Uitverkoop in Nederland?

De onderhandelingen rond Fokker hebben het nodige rumoer veroorzaakt.

Het zoeken naar een geschikte partner voor Nederlandse ondernemingen, die te klein zijn om zelfstandig te kunnen voortbestaan, valt niet mee. Zeker als zo'n partner niet meer in Nederland zelf kan worden gevonden, maar zich in het buitenland bevindt. Als dan ook nog sprake is van overname van een Nederlands concern en niet van een gelijkwaardige fusie is Leiden in last. Er klinken dan bezorgde stemmen in ons land "dat wij ons erfgoed verkopen'.

Is deze onrust terecht? Als men - naast Fokker - op het rumoer rond Philips, DAF, KLM en NedCar let, wèl. Wij moeten er alert op zijn dat wij niet te gemakkelijk waardevolle elementen uit ons bedrijfsleven verkwanselen. Maar is dat bij Fokker het geval? Het antwoord daarop moet neen zijn. Toch is er reden voor bezorgdheid. Hierna zal duidelijk worden waarom.

Meys (bestuurslid van ABN Amro) onderscheidt twee soorten multinationals, te weten inkomende en uitgaande. Inkomende zijn Nederlandse vestigingen van buitenlandse concerns als IBM, Dow Chemical en Fuji. Uitgaande zijn vrijwel alle van oorsprong Nederlandse concerns. Kort samengevat verdwijnt de typisch Nederlandse onderneming omdat alle concerns steeds internationaler worden. Samenwerking, ook tussen de drie economische blokken VS, Europa en Japan, neemt steeds meer toe. Gevaar voor dominantie is, aldus Meys, niet groot, omdat geen blok of concern ooit zo groot zal worden dat kan worden afgezien van samenwerking. Nederlands denken voert zo beredeneerd tot isolement en is dus geen reële optie meer. Ervaringen met overgenomen concerns als Hagemeyer (Chinees-Indonesische Liem Groep) en Douwe Egberts (het Amerikaanse Sara Lee) lijken deze visie te ondersteunen. Dit geldt ook voor Nederlands/Britse concerns als Shell en Unilever.

Over Meys' visie vallen ten minste twee opmerkingen te maken. Ten eerste lijkt de angst voor dominantie inderdaad een slechte raadgever. Vorige maand heb ik hierop proberen te preluderen door een pleidooi voor "transnationaal bestuur', ofwel een leiding van een concern met vertegenwoordigers van alle belangrijke (afzet)markten. Hoe opener Nederland is, hoe beter de economische groeiperspectieven, omdat vele landen ons land aantrekkelijk zullen vinden als vestigingsplaats. Reeds nu hebben wij circa 4.000 buitenlandse vestigingen van buitenlandse ondernemingen. Nederland zou dan een competitive edge hebben ten opzichte van veel landen die nog een nationalistische koers varen. Een soort Hongkong dus.

De tweede opmerking is echter dat Nederland weinig toegerust is voor internationalisering. Wij beschermen "onze concerns' als geen ander. Onze (inkomsten)belastingtarieven zijn zeer hoog, evenals onze sociale lasten. De overheid investeert te weinig in infrastructuur, omdat te veel wordt uitgegeven aan subsidies en sociale zekerheid. Wij prijzen ons aldus uit de markt. Ons beurssysteem in Amsterdam zorgt er daarnaast voor dat onze concerns sterk zijn ondergewaardeerd.

De conclusie moet dan zijn dat wij eerst orde op zaken zouden moeten stellen, voordat wij ons erfgoed op de vrije markt brengen. Anders dreigen wij een soort "Friesland' binnen Europa te worden. Niets slechts over deze prachtige provincie, maar industrieel is het in Nederland het minst ontwikkelde gebiedsdeel. Als zodanig vormt het te veel het symbool van hoe wij ons - tot mijn grote afgrijzen - vaak nog presenteren in het buitenland. Dus met kaasmeisjes, klompen, molens, tulpen, meren en de zee.

Als wij nadenken over partners om mee samen te werken, dan zal moeten worden geprobeerd dit anders te benaderen dan bij voorbeeld bij Fokker en KLM is gebeurd. In beide gevallen proberen wij aan te sluiten bij een veel grotere partner. Fokker zoekt onderdak bij Dasa, dochteronderneming van het grootste Duitse concern, Daimler Benz. KLM heeft onderhandeld met British Airways. In beide gevallen denken wij echter waarborgen te krijgen voor een substantiële Nederlandse inbreng op lange termijn.

De denkfout hierachter is het onbegrip voor de factor macht. Een grotere en sterkere partner laat zich niet binden voor de lange termijn, om zeker twee redenen: de sterke vindt dit niet leuk en het blokkeert voor hem verdere samenwerking met anderen.

Het Duitse opinieblad "Der Spiegel' vindt het Duitse Dasa maar een gammele partner voor Fokker. In plaats dat Fokker en de Nederlandse regering het idee oppakken om een Europese fusie met Aerospatiale (Frankrijk), British Aerospace en Dasa af te dwingen - met als stok achter de deur dat de enige industrie die redelijk draait, te weten Fokker, anders niet meedoet - laten wij aan Dasa over dat zij onder haar leiding die Europese onderneming creëert. KLM is één van de weinige luchtvaartmaatschappijen in Europa die winst maken. In plaats van bijvoorbeeld Swissair te overtuigen dat een gelijkwaardige fusie voor beide partijen gewenst is, concentreert men zich op het veel grotere British Airways.

Kiezen voor het scenario "Hongkong" of "Friesland' biedt geen oplossing. Het vraagt om te grote aanpassingen en leidt niet tot een begaanbare weg voor Nederland. Wij zullen meer tijd moeten besteden aan strategisch denken. Het vinden van goede partners is daarvan een onderdeel.