Ironische koperfinale besluit North Sea Jazz Festival; Ha, hé en ho krijgt publiek plat

Concerten: North Sea Jazz Festival. Gehoord: 11, 12/7 Ned. Congresgebouw Den Haag.

Muzikaal ondersteund door een ironische koperfinale van Lester Bowie werd afgelopen nacht het 17e North Sea Jazz Festival besloten. De slotakkoorden illustreerden treffend de ontwikkeling die zo kenmerkend was voor de jaarlijkse jazz-driedaagse, deze keer bezocht door 60.000 bezoekers.

Lester Bowie is een musicus van wereldformaat. In de late jaren zestig verwierf hij vooral bekendheid als trompettist van het ingetogen en hoogst creatieve Art Ensemble of Chicago. Ook in zijn nieuwe hoedanigheid als leider van het New York Organ Ensemble draagt hij als vanouds een witte doktersjas. Dat kledingstuk symboliseert, zoals hij ooit in een interview uitlegde, de intellectueel die de “great black music” wetenschappelijk benadert.

Maar de muziek van Bowie is ingrijpend veranderd. Voortgejaagd door de funky elektronica van organiste Amina Claudine Meyers (een veelzijdige vrouw, die als ze niet bij Bowie op de loonlijst staat, soleert als pianiste en zangeres) leek de trompettist te willen aantonen dat hij ook tot het spelen van dansabele muziek in staat is. Hij maakt het zijn publiek en vooral zichzelf tegenwoordig niet meer zo moeilijk als vroeger. Bij vlagen trok nog iets van de genialiteit door van de voormalige vernieuwer, die zijn luisteraars voortdurend op verrassingen tracteerde.

In het genre waarvoor Bowie nu heeft gekozen levert hij absoluut waar voor zijn geld. Veel geld, naar we mogen aannemen. Zijn introvertie heeft plaatsgemaakt voor uitbundig showmanschap. Of dat moet worden betreurd is een kwestie van smaak. Veel musici staan vroeg of laat voor een dergelijke tweesprong in hun carrière. Bij het maken van een keuze zou de voortdurende recessie in de jazz-hoofdstad New York, waar de clubs geen financiële risico's meer nemen, zeker een rol spelen.

Hoe moeizaam het zoeken naar een alternatief kan verlopen bewees het vacuüm waarin pianist McCoy Tyner en saxofonist Pharoah Sanders terechtkwamen nadat Coltrane (die Tyner al eerder had ingewisseld voor echtgenote Alice Coltrane) in 1967 was overleden. Ze waren gedoemd om de rest van hun leven te slijten in de schaduw van de grote meester.

Gistermiddag en -avond demonstreerden beide heren onafhankelijk van elkaar dat ze hun draai weer helemaal hebben gevonden. McCoy Tyner schitterde en schetterde met een vijftien man sterke big-band, waarin zowel plaats was voor een veteraan als tubaspeler Howard Johnson en aanstormend talent als saxofonist Billy Harper. En zelfs Pharoah Sanders kwam na jaren van chronische vermoeidheid verbluffend vitaal voor de dag met een kwartet dat zichzelf mede dank zij de energieke slagwerker Idris Mohammad opdreef tot de zeldzame momenten waarop de toeschouwer het gevoel heeft dat hij getuige is van een bijzondere gebeurtenis.

Sanders scheurde er weer even heftig op los als in zijn hoogtijdagen, al werd de melodielijn geen seconde losgelaten. Alsof hij wilde benadrukken dat hij had gebroken met de pretentieloze easy-listening waarin hij zich, waarschijnlijk om den brode, langdurig bekwaamde, verscheen hij ten tonele zonder de lange witte sik die zijn handelsmerk was. Hij zag er onherkenbaar uit.

Saxofonist Wayne Shorter, pianist Herbie Hancock, bassis Ron Carter en drummer Tony Williams werkten in lang vervlogen dagen intensief met Miles Davis samen, maar wisten zich daarna uitstekend zelfstandig te redden. Ze richtten eigen groepen op en boorden nieuwe publieksgroepen aan. Met rock, fusion of heavy metal bereikten ze een populariteit, die doorgaans alleen voor popmusici is weggelegd. Maar de dood van Miles Davis vorig jaar deed de sterren besluiten zich voor de duur van een "project' te herenigen. Hun reünie leidt tot hetzelfde hartverscheurend harmonische samenspel als in het tijdperk van het existentialisme, de cinema noir en de feesten waar druipkaarsen in chiantiflessen de sfeer bepaalden.

Al met de eerste maten van de klassieker So What was de toon van een "Tribute to Miles Davis' gezet, waarbij voor trompettist Wallace Roney de eervolle taak was weggelegd de partij te blazen die de overledene voor zijn rekening placht te nemen. Wie de ogen sloot waande zich terug in de tijd. Roney liep weliswaar nog in de luiers toen de vier andere leden van het kwintet met Miles Davis furore maakten, maar dat was niet te horen.

Vanuit onverwachte hoek werd gewezen op het onlangs uitgebrachte album Doo-Bop, dat Miles Davis kort voor zijn dood opnam. In de nacht van zaterdag op zondag roemde zangeres Roberta Flack (van de hit Killing me Softly) de moed van de trompettist voor zijn laatste schijf met hip-hop-artiesten. Het resultaat was “quite interesting”, al bekende de diva van het lichte lied dat Davis later dan zij was bezweken voor de waan van de dag. Drie jaar geleden experimenteerde zij al met een rap-versie van Prelude to a kiss. Ze liet even horen hoe dat klonk. Pure heiligschennis dus, waarvan de onsterfelijke Duke Ellington het slachtoffer was. De grootste jazzcomponist en bandleider die deze eeuw voortbracht beschikte trouwens over genoeg humor en relativeringsvermogen om over zo'n brute verkrachting van zijn erfgoed hartelijk te kunnen lachen.

Van heel wat meer ernst was het tentet van bariton-saxofonist Gerry Mulligan doordrongen. Het logge instrument dat hij als geen ander beheerst kan in een mum van tijd een landschap aan emoties oproepen: droevig is bij Mulligan al gauw om in snikken uit te barsten en als hij vrolijk is, springen de pannen van het dak. De titel van het concert beloofde een “rebirth of the cool” en de arrangementen waren voor het merendeel van Gil Evans, de legendarische toondichter die zelfs aan de grootste big band een heel intiem geluid wist te ontlokken.

Spannend werd het, toen Mulligan in You and I have been alone together soleerde naast de veelal onderschatte alt-saxofonist Lee Konitz. Bij Mulligan, die dit jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, zal de vernieuwing in de jazz niet beginnen - maar ook een bekend geluid kan voortdurend geheimen in zichzelf openbaren, zo bewees hij.

Zelfs Don Cherry, een onvoorspelbare tovenaar die een eigenzinnig geluid uit een handzaam zaktrompetje haalt, besloot dat zijn bijdrage aan het festival uit een feest der herkenning moest bestaan. Halverwege het concert sprong hij op uit zijn mediatieve hurkzit om vanachter de piano een potpourri van Monk-composities ten beste te geven. Hij applaudisseerde na afloop het hardst mee, gebarend naar de lege kruk: “Thelonious Monk, ladies and gentlemen, Thelonious Monk”. Daarna vervolgde hij zijn muzikale reis om de wereld, duchtig op de hielen gezeten door de vinnige tuba van het fenomeen Bob Stewart. Als hem dat uitkwam deed Gerry een greep in de uitheemse snaar- en blaasinstrumenten die hij naast zich had uitgestald. Zijn exotische uitstapjes leidden tot een gelukkiger resultaat dan het probeersel van saxofonist Yusef Lateef, die aanvankelijk met 18 drummers uit Burundi zou optreden. Hij verscheen met zijn vaste kwartet, dat werd bijgestaan door zeven Afrikaanse percussionisten die onhoorbaar de trom roerden. Het was een leuk gezicht, maar de beoogde symbiose van culturen bleef uit.

Op zichzelf is dat geen ramp, want zonder dit soort modieuze spektakels zou het North Sea Jazz Festival waarschijnlijk voor veel mensen aan aantrekkingskracht inboeten. De 85-jarige showman en bandleider Cab Calloway leerde zijn jongere collega's zaterdagavond hoe je tot op hoge leeftijd een volle zaal op zijn kop kunt zetten. Zijn stem heeft betere tijden gekend, maar zijn timing is nog altijd perfect. In een smetteloos wit kostuum maakt Calloway zijn beproefde danspasjes. Hij zingt ha, hé of ho - en daarmee krijgt hij het publiek plat. Wie dat wel erg makkelijk vindt heeft er weinig van begrepen. Ook in de jazz komt de musicus zonder gevoel voor show een krachtige uitstraling en eventueel een dosis gezond populisme niet ver meer tegenwoordig. Muziek is uiteindelijk gewoon een produkt dat verkocht moet worden. En dat lukt heel aardig.