"Marti-istische' staat moet leren leven met harde realiteit; Wijzigingen in Cuba's grondwet

MEXICO-STAD, 13 JULI. Cuba is niet langer in de eerste plaats een “marxistisch-leninistische” staat, maar is dat voortaan in de tweede plaats. Vooreerst is Cuba een marti-istische staat, naar de negentiende-eeuwse held van de Cubaanse onafhankelijkheid, José Marti. De Cubaanse grondwet rept niet meer van “broederlijke vriendschap” met de Sovjet-Unie, en uit de constitutie is eveneens de zinsnede verdwenen dat Cuba “deel uitmaakt van de socialistische wereldgemeenschap”.

Het lijken kosmetische veranderingen, maar de dit weekeinde door het Cubaanse parlement goedgekeurde grondwetswijzigingen bestendigen het proces van geleidelijke aanpassing aan de harde realiteit waarmee Cuba te maken heeft na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het verdwijnen van het communisme in Oost-Europa.

Aan de machtsverhoudingen op Fidel Castro's eiland hebben de 500 parlementariërs tijdens hun elfde bijzondere bijeenkomst weinig veranderd. De Cubanen mogen voortaan zelf hun volksvertegenwoordigers kiezen, maar de kandidaten moeten zijn goedgekeurd door de partij. Weliswaar komen er beperkte mogelijkheden voor niet-partijleden om officiële functies te verwerven, maar de Cubaanse communistische partij blijft het centrum van de politiek, en partijleider Castro de belangrijkste man.

In essentie hebben de parlementariërs hun goedkeuring verleend aan de besluiten zoals die vorig najaar zijn genomen door het Vierde Congres van de Communistische Partij. Voor de onmiddellijke toekomst van het land lijken de besluiten die betrekking hebben op de Cubaanse economie het belangrijkste. Niet langer kan Cuba profiteren van preferentiële handel met de Sovjet-Unie (of de Russische Federatie), waarbij Cubaanse suiker voor prijzen boven die van de wereldmarkt werd verkocht aan Moskou, terwijl de Russen olie aan Cuba leverden tegen prijzen onder die van de wereldmarkt.

De uitweg voor Cuba lijkt de partijleiding te hebben gevonden in het openen van het eiland voor buitenlandse investeerders. Onder voor de buitenlanders uiterst gunstige voorwaarden gaat de Cubaanse staat joint ventures aan met investeerders uit Mexico, Europa, Canada en, naar het schijnt, via een achterdeur ook met Amerikanen, ondanks de economische boycot van Washington tegen Havana. Cuba blijkt voor buitenlandse investeerders aantrekkelijk, alleen al omdat de in Cuba gemaakte winst onbelast in harde valuta mag worden uitgevoerd; een voorwaarde die lang niet overal in Latijns Amerika geldt.

De investeringen hebben met name plaats in de sector toerisme. Met buitenlands geld verrijst het ene na het andere luxe hotel aan de Cubaanse stranden, die als de mooiste in de regio bekend staan. Dat de hotels en aanliggende stranden zijn voorbehouden aan buitenlanders en dat de Cubanen zelf alleen als personeel welkom zijn, is minder urgent. Toerisme moet Cuba uit de huidige economische crisis halen, zoals ook de nabijgelegen Dominicaanse Republiek tracht te doen en waarin bijvoorbeeld Aruba al is geslaagd.

De economische crisis is ernstig, zo erkent ook de Cubaanse leiding. Het Centraal Comité van de Communistische Partij erkende onlangs rekening te houden met “grote spanningen en problemen”. Benzine is op de bon; autobezitters krijgen dertig liter benzine per maand toegewezen. Stroomstoringen van zes uur of langer als gevolg van het brandstofgebrek zijn in de hoofdstad Havana en de andere grote steden in het land geen uitzondering meer. Ook het openbaar vervoer heeft te lijden van het gebrek aan benzine, en bovendien van een toenemend tekort aan onderdelen. Als noodmaatregel geldt sinds enige maanden dat elk voertuig van de overheid verplicht is om onderweg mensen naar hun werk mee te nemen, zolang niet van de voorgenomen route hoeft te worden afgeweken. En verder is er natuurlijk de benenwagen, of de fiets.

Ondanks de crisis waaraan de tien miljoen Cubanen dagelijks worden herinnerd is er geen sprake van een zichtbaar toegenomen oppositie tegen Castro. Protesten blijven beperkt tot de acties van enkele dissidenten, die meestal direct achter de tralies verdwijnen. Zo zit de in 1988 nog met de Nationale Poëzieprijs bekroonde dichteres Maria Cruz Varela nu gevangen wegens antirevolutionaire activiteiten.

Het Cubaanse regime hoopt met de nu door het parlement goedgekeurde grondwetswijzigingen - waaronder behalve de sterkere nadruk op nationalisme ook een grotere vrijheid voor godsdienstbeleving - de mogelijke onvrede onder de bevolking te kunnen indammen. Sterke man Castro houdt evenwel vóór alles vast aan de principes van de revolutie die Cuba al meer dan dertig jaar hebben geleid. “Trouw aan de revolutionaire principes en vasthoudendheid zullen ons naar de overwinning leiden”, zo bevestigde hij onlangs weer.

In een referentie aan de Verenigde Staten zei parlementsvoorzitter generaal Juan Escalona tijdens de elfde bijzondere zitting: “De vijand zal in de tekst van de grondwetswijziging niets vinden wat op een terugtrekking lijkt (...) want wij laten ons niet intimideren door bedreigingen”. De druk van de Verenigde Staten op Cuba is de laatste tijd niet zichtbaar opgevoerd, maar het wegvallen van de voormalige vrienden van Cuba maakt het economische embargo van de VS des te nijpender. Fidel Castro zal daarom proberen de banden met het Latijns-Amerikaanse continent te verstevigen. Te beginnen in Spanje, waar het Cubaanse staatshoofd deze week met zijn collega's uit Latijns Amerika, Spanje en Portugal aan tafel zal zitten tijdens de tweede Ibero-Amerikaanse top.