamerheer. Dan trekt hij zijn broekspijpen op en zet zich op zijn troon.