Kom jongen

Rekel is acht. We denken dat hij is geboren op een boerderij bij Gouda. Hij zou beslist een prima hofhond zijn geweest, een meester in het nazitten van tractors en aanblaffen van postbodes.

“Kom jongen”, zeg ik als we de bergen ingaan, “je moet maar eens wat doen voor de kost.” Hij is te iel voor dit terrein. Hij bezeert zijn pootjes en als het warm wordt, probeert hij ons over te halen om met z'n allen in de schaduw te gaan liggen.

Natuurlijk zijn er daarboven ook dingen die hem plezier doen. Sneeuw bij voorbeeld. Hij hapt ervan en rolt erin rond en komt kwispelend weer overeind. En hij geniet met volle teugen van de plaatselijke fauna - zeer bedreven in het lokaliseren en, indien niet tijdig aangelijnd, opjagen van alpenmarmotten, murmeldieren.

Soms lijkt hij te verstenen. Zijn ogen worden groot van ongeloof, zijn lijf staat strak van spanning. Werktuiglijk zakt hij door zijn achterpoten, zodat hij zittend verder kan kijken. Dan weten we: Rekel ziet gemzen. Er zit afkeuring in dit kijken. Gemzen kan hij niet volgen en wat hij niet kan volgen, daar is hij het niet mee eens.

's Avonds valt hij in een bodemloze slaap. Hij stopt met ademhalen en de tijd tikt door. Als je zachtjes "Rekel' zegt, kijkt hij verwilderd op. De volgende dag kiest hij altijd weer voor meegaan. Daar is-ie hond voor, liever dood dan alleen.