CDA zwicht voor ultimatum van Indonesische president Soeharto; Het grootste succes boekte Soeharto op het terrein van de Nederlandse buitenlandse politiek

Het bezoek van minister Van den Broek aan Jakarta valt ironisch genoeg samen met de eerste vergadering van het nieuwe consortium voor hulp aan Indonesië. Dat consortium komt, nu onder voorzitterschap van de Wereldbank, op 15 en 16 juli in Parijs bijeen.

Het besluit van de Indonesische president Soeharto, op 25 maart, tot opzegging van Nederlandse ontwikkelingshulp, ging gepaard met het verzoek om de IGGI te ontbinden. Deze IGGI had sinds 1967 onder Nederlands voorzitterschap de financiële hulp aan Indonesië gecoördineerd - volgens de toelichting bij Soeharto's besluit tot grote tevredenheid van de Indonesische regering.

Deze dankbetuiging was niet veel meer dan een diplomatieke beleefdheidsfrase. Soeharto was namelijk na de vergadering in juni 1991 al door de IGGI de wacht aangezegd. Minister Pronk drong er toen, als voorzitter, namens de IGGI op aan dat Indonesië ernst zou maken met de zogenoemde deregulering: het losmaken van de economische sector uit de te grote greep van de staat.

In Indonesië gaat het in het debat over deze deregulering in wezen om het verminderen van de economische monopoliepositie van enkele families, en met name die van de president. Vier van zijn zes kinderen hebben sinds het midden van de jaren tachtig, juist toen onder grote druk van de Wereldbank het dereguleringsbeleid op gang kwam, hun economische macht enorm vergroot door de positie van hun vader uit te buiten.

Behalve deregulering op economisch terrein zou, volgens Pronk als voorzitter van de IGGI in juni 1991, ook op het politieke vlak een deregulering moeten plaatsvinden. Een jaar voor de algemene verkiezingen betekende die uitspraak niets minder dan, met een beroep op meer democratische vrijheden, een pleidooi voor een wisseling van de wacht.

In het Westen heeft deze verklaring van de IGGI nauwelijks enige aandacht gekregen. In kringen rondom Soeharto werd ze echter gelezen zoals ze bedoeld was: als schot voor de boeg.

Iedereen die de autobiografie van Soeharto kent, kan weten wat het handelsmerk van Soeharto is: je tegenstander een slag voor zijn. Ook in relatie tot de IGGI is hem dat gelukt.

De gelegenheid die hij aangreep was het Dili-drama van 12 november vorig jaar. Op die dag schoot het Indonesische leger op ongeveer 3.000 demonstranten die zich op een kerkhof in de Oosttimorese plaats Dili hadden verzameld om een eerder vermoorde demonstrant te herdenken. Volgens officiële Indonesische berichten zouden hierbij 50 tot 100 mensen zijn omgekomen, volgens onafhankelijke buitenlandse bronnen is er eerder sprake van 150 tot 200 doden.

Ondanks het eigen onderzoek dat de Indonesische regering onder grote buitenlandse druk liet uitvoeren, als gevolg waarvan enkele lagere militairen tot lichte straffen zijn veroordeeld, is er nog steeds geen antwoord op de cruciale vragen: Wie heeft het bevel tot schieten gegeven? Welke militaire eenheden waren erbij betrokken?

Daags na de schietpartij zijn eenheden speciale troepen uit Oosttimor weggevlogen. Deze elitetroepen vielen niet onder het commando van het territoriale militaire gezag. Wat deden zij daar, en waarom is hun aanwezigheid, en mogelijke rol, in het geheel niet in het regeringsonderzoek vermeld?

Deze onduidelijkheden waren voor de Nederlandse regering en de Tweede Kamer in januari reden om te blijven aandringen op een onpartijdig onderzoek, ondanks hun waardering voor het feit dat de Indonesische regering gehoor had gegeven aan de buitenlandse kritiek op het optreden van haar militairen door een eigen onderzoek te verrichten. Dit onpartijdige onderzoek moest dan het liefst verricht worden door een vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN. Deze vertegenwoordiger, de Kenyaan Wako, heeft wel een bezoek aan Dili mogen brengen, maar dit mocht uitdrukkelijk niet het karakter van een onderzoek krijgen. Zijn verslag tot op heden niet vrijgegeven. Reden te meer om te vermoeden dat de werkelijke toedracht wel eens kan afwijken van de officiële Indonesische versie.

Hoewel er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over de achtergrond, oorzaak en uiteindelijke verantwoordelijkheid van de schietpartij, is inmiddels wel duidelijk wie de meeste politieke baat heeft gehad bij de afwikkeling ervan. Alweer heeft Soeharto zijn politiek meesterschap betoond door zijn voordeel te doen met een troebele zaak.

Op binnenlandse terrein wist hij uit te komen onder de druk van de militaire top om een kandidaat voor het vice-presidentschap uit hun kring te accepteren, door hen de blaam van de "orderverstoringen' in Dili in de schoenen te schuiven. Door bovendien twee christelijke generaals te ontslaan, maakte hij zijn belangrijkste tegenspeler, de katholieke generaal Benny Murdani, duidelijk wie de werkelijke macht heeft, en verzekerde tegelijk hij de islam-gemeenschap dat het leger niet een instrument in handen van christelijke generaals wordt.

Op buitenlands terrein wist Soeharto met zijn in felle nationalistische bewoordingen gestelde afwijzing van de Nederlandse hulp, zijn prestige op te vijzelen. In september 1991 was hij juist voorzitter van de Groep van Ongebonden Landen geworden. Door nu de internationale donorgemeenschap, en vooral een oude koloniale mogendheid, te trotseren op het gebied van mensenrechten, gaf hij een moedig voorbeeld aan andere staatshoofden die zuchten onder de strenger geworden voorwaarden voor hulp.

Door de IGGI te laten ontbinden - maar niet dan nadat hij verzekerd was van een nieuw consortium onder leiding van de Wereldbank - heeft Soeharto bij voorbaat de politieke angel uit het nieuwe forum weggesneden. De Wereldbank mag immers niet, zoals de IGGI-voorzitter vorig jaar nog deed, publiekelijk een koppeling leggen tussen economische en politieke deregulering.

Het grootste politieke succes lijkt Soeharto echter te hebben geboekt op het terrein van de Nederlandse buitenlandse politiek. Sinds 1979 bestaat er een Kamerbrede steun voor de Nota "De rechten van de mens in het buitenlands beleid'. Hierin wordt een directe koppeling gelegd tussen de handhaving van de mensenrechten en het daarop afgestemde buitenlandse beleid, inclusief de ontwikkelingssamenwerking. In het Kamerdebat van april naar aanleiding van de begroting van buitenlandse zaken, en zelfs na het debat over Soeharto's besluit, beleden alle partijen nog de uitgangspunten van de Nota.

Maar nu het inzake Indonesië op daden aankomt, blijkt het CDA gezwicht te zijn voor de impliciete dreiging die besloten ligt in het besluit van Soeharto: wij stellen goede handelsrelaties zeer op prijs, mits Nederland zich niet meer bemoeit met de mensenrechtensituatie in Indonesië.

Wat is echter het geval? De directe aanleiding voor de confrontatie tussen beide landen, resulterend in een afwijzing van de hulp, was de schietpartij op 12 november in Dili, en de wijze waarop daar in eerste instantie door Indonesië op gereageerd werd. Ook het op zichzelf verrassende eigen onderzoek liet nog, volgens de Nederlandse regering en de Tweede Kamer in januari van dit jaar, te veel vragen open. Vandaar het verzoek om een internationaal, onafhankelijk onderzoek en een rechtvaardige afwikkeling van de strafzaken van de betrokkenen van het Dili-drama. Dat onderzoek heeft niet plaatsgehad, en het verslag van Wako's reis is officieel niet vrijgegeven. Bovendien hebben achttien vreedzaam demonstrerende Oosttimorezen buitengewoon zware straffen opgelegd gekregen, van vijf tot vijftien jaar en zelfs levenslang. Dit in schrijnend contrast met de militairen die geschoten hebben en er met lichte straffen, variërend van acht tot twintig maanden, van af kwamen. De werkelijk verantwoordelijke opdrachtgevers bleven ongestraft.

Dit schokkende verschil in strafmaat was voor de VS en Australië aanleiding om bij de autoriteiten in Jakarta te protesteren. Ook de fracties van de PVDA, D66, Groen Links en de VVD (samen een Kamermeerderheid) hebben minister Van den Broek gevraagd deze schrille onrechtvaardigheid deze week met zijn collega in Jakarta te bespreken. Tot voor zijn vertrek heeft Van den Broek niet gereageerd op de vraag of hij bereid is dit daadwerkelijk te doen. Is dit zwijgen conform de geest van de Nota uit 1979? Of weet de minster zich gedekt door zijn eigen fractie, die immers de Kamervraag niet heeft ondertekend, en kan hij er daarom het zwijgen toe doen?