De verdediging van het stoepje

Simon Schama schrijft in zijn "Overvloed en Onbehagen' over de massale devotie voor reinheid in de Republiek der Nederlanden: “Een dode kat in de gracht gooien, onderdak verlenen aan een illegale immigrant of de plicht van het stoepschrobben verzaken, stond gelijk aan een misdaad - alsof je de poorten had geopend voor een leger van besmette plunderaars. Omgekeerd betekende schoon: vaderlandslievend zijn, waakzaam zijn in de verdediging van het land, stad en huis tegen de inval van vervuilers en de vervuiling van invallers”.

Het is geen toeval dat deze woorden de afgelopen weken in het geheugen komen bovendrijven. In de roep om law and order die we mogen beleven komen we eenzelfde kluwen van associaties tegen. Alleen al de uitdrukking die rondzingt - de mensen hebben er schoon genoeg van - verwijst naar deze diepten van de nationale ziel. En het moeten worden gezegd: de poetsdwang neemt een hoge vlucht. In Rotterdam en Amsterdam worden de junks weggejaagd, in de Bijlmer worden twee flatgebouwen vol met ongeregeldheden gesloopt en iedereen lijkt heel tevreden, eindelijk gebeurt er wat. Schama schrijft: “Schoonmaken was onderscheiden en uitsluiten”.

In politieke kringen is het vooral Frits Bolkestein die voortdurend dit register bespeelt. In een gesprek zegt hij: “De mensen zijn het zat, de verloedering, de lompheid op straat, en de fraude” (NRC Handelsblad, 6 juli). Ons stoepje zal weer blinken zoals het nog nooit heeft geblonken!

Bolkestein beklaagt zich over de moraliserende behandeling die hem ten deel valt. Laten we daarom eens andere vragen opwerpen: welke zijn de culturele zorgen die Bolkestein tot zijn uitspraken verleiden, en hoeveel kans maken zijn opvattingen om een beslissende invloed op het politieke debat uit te oefenen?

De voorman der liberalen lijkt zich op te werpen als vertolker van de afnemende culturele tolerantie, hij wil "dicht bij de mensen staan'. Bolkestein zal het zelf heel anders zien: juist door in "de puisten van ongenoegen' te knijpen wil hij de tolerantie behouden en ontsporingen helpen voorkomen. Die rechtvaardiging van zijn recente bijdragen aan het minderhedendebat, aan de aarzelende polemiek over Europa en aan het al langer slepende gekift over criminaliteit, verdient het om serieus te worden genomen.

Het onderlinge verband tussen deze onderwerpen is bij Bolkestein niet direct zichtbaar. De samenhang van zijn overwegingen ligt niet, zoals hijzelf beweert, in een liberaal pleidooi voor universele democratische normen, maar in een conservatieve verdediging van de nationale identiteit. Terwijl van de minderheden wordt gevraagd zich te voegen in de Nederlandse samenleving, zonder daarbij halsstarrig aan hun identiteit vast te houden, verlangt hij van Nederland als geheel in Europa het tegenovergestelde: juist een zeer beperkte integratie met behoud van eigenheid. Kort en goed: leve de klomp, weg met de veelwijverij!

Wie van anderen verlangt dat ze zich aanpassen, of zich zelf niet al te zeer aan anderen wil aanpassen, veronderstelt een zeker begrip te hebben van een eigen identiteit. Bolkestein is daar niet erg duidelijk over. En inderdaad, wat de nationale identiteit is, kan niet gemakkelijk omschreven worden in een tijd van wereldomspannende communicatie. Voor zover er nog sprake is van eigenheid kan de term "morele geografie', die Schama in een andere context gebruikt, ons wellicht verder helpen. Daarmee geeft hij aan dat de samenhang van zeden en territoriale inrichting veelzeggend is voor de identiteit van een volk.

Men zou kunnen zeggen dat in het dichtbevolkte gebied dat Nederland is twee morele houdingen hebben gefloreerd: "tolerantie voor het verschil' en "devotie voor reinheid'. Onze identiteit is getekend door openheid, mede vanwege heel praktische handelsmotieven, en is daarom ook zo moeilijk herkenbaar als een nationale identiteit. Het respect voor de ander heeft het meer dan eens gewonnen van de angst voor de vreemdeling.

Dat wil allerminst zeggen dat het cultiveren van "reinheid' in al haar meerduidige betekenissen afwezig of marginaal is in onze geschiedenis. Huizinga schrijft in "Nederland's Geestesmerk' over "de veelgeroemde Hollandse zindelijkheid': “De taal weerspiegelt het gewicht dat wij daaraan hechten. Wat een woorden er voor! Zindelijk, proper, frisch, net, helder, zuiver ... het een klinkt al "burgerlijker' dan het ander. Voorts nog: rein, reeds lang goed-Nederlandsch, maar tegenwoordig in de taal der reclame verhaspeld naar Duits spraakgebruik. En eindelijk nog schoon.”

Eigenlijk is de nationale identiteit alleen maar als nationaal herkenbaar in haar bedreigde vorm, dat wil zeggen in de "devotie voor reinheid'. De samenhang van Bolkesteins gedachten ligt vooral in het verwoorden van een drietal bedreigingen van onze culturele eigenheid: intolerante islamitische minderheden, het complex van verloedering en criminaliteit en, ten slotte, de bedilzucht van Europa.

In het spanningsveld tussen "tolerantie' en "reinheid', dat beladen is met aangename en onaangename bijklanken, opereert Bolkestein. Hij vindt dat de "verloedering, de lompheid op straat en de fraude' met de mantel der liefde zijn bedekt door een overmaat aan ongerichte tolerantie. De "consensusmaatschappij' met al haar schikken en plooien heeft de zorg voor het stoepje verwaarloosd, zo zou men Bolkesteins woorden kunnen duiden.

Is er nu een voedingsbodem voor deze gedachten? Tot nog toe is de nationale identiteit nauwelijks een bewust onderwerp van politieke controverse geweest in ons land. We waren kosmopolitisch ingesteld en droomden van een multi-culturele samenleving, waarvan we veronderstelden eigenlijk altijd al deel te hebben uitgemaakt. Een zorgeloze omgang met onze nationale identiteit was gemeengoed, wellicht met uitzondering van partijen als de SGP en het GPV. Het kan niet vaak genoeg worden gezegd dat Nederland daarmee een uitzonderlijke positie in Europa innam.

En daar duikt plotseling Bolkestein op die er helemaal niet gerust op is dat de culturele samenhang is gewaarborgd en die het vraagstuk van de nationale identiteit de politieke arena insleurt. Vooralsnog lijkt er in Nederland geen sterk gevoel te zijn van een bedreigde cultuur, zoals bijvoorbeeld in Vlaanderen duidelijk meer het geval is, maar we moeten niet uitsluiten dat Bolkestein een goede intuïtie heeft.

Het heeft er namelijk veel van weg dat op zichzelf staande verschijnselen als sociale fraude, verloedering van de woonomgeving, criminaliteit, een groeiende allochtone bevolking en het grenzenloze Europa, in de publieke opinie samenklonteren tot een gevoel van bedreiging. Het "reinheidsmotief' zoals Schama dat ontleedt - “de verdediging van het land, stad en huis tegen de inval van vervuilers en de vervuiling van invallers” - speelt in een eigentijdse vorm nu al door heel wat hoofden. "Invallers' staat voor alles wat anders en afwijkend is, niet alleen voor etnische minderheden.

Met het verder openen van de grenzen, zou de aandrang om ze scherper te trekken weleens snel kunnen toenemen. Een indirecte aanwijzing daarvoor is dat haast niemand meer over de multi-culturele samenleving of Europa spreekt als een ideaal. Als beide vormen van integratie al verdedigd worden dan timide als een noodzaak, gezien de historische omstandigheden waarin we nu eenmaal verzeild zijn geraakt. Een principieel pleidooi voor de smeltkroes der culturen is geheel uit de mode.

De weerzin van Bolkestein tegen de traditie van het schikken en plooien is niet wezensvreemd aan onze cultuur, maar sluit aan bij een krachtige onderstroom in de nationale identiteit. Het is lang niet uitgesloten dat de liberalen als zij volharden in hun pleidooi voor grenzen aan de tolerantie, het gesternte waaronder politiek wordt bedreven in de komende jaren beslissend beïnvloeden.