Een inbreker zonder huis

Jacques Versmissen wordt onder gewapende begeleiding de zaal van de politierechter in 's-Hertogenbosch binnengebracht. Niet dat Versmissen zo gevaarlijk is, verre van dat, maar zo gaat het nu eenmaal met gedetineerde verdachten. Regels zijn regels, maar het blijft een onaangenaam schouwspel, vooral wanneer de bewakers er onguurder uitzien dan de verdachten. En dat komt voor, zij het uiteraard nóóit in 's-Hertogenbosch.

Versmissen is een groot probleem in zijn woonplaats. Hij zit geregeld gevangen, maar zodra hij vrij is, gaat de mare door de rijen van de plaatselijke middenstanders: let op uw zaak! Want Versmissen heeft buien waarin hij naar alles grijpt wat los of vast zit. Daarbij neemt hij de grootste risico's. In sommige gevallen had hij beter zelf naar het politiebureau kunnen lopen met de mededeling: ik ga inbreken, als je zin hebt, kom dan even kijken.

Wat Versmissen doet, heeft met serieuze misdaad niets meer te maken. Het is een vorm van zelfvernietiging. In de telastelegging van de officier van justitie, mevrouw mr. M. Filippini, staan formuleringen als: “Poging tot inbraak in broodjeszaak. Deur geforceerd. Is bij poging gebleven. Alarm in werking.” En verder: “Winkeldiefstal: geld, boeken, rookwaren. Forceren van raam (...) Poging tot diefstal uit dezelfde winkel - ruit geforceerd, op heterdaad betrapt.”

Zo gaat het maar door. “Een reeks feiten waar de gemiddelde burger een beetje beroerd van wordt”, zegt de officier. “Hij behoort tot de categorie mensen die je alleen nog maar kunt opsluiten om te voorkomen dat zij nieuwe delicten plegen.”

Versmissen hoort het allemaal gelaten aan. Hij is een kleine, slonzige man van 27 jaar met een zwart snorretje en een grote bril waardoor hij enigszins verongelijkt de wereld inkijkt. Voor hem hoeft er weinig meer. De wereld deugt niet en hij heeft er allang geen hoop meer op dat het ooit beter wordt. Als de politierechter, mr. J. van Biesbergen, naar zijn adres informeert, zegt hij nors: “Ik heb geen huis meer.”

Hier heeft de rechter een bassnaar geraakt in het gemoed van de verdachte. Versmissen is een thuisloze, een dolende, die gekweld wordt door één wanhopig verlangen: een eigen dak boven zijn hoofd. Daarover wil hij graag praten, voor het overige kan de zitting hem gestolen worden. Sommige inbraakjes wil hij best toegeven, andere beschuldigingen ontkent hij hardnekkig - in enkele gevallen, zoals later blijkt, terecht.

De communicatie met de politierechter verloopt uiterst stroef. Mr. Van Biesbergen is een rechter die weinig oogcontact zoekt met verdachten. Hij zit onophoudelijk in zijn dossiers te bladeren en vuurt af en toe een snelle vraag af op de verdachte. Die kijkt in dit geval met onverholen misprijzen tussen rechter en griffier door schuin naar de zoldering.

De rechter gaat eindeloos door over een diefstal uit parkeermeters - een beschuldiging die de officier van justitie later, merkwaardig genoeg, volledig zal terugnemen.

“In 1982 ben ik ook al ten onrechte beschuldigd”, zegt Versmissen bozig.

“U moet nu even uw mond houden”, zegt de rechter, hoewel de verdachte hem nog maar nauwelijks heeft opengedaan.

“Nee”, zegt Versmissen, “nou kom ik ook op oude dingen terug, net als jullie.”

“U krijgt straks de kans...”

“Dan wil ik niks meer zeggen.”

“Op 4 mei”, houdt de rechter vol, “heeft u rookwaren weggehaald uit een winkel. Klopt dat?”

“Bij mijn weten niet. Maar ik heb volgens jullie toch alles gedaan. Ik heb verder niks meer te zeggen.”

“En dan krijgen we 10 mei: poging tot inbraak in dezelfde winkel. Klopt dat?”

Versmissen zendt zijn haat geluidloos naar het plafond.

“Hoe moet dat nu met u”, zucht de rechter. “U zit nu alweer vanaf mei. Heeft u er wel eens over nagedacht?”

“Jawel, maar het maakt toch allemaal niks uit.”

“U wilt helemaal niet meewerken met de reclassering.”

“Met praten schiet je niks op. Ik heb al negen maanden gezeten. Toen kon de reclassering ook niets voor me doen. Die lui hebben geen macht, ze kunnen me niet aan een woning helpen.”

“U moet positief meewerken”, dringt de rechter aan.

“Wat heb ik eraan. Over drie maanden sta ik toch weer te kijken. Zolang ik op straat rondhang, kan ik niet werken.”

“Uw strafblad wordt zo steeds langer.”

“Dan wordt het maar langer.”

De officier van justitie mengt zich in de onvruchtbare dialoog. “Heeft u familie?”

“Zeg maar nee”, bijt de verdachte.

“Wat bedoelt u daarmee?” vraagt de rechter.

“Ik kan niet thuiskomen. Vanwege mijn vader niet. En dus zie ik mijn moeder ook niet.”

“Heeft u contact met uw broer of zus?”

“Niet meer.”

“Heeft u vrienden?”

De verdachte zucht en krijgt een krop in zijn keel die vanaf dit moment al zijn antwoorden half smoort.

De rechter probeert het opnieuw. “Komt het door uw verleden dat u zo weinig op poten zet?”

“U kunt het allemaal makkelijk zeggen”, zegt Versmissen. “Straks kom ik vrij en waar moet ik dan naartoe? Ik wil niet naar een doorgangshuis. Dan kan ik net zo goed gewoon blijven zitten.”

“U heeft wel veel wrok”, zegt de officier, “maar is er één ding dat u zelf heeft ondernomen?”

“U moet de wil hebben om uit de situatie te komen”, vult de rechter aan, “dan lukt het wel.”

De officier eist vijf maanden onvoorwaardelijk, de rechter besluit tot achttien weken onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest. Dat betekent dat Versmissen over vier weken weer op straat staat. Hij lijkt er niet naar te verlangen.

“U kunt in hoger beroep”, biedt de rechter aan.

“Waarom zou ik”, zegt Versmissen.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.