De geur van paella in de Tour; Wielrenners zijn veeleters die in een zware ronde per dag vijf à zes duizend calorieën nodig hebben

LUXEMBURG, 14 JULI. Toen Gert-Jan Theunisse en zijn ploeggenoten zondagmiddag na de Tourfinish de touringcar van hun sponsor TVM in stapten, kwam de geur van paella hen al tegemoet. Voorin het met reclameteksten beschilderde voertuig bevindt zich een keuken, waar kok Gert Meerveld de laatste hand legde aan het Spaanse gerecht. Terwijl de chauffeur in Koblenz de motor startte voor de reis naar Luxemburg, het volgende Tourstation, goot Meerveld de rijst af, voegde nog wat kruiden toe en zette de renners de maaltijd voor. Die stoorden zich niet aan het geschommel in het drukke verkeer en hapten gretig toe.

Wielrenners zijn veeleters, zeker in de zware Ronde van Frankrijk. Volgens de diëtistes van Nutricia, die het team van Theunisse en ploegleider Cees Priem de weg wijzen, hebben ze in de Tour per dag vijf à zesduizend calorieën nodig, “en komend weekeinde”, zegt Els Nelissen, “in de bergen, misschien wel meer dan achtduizend. Een gewoon mens heeft aan 2500 genoeg.” De coureurs hebben grote behoefte aan extra hapjes, maar missen de tijd die te nuttigen. De kookbus biedt de TVM'ers hulp: ze kunnen tijdens lange verplaatsingen aan tafel. Maar geheel toereikend is dat niet, want alle geleerden zijn het er over eens dat de Tour onmogelijk met alleen natuurlijke voeding kan worden verreden.

Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat de renners van Jan Gisbers (PDM) verleden jaar aan een infuus lagen om extra energie op te doen. Keukenmeester Meerveld van Priem, buiten de maand juli docent aan het Culinair Instituut Nederland in Utrecht, moet lachen om dat experiment, dat verkeerd afliep doordat de vloeistof (intralipid) was bedorven. Hij vraagt zich af “waarom Gisbers zijn coureurs aan een slang legt als het zo veel simpeler kan. En natuurlijk lekkerder.”

Meerveld doelt op een aantal “sportvoedingssupplementen”, die bij Nutricia extran heten. Diëtiste Nelissen legt uit dat Theunisse en de zijnen als bijvoeding geregeld - ook onderweg - 200 ml van dat vocht tot zich nemen. “En dat staat gelijk aan zes boterhammen of drie flinke bananen. Een prachtige oplossing. Als je boven de 45 kilometer per uur fietst, is de inspanning zo groot dat je geen tijd hebt om te eten.”

Het “normale eten” blijft uiteraard het belangrijkste. Spaghetti, rijst en andere koolhydraatcomponenten vormen de voornaamste brandstof voor de spieren. Maar ploegleider Priem weet als ex-renner maar al te goed dat de menu's in de Franse rennershotels de zaken te mooi voorstellen. Het eten is daar lang niet altijd smakelijk en zeker niet prestatiebevorderend. Ook mede daarom reist Meerveld met hem meer in “la Grande Boucle”. Zeker in deze Europese ronde is hij welkom. De kok: “De karavaan doet zeven staten aan. Elk land heeft zijn eigen eetcultuur. Die kan wel eens heel slecht vallen bij de coureurs. 'n Voorbeeldje? In Spanje doen ze overal olijfolie in. Kan diarree en enkele slappe dagen tot gevolg hebben. Zoiets zie ik aankomen, want ik hoor tevoren van de Tourorganisatie wat de pot schaft. Mijn eerste taak is het controleren van mijn collega's in de restaurants. Is alles wel vers en fris? Overigens, bij de Tourstart in San Sebastian waren ze heel behulpzaam. Kom maar in de keuken, zeiden ze meteen, en kook maar.”

Maar Meerveld heeft ook al ervaren dat hij een ongewenste pottenkijker was. Twee keer weigerden de chefs hem de toegang tot de keuken. “En zondagavond, in Luxemburg, “deden ze heel moeilijk, keken me met een scheef oog aan. Jesper Skibby van TVM was tweede geworden en wilde eerder aan tafel, omdat hij nog naar de televisie moest. Pas na lang zeuren kreeg hij zijn hap versneld. Gisteren zaten we weer in datzelfde Intercontinental Hotel. Ze hadden mooie dingen op de spijskaart staan, maar naar mijn idee niet zo geschikt voor topsporters. Ben ik even naar de supermarkt gegaan voor verse groenten. Heb ik in onze bus een lekkere hors d'oeuvre bereid, met flensjes en fruit na.”

De jongens genoten ervan, weet Meerveld nog. Vooral Theunisse. “Hij heeft een hekel aan lang tafelen, zoals de Fransen dat gewend zijn. Dat gaat ten koste van zijn rust. Daarom, zeggen ze, kookte Gert-Jan vroeger zelfs vaak zijn eigen potje op zijn hotelkamer. Hij warmde baby-voeding op. Isoleerde zich, wat slecht is voor de teamgeest. Samen eten is belangrijk voor een ploeg, die toch een soort gezin vormt. In de bus is Theunisse gelukkig, dat zie je aan hem. Hij weet dat de maaltijd klaar is als hij aanschuift. Het liefst zou hij dan hebben dat het ging regenen, zodat de vensters dicht moeten blijven en de ramen beslaan. Hij houdt van gezelligheid.”