Economische ongelijkheid tussen kinderen neemt in Nederland toe; Het is de vraag in hoeverre de hoge kinderloosheid bij goed opgeleide vrouwen vrijwillig is; Voor moeders met een hoge opleiding is het per saldo financieel voordelig om te blijven werken

Nederlandse vrouwen baren hun eerste kind op steeds hogere leeftijd, signaleerde het hoofdredactioneel commentaar van 26 juni, dat inging op de medische gevolgen daarvan. Er is echter meer aan de hand. Ons land kent ook een relatief hoog niveau van kinderloosheid, en een sterke differentiatie van kinderloosheid naar opleidingsniveau van de vrouw.

Deze differentiatie is nog maar van recente datum. Van de ooit-gehuwde vrouwen geboren vóór de Tweede Wereldoorlog, bleef minder dan tien procent kinderloos, ongeacht het opleidingsniveau. Voor haar naoorlogse zusters, al dan niet gehuwd samenwonend, varieert dit niveau van minder dan tien procent voor laag opgeleide vrouwen tot ongeveer twintig procent voor hoog opgeleide vrouwen.

Deze radicale veranderingen zijn het gevolg van onevenwichtigheden in de "revolutie' van de jaren zestig op het terrein van seksualiteit, gezin, en de positie van vrouwen. Die culturele omwenteling gold vooral het terrein van de anticonceptie. Na een extreem afwijzend maatschappelijk klimaat voor geboortenregeling tot in de jaren vijftig, is het anticonceptiegebruik in Nederland sinds de jaren zeventig bijna perfect. Dit valt te concluderen uit de - internationaal gezien - lage aantallen tienerzwangerschappen en abortussen.

Ook bepaalde aspecten van de vrouwenemancipatie maakten een snelle ontwikkeling door. Het opleidingsniveau van meisjes en jonge vrouwen is sinds 1970 sterk gestegen. Bovendien groeiden deze tieners en twintigers op in een maatschappelijk klimaat van toenemende aspiraties van vrouwen voor opleiding en beroep. Zij vormden de eerste generaties jonge vrouwen in ons land die na het afronden van haar opleiding massaal toetraden tot de arbeidsmarkt. Zij waren ook de eerste generaties jonge vrouwen die onder deze veranderde omstandigheden zich voor de - inmiddels minder vanzelfsprekende - keuze voor kinderen zagen geplaatst.

Voor deze generatie was en is de kinderkeuze vrij voor zover het de toegankelijkheid van anticonceptie betreft. Deze keuze was ook "vrij' voor zover vrouwen thuis wilden blijven om voor haar jonge kinderen te zorgen. Moeilijk echter was en is deze keuze nog steeds als vrouwen wèl kinderen wensen, maar hun beroepsarbeid daarvoor niet willen opgeven. Dit speelt sterker naarmate het opleidingsniveau van vrouwen hoger is, want hoger opgeleide vrouwen kunnen interessante functies verwerven en een goed inkomen. Aan de hoge kinderloosheid van de hoog opgeleide naoorlogse generaties vrouwen kan deze problematiek duidelijk worden afgelezen. Het is de vraag in hoeverre deze kinderloosheid werkelijk vrijwillig is.

Tonen de gegevens over kinderloosheid al aan dat hoog opgeleide vrouwen andere keuzes maken over gezinsvorming dan vrouwen met een lage opleiding, ook in het al dan niet combineren van werk en kinderen zijn opmerkelijke verschillen tussen de uiteenlopende opleidingscategorieën te constateren. Hoog opgeleide vrouwen blijven veel vaker doorwerken na de geboorte van het eerste kind dan vrouwen met een lage opleiding. Van de vrouwen met een jongste kind van 0 tot 3 jaar werkte in 1988 17 procent van de laagopgeleide vrouwen, 29 procent van de middelbaar opgeleide, en 58 procent van de hoogopgeleide vrouwen.

De keuze voor het verrichten van betaalde of onbetaalde (zorg-)arbeid heeft belangrijke financiële gevolgen. Het grootbrengen van kinderen vraagt een langdurige betrokkenheid van de ouders. Dit impliceert dat ouders gedurende lange tijd met aanzienlijke kosten worden geconfronteerd. Behalve de directe kosten van kinderen (huisvesting, voeding, kleding) zijn er ook indirecte kosten, dat wil zeggen de inkomstenderving voor de tijd die ouders (meestal de vrouw) aan de verzorging van hun kinderen besteden. Het blijven werken van beide ouders brengt weliswaar ook extra kosten met zich mee (kinderopvang) en verlies aan kostwinnersfaciliteiten, maar is per saldo in ieder geval voor hoog opgeleide vrouwen financieel voordelig.

Dit kan leiden tot toenemende inkomensverschillen tussen kinderloze echtparen en echtparen met kinderen, en ook tussen hoog en laag opgeleide ouders. De onderlinge economische ongelijkheid tussen kinderen zal toenemen. Daarbij komt dat het aantal eenoudergezinnen dat slechts een minimuminkomen heeft toeneemt.

We wezen al op de onevenwichtigheid van de omwenteling in de jaren zestig, wat betreft het waardencomplex van gezin en positie van vrouwen. De houding ten opzichte van werkende moeders die haar jonge kinderen in een crèche (zouden willen) onderbrengen, veranderde slechts langzaam. Ook in het emancipatiebeleid dat in 1974 van start ging was aandacht voor kinderopvang voor vrouwen die willen werken aanvankelijk afwezig. Pas in de eerste helft van de jaren tachtig ontstond hierover enige politieke touwtrekkerij, maar de economische recessie hield het veranderingstempo van deze ontwikkeling laag.

Pas begin jaren negentig werd Nederland verblijd met een Stimuleringsregeling kinderopvang en met een wettelijke regeling van een - beperkt en onbetaald - ouderschapsverlof. Het trage tempo van deze ontwikkelingen steekt opmerkelijk af tegen de nadruk die het emancipatiebeleid vooral in de jaren tachtig legt op de doelstelling van economische zelfstandigheid voor vrouwen.

Het lijkt erop dat de jonge vrouwen van nu de boodschap van economische zelfstandigheid ter harte hebben genomen. Daarbij blijkt een snel toenemend deel van hen deze zelfstandigheid te willen voortzetten als zij beginnen aan kinderen. Bij hen neemt de weerstand tegen werkende moeders met kinderen in crèches snel af. Maar voor de uitvoering van de gezinsstrategie waarvoor zij kiezen zijn ze niet alleen afhankelijk van de medewerking van hun partner, maar ook van medewerking van de arbeidsorganisaties waar zij werken en van bestuurlijke maatregelen op landelijk en lokaal niveau. De bevolkingscategorie die hier de invloedrijke posities bezet, verschilt echter van de categorie die de kinderen krijgt. De houding van de invloedrijke mannen van middelbare leeftijd ten opzichte van werkende jonge moeders, is sterk achtergebleven bij de houding van de jonge vrouwen zelf. Hier zien we de breuk van de jaren zestig terug in een toegenomen verschil in mentaliteit tussen de oudere (mannen) en de jongere generaties (vrouwen).

Aan oplossingen geen gebrek. Verschillende adviesorganen en politieke partijen, deden de afgelopen jaren suggesties voor herziening van het systeem van kinderbijslag en een verhoging van de bedragen. Daarnaast dienen er betere, op werkende ouders afgestemde voorzieningen en regelingen te komen voor de zorg voor kinderen. Het tekort aan kinderopvang behoeft weinig toelichting meer. Ook de huidige regeling voor ouderschapsverlof is onvoldoende: een verlof van te korte duur en geen vergoeding (behalve voor ambtenaren) van gederfde inkomsten.

Als we willen voorkomen dat Nederland zich ontwikkelt tot een land waarin een toenemend aantal vrouwen zich een vrije keuze voor kinderen ontnomen ziet en waarin gezinnen met kinderen geleidelijk aan in een relatief slechte inkomenspositie komen te verkeren, dan zal het emancipatiebeleid in hoog tempo ontdaan moeten worden van zijn ambivalentie.