VRIENDELIJK, MIDDELMATIG, LEESBLIND, EN VICE-PRESIDENT

The Man Who Would Be President. Dan Quayle door David S. Broder en Bob Woodward 207 blz., geïll., Simon & Schuster 1992, f 40,85 ISBN 0 671 79183 4

Dan Quayle moet serieus genomen worden. Al heeft hij vanwege zijn talloze flaters het charisma van een komische stripfiguur, een politiek lichtgewicht is hij allerminst. Dat was de nogal opzienbarende strekking van een serie artikelen die de afgelopen winter in de Washington Post verscheen. De artikelen waren het gezamenlijke werk van niemand minder dan politiek columnist David S. Broder en assistent-hoofdredacteur Bob Woodward. Onlangs verscheen de serie in gebundelde vorm onder de titel The Man Who Would Be President. Dan Quayle.

J. Danforth Quayle werd in 1947 geboren. Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij door in Huntington, een typische "small town' in de staat Indiana in het midden-westen van Amerika. Zijn vader was uitgever van de plaatselijke Herald-Press, die met een oplage van 8300 exemplaren dé toonaangevende krant was van Huntington. De periodiek had Quayles vader, zo weten Broder en Woodward, na hard werken en lang sparen gekocht van zijn schoonvader die zelf een machtig uitgevers-imperium had opgebouwd, maar die het zijn schoonzoon niet al te gemakkelijk wilde maken.

Dat Dan Quayle geboren zou zijn ""with a silver spoon in his mouth', wordt in dit boek dan ook uitdrukkelijk weersproken. Dan was de oudste van vier kinderen. Toen zijn vader met een levensbedreigende variant van lupus (een aandoening van het bindweefsel) twee jaar lang in het ziekenhuis verbleef, hield Dan het gezin bijelkaar, onder meer door te helpen met koken en de luiers te verwisselen van een toen net geadopteerde baby-tweeling. Later tijdens zijn rechtenstudie in Indianapolis, streek hij voor een extra zakcent de overhemden van zijn huisgenoten.

Quayle was op zijn best een uiterst middelmatig student, maar voor de nog steeds hardnekkige geruchten over plagiaat en academisch bedrog bestaat, schrijven Broder en Woodward, geen enkel bewijs. Ook zeggen zij geen onoirbare praktijken te hebben ontdekt in Quayles geslaagde poging om tijdens het hoogtepunt van de Vietnam-oorlog de dienstplicht te ontlopen. ""Phone calls were made', zo drukte Quayle het in de campagne van 1988 nogal ongelukkig uit, waarmee hij suggereerde dat hij zijn toelating tot de Nationale Garde voornamelijk te danken had aan familieconnecties. In werkelijkheid bestond er in Indiana voor de Nationale Garde in die tijd niet eens een wachtlijst.

DRIJVENDE KRACHTEN

In 1972 ontmoette Quayle Marilyn Tucker die ook rechten studeerde, en nog geen tien weken na hun eerste afspraakje waren zij getrouwd. Na zijn studie keerde Quayle terug naar de omgeving van Huntington om bij zijn vader op de krant te gaan werken. Niet lang daarna, Quayle was 29, werd hij door de plaatselijke afdeling van de Republikeinse Partij gevraagd om zich in zijn kiesdistrict kandidaat te stellen voor het Huis van Afgevaardigden. Volgens Broder en Woodward waren zijn invloedrijke grootvader en vooral Marilyn de drijvende krachten achter zijn campagne. Marilyn had niet alleen de organisatie in handen, zij was het die voor Dan, die toen zelf nog weinig uitgesproken opvattingen had, de verkiezingsthema's formuleerde. Het waren orthodox conservatieve thema's als ""anti-big government, anti-abortion, anti-busing, and anti-welfare'. In combinatie met Quayles attractieve uiterlijk, zijn energieke stijl van campagne voeren en zijn imago van een "Washington-outsider', bleken deze goed voor een ruime verkiezingswinst, die vooral opvallend was omdat in de nasleep van de Watergate-affaire de Republikeinen overal in het land zware verliezen moesten incasseren.

In het volledig door de Democraten gedomineerde Huis viel er voor een jonge conservatieve Republikein als Quayle weinig te beginnen. In de sportzaal van het Capitool maakte hij lange uren om er zijn frustratie uit te zweten. In 1980 waagde Quayle de sprong naar de Senaat. Met een campagne die een uitvergrote kopie was van degene die hij vier jaar eerder voor het Huis voerde, won hij verrassend van zijn onverslaanbaar geachte Democratische rivaal die al achttien jaar in de Senaat zitting had.

Ondanks zijn jeugdige leeftijd ontpopte Quayle zich tot een effectief politicus. Met hulp van nota bene zijn ideologische tegenpool Ted Kennedy, wist hij een belangrijke wet over de financiering van beroepsopleidingen (de ""Job Training Partnership Act') behendig door het Congres heen te loodsen en deze vervolgens door Reagan, die er aanvankelijk alles aan gedaan had om de wet te laten stranden, bekrachtigd te krijgen. De prestatie van Quayle was zo opmerkelijk dat in 1989 de politicoloog Richard F. Fenno Jr. het boek The Making of a Senator. Dan Quayle schreef, nog voordat Bush hem tot zijn "running mate' koos.

Uiteraard blikken Broder en Woodward uitvoerig terug op de voor Quayle catastrofaal verlopen presidentscampagne van 1988 waarin hij zelf zo goed als het enige succesvolle verkiezingsthema werd van de kansloze Democrataat Dukakis. Als we de auteurs mogen geloven, die daarbij een enigszins rancuneus klinkende Marylin aan het woord laten, lag de schuld daarvan grotendeels bij James Baker die de leiding van de Bush-campagne had. Hij zou Quayle hebben overgeleverd aan een stel incompetente "handlers' die hem zonder goede voorbereiding blootstelden aan de nationale media.

RECHTERFLANK

Als vice-president, zo stellen Broder en Woodward, doet Quayle het echter lang niet slecht. Bush, met wie hij vrijwel dagelijks contact heeft, doet immers alle mogelijke moeite om de schijn te wekken dat hij Quayle in alle belangrijke beslissingen betrekt. Op zijn beurt verricht Quayle voor Bush nuttig werk door hem op zijn electorale rechterflank te dekken. Quayle laat zich daarbij adviseren door William Kristol, een zoon van de neoconservatieve Newyorkse intellectueel Irving Kristol.

Helaas konden de auteurs in hun boek niet meer berichten over hoe na de rellen in Los Angeles, Quayle erin slaagde om met zijn uithaal naar de tv-serie "Murphy Brown' een gevoelige snaar in de ziel van rechts Amerika te raken. Zijn provocerende pleidooi voor "family values' en de verklaring dat hij ""de hoon van de culturele elites' in Hollywood, aan de universiteiten en in de media, zou opvatten als een ""ere-onderscheiding', deden denken aan de beste momenten van Nixons notoire vice-president Spiro T. Agnew.

Naar hun eigen zeggen, hebben Broder en Woodward meer dan tweehonderd interviews gevoerd, waarvan twintig met Dan Quayle zelf en vier met zijn vrouw Marilyn. Toch is The Man Who Would Be President. Dan Quayle een nogal oppervlakkig en weinig onthullend boek. Wel is er ruim aandacht voor bekende zaken als Quayles passie voor het golfspel. In het gazon van de vice-presidentiële residentie zou hij zelfs een "putting green' hebben laten aanleggen. Aan lezen schijnt Quayle wat minder toe te komen, maar dat zal vermoedelijk te maken hebben met een milde vorm van leesblindheid. Over het karakter van Quayle vertrouwen Broder en Woodward ons toe dat hij de gelijkmoedigheid en vriendelijkheid zelve is. Marilyn daarentegen wordt afgeschilderd als een soort Lady Macbeth die streng waakt over de politieke carrière van haar man, maar daarbij toch ook nog tijd over bleek te hebben voor het schrijven van Embrace the Serpent, een thriller over het Cuba na Castro.

Is Quayle capabel genoeg voor het presidentschap? Op het ogenblik denkt bijna tweederde van de Amerikanen van niet, en ook Broder en Woodward hebben toch zo hun twijfels. In ieder geval lijkt Bush (nog) geen aanstalten te maken om Quayle te dumpen, en Quayle zelf zou nu al bezig zijn met het vergaren van steun voor een presidentiële campagne in 1996. De campagne van 1992, zo schrijven de twee journalisten van de Washington Post, zal echter cruciaal zijn voor Quayle om aan te tonen dat hij over vier jaar een geloofwaardig presidentskandidaat kan zijn. Aanvankelijk leek hij goed op weg, totdat hij bij een bezoek aan een school in een getto voor het oog van de camera's aan een leerling begon uit te leggen dat achter "potato' toch nog echt een "e' moest. Een blunder die natuurlijk onmiddellijk nation wide werd uitgemolken. "Bush-Quayl 1992 - Is it a mistake?', schijnt in Amerika op dit moment de meest verkochte bumper-sticker te zijn.