Het Nederlandse wielrennen zet klok tien jaar terug

KOBLENZ/VALKENBURG, 13 JULI. In alle toonaarden hebben de Franse media het afgelopen weekeinde proberen aan te geven hoe populair in Nederland de fiets is. Dat - volgens een optimistische schatting - 400.000 mensen zaterdag Zuid-Limburg overstroomden om deelgenoot te kunnen zijn van de aankomst van het Tour de France-peloton in Valkenburg, moet wel duiden op een immense aantrekkingskracht van de wielersport op de Nederlanders, meenden Franse tv- en kranteverslaggevers.

Tour-renner Adri van der Poel werd als echtgenoot van een Française (de dochter van ex-wielrenner Raymond Poulidor) voor de Franse televisie gevraagd uit te leggen waarom Nederlanders zo veel fietsen. Het is een vlak land, vertelde hij aan de kwasi-verontwaardigde anchorman van Antenne 2 Gérard Holz, wanneer Fransen gaan wandelen, gaan Nederlanders fietsen. De Fransen ontdekken Nederland. Dat de Tour van 1992 een grenzeloos Europa symboliseert, is ten minste nog ergens goed voor.

De conclusie van de Fransen dat Nederland dan toch heel veel goede wielrenners zou moeten voortbrengen, leek een gerechtvaardigde opmerking van de tv-verslaggever. Hij stelde daarop ter illustratie de fine fleur van de Nederlandse wielersport in de jaren vijftig aan de kijkers in Frankrijk voor: Jan Nolten, Wout Wagtmans en Wim van Est. Renners die veertig jaar geleden naam maakten in de Tour de France door hun karakteristieke rijstijl, mentaliteit en door hun etappe-overwinningen en gele truien. Op andere locaties liet Tour-directeur Jean-Marie Leblanc voortdurend blijken zich te verbazen over zoveel wielerenthousiasme, hetgeen dat van Alpe d'Huez ruimschoots overtrof.

En de oud-ploeggenoot van Jan Janssen wist er toch van. De liefde voor Nederland, de Nederlanders, de Keukenhof en Delft deed Leblanc - afkomstig uit Noord-Frankrijk - weer eens glunderen. Nog meer dan de gepassioneerde Baskische wielersupporters in San Sebastian lieten de Nederlanders hun belangstelling voor de wielersport zien, meende Leblanc. Het is nog maar de vraag of de massa naar wielersport kwam kijken dan wel naar de Tour de France als fenomeen van goedkoop amusement en als vrijbrief om uit je dak te gaan. Maar goed, de Tour-directie zal in elk geval na Valkenburg nog regelmatig Nederland willen aandoen.

Het had de grote dag van de Nederlandse wielersport moeten worden. Maar de grote afwezigen waren de Nederlandse wielrenners. Erik Breukink, Eddie Bouwmans, Steven Rooks, Frans Maassen, Jelle Nijdam, ze waren niet waar ze werden verwacht. Theunisse, de man die Alpe d'Huez nog wel eens deed trillen onder een aardbeving van Oranje-hysterie, leek even het Hollandse feest te vergroten met een helse achtervolging. Maar hij moest later toegeven dat hij vandaag de kracht miste om de Fransen, Italianen, Zwitsers, Italianen en een Ier te verslaan.

Wat een orkaan van jubelgezang als op een schaatsbaan had moeten worden, werd slechts een waarderend applaus. Zelden zal een indrukwekkende ontknoping van een wielerwedstrijd - als zaterdag de zevende Tour-etappe - door de toeschouwers aan de finish zo schuchter en plichtmatig zijn beantwoord. De manier waarop Gilles Delion, Stephen Roche, Rolf Järmann en Valerio Tibaldi elkaar in de laatste kilometers bestreden werd met nauwelijks meer dan applaus begroet. Een Tour-aankomst als een tennispartij op Wimbledon.

Nee, er was eigenlijk geen reden voor carnaval, polonaises, klompendansen en geblèr - de manier waarop Nederlanders hun betrokkenheid bij Oranje sportsuccessen doorgaans tonen. Want Nederland behoort even niet meer tot de wielertop. De Nederlandse renners hebben hun beste tijd gehad. Zie voorjaarsklassiekers, zie de eerste week van de Tour (een overwinning van Harmeling en een overwinning van de Nederlandse ploeg Panasonic met slechts één Nederlander). En als het zo doorgaat, keert de Nederlandse wielersport terug naar de periode van tien jaar geleden: één ploeg. De meeste sponsors hebben al aangekondigd af te haken, de helft van het Nederlandse beroepsrennersbestand wacht werkeloosheid.

Ze hadden zo graag in Valkenburg gewonnen, de Nederlandse wielersponsors. En waarschijnlijk ook de Nederlandse renners, maar ze kwamen kracht, doorzettingsvermogen, kwaliteit en een beetje geluk te kort, zoals vaak dit jaar. Zijn ze minder agressief door hun riante salarissen? Heeft hun ogenschijnlijk zorgeloze positie een nadelige invloed gehad op de zelfdiscipline op de trainings- en wedstrijdinstelling, die nodig is om bij de top te blijven? Die kans bestaat. Slechts beperking van de werkgelegenheid een concurrentie zou een oplossing kunnen zijn voor wie gebaat is bij Nederlandse wielrensuccessen.

In België, een land met een aanzienlijk rijkere wielrentraditie dan Nederland, is de nood nog hoger. Geen wonder dat de Belgen gisteren in Koblenz de etappe-overwinning van ene Jan Nevens begroetten als het laatste sprankje hoop op interesse van potentiële sponsors. In Italië werd vijf jaar geleden de noodklok geluid. De wielersport dreigde zijn grandeur te verliezen. De Italiaanse renners wonnen niets meer. Verschillende maatregelen als meer deelnemen aan buitenlandse wedstrijden, betere trainingsmethoden en grotere discipline haalden het wielrennen uit het slop. Nu behoren Bugno en Chiappucci tot de favorieten voor de Tour-zege.

Spanje telde jaren niet mee, maar is nu - zeker door de Tour-overwinning van Indurain - de tweede wielernatie ter wereld. Het geld raakt niet op bij de ploegen van Banesto, Once, Amaya en Clas. In Frankrijk, het land waar de belangrijkste wielerwedstrijden worden gehouden, ontstond een exodus van topwielrenners naar Spanje en Italië. Sponsors haakten af. Er zou geen talent meer zijn. De media schreeuwden moord en brand. Renners vreesden voor hun baan. De prikkel werd gevoeld. Dit voorjaar won ene Durand de Ronde van Vlaanderen en de oude Duclos-Lassalle. In deze Tour wonnen jonge renners als Arnould (San Sebastian), Jalabert (Brussel) en Delion (Valkenburg) een etappe en droegen bescheiden jongens als Virenque en Lino de gele trui. De Tour beleeft Franse hoogtijdagen in het buitenland.

Hoe lang de recessie in Nederland duurt is nog maar de vraag. Toen Zoetemelk vijf jaar geleden stopte, leek er geen opvolging te zijn. Maar de doorbraak van Breukink, Rooks en Theunisse toonde binnen twee jaar aan dat in de sport niets is te voorspellen. Eén succesje op Alpe d'Huez en de donkere wolken drijven binnen een dag weg. Crisis? What crisis?

Veel wielrenners zouden zich kunnen spiegelen aan de veerkracht Stephen Roche, de man die de Tour-etappe door Limburg tot een intens boeiende wedstrijd maakte, maar slechts tweede werd. De Ier won in 1987 zowel de Tour als de Giro en het wereldkampioenschap. En dag na zijn wereldtitel begon de ellende met een ongekende serie tegenslagen. Operaties aan knieën, ziektes, verkeerde ploegleiders, hem uitbuitende managers en een vermorzeld zelfvertrouwen. Maar hij bleef hopen, vechten en praten met zijn vrienden de journalisten.

Vorig jaar oktober ontmoette de zachtaardige Dubliner tijdens de Tour-presentatie zijn oude, vertrouwde ploegleider Boifava, de Italiaan die hem in 1987 naar de grote trilogie bracht. Of hij terug naar de Carrera-ploeg kwam. Hij zou Chiappucci, de tegenwoordige kopman, met zijn ervaring van dienst kunnen zijn. Chiappucci heeft meer dan eens zijn bewondering uitgesproken voor de instelling van Roche. Van hem had hij in zijn beginjaren bij Carrera wielrennen geleerd. Roche ging na tal van omzwervingen terug naar Italië.

Roche, 32 al, en af en toe weer rijdend als in zijn beste dagen, werd zaterdag na zijn exhibitie begroet met slechts een applausje.