MY LAI: "EEN TRAGISCHE GEBEURTENIS VAN GROTE OMVANG'

Four Hours in My Lai. A War Crime and its Aftermath door Michael Bilton en Kevin Sim 430 blz., geïll., Viking 1992, f 68,15 ISBN 0 670 83233 2

In de vroege ochtend van 16 maart 1968 werden zo'n honderdtwintig Amerikaanse infanteristen van de Charlie Company afgezet bij het Vietnamese dorp Tu Cung, waartoe ook de gehuchten Binh Tay en Binh Dong behoorden. Nadat de omgeving was bestookt door artilleriegeschut om eventuele vijandelijke linies te elimineren, rukten de GI's op in kleine groepjes. Alle vrouwen, kinderen en ouden van dagen die in paniek alle kanten uitvluchtten, verlamd van angst bleven staan, of verstopten zich in hun hutten en schuilkeldertjes, werden op beestachtige wijze vermoord, of eerst verminkt, verkracht en dan pas doodgeschoten.

Na enkele uren lagen er verspreid in de omgeving of bijeengegooid in een greppel in totaal ongeveer vierhonderd lijken. Daaronder bevond zich geen enkele van een vijandige Vietcong-soldaat. Wel waren ook alle kippen, koeien, varkens en waterbuffels in de slachting meegenomen. Nadat tijdens de middagpauze de lunch was gebruikt, werden alle lichamen nog eens grof geïnspecteerd op eventueel leven en werd hier en daar een genadeschot uitgedeeld. Dit barbaarse drama kwam pas anderhalf jaar later in de publiciteit onder de naam "My Lai', een van de gehuchten van Tu Cung.

Hoe het kon gebeuren, hoe het werd verzwegen, hoe het werd onderzocht, hoe het in de publiciteit kwam, hoe het de mannen is vergaan die zich aan dit krankjoreme bloedbad hebben schuldig gemaakt, daarover gaat het uitputtende Four Hours in My Lai van Michael Bilton en Kevin Sim, twee Britse journalisten die zich gedurende een aantal jaren volledig hebben vastgebeten in dit Amerikaanse Vietnam-schandaal.

"Mannen' is een groot woord. Op een enkeling na waren het doorsnee jongens van achttien, negentien, twintig jaar, opgevoed volgens de regels van dokter Spock en voordat ze het leger ingingen nog nooit van huis geweest. Hun compagnie was pas drie maanden in Vietnam, enkele van hun makkers waren al gesneuveld, een stuk of dertien zwaar gewond, voor het merendeel door mijnen en boobytraps van de Vietcong, maar deze vijand hadden ze nog nauwelijks gezien.

NAPALM

De strategie van de Amerikanen lag op dat moment echter al vast. Die sloot aan bij de pijnlijke ervaring van de voorafgaande jaren tijdens welke ze nog geen meter terrein hadden gewonnen, en de Vietcong in het offensief en onzichtbaar bleef ondanks de miljoenen liters napalm, ontbladeringsmiddelen en herbiciden die er over hun gebieden waren uitgegooid. Het was precies zoals een Pentagoncommentator schreef: ""We kunnen de Vietcong alleen uitroeien als we de hele infrastructuur vernietigen, alle dorpen, de hele jungle ontbladeren en heel Vietnam asfalteren.''

Opperbevelhebber generaal William C. Westmoreland zag dat anders. ""Wanneer ik ongelimiteerd mankracht tot mijn beschikking had,'' schreef hij in zijn A Soldier Reports, ""dan had ik in elke provincie, in elk district permanent troepen kunnen stationeren en zodoende voor een alternatieve strategie kunnen zorgen. Die troepen zouden met de bevolking op intieme voet komen te staan, hetgeen hun taak om subversieve elementen te identificeren en de rest te beschermen tegen intimidatie aanzienlijk zou hebben vergemakkelijkt. Maar om dat te kunnen doen, zouden letterlijk miljoenen manschappen nodig zijn.''

Zoveel manschappen had Westmoreland niet. Het hoogste aantal Amerikaanse militairen dat tegelijkertijd in Vietnam was, bedroeg 540.000. De meesten daarvan waren dienstplichtig en werden na een jaar vervangen.

Circa tien procent van hen kreeg de taak om via de zogeheten "search and destroy' tactiek vijandelijke troepen, munitiedepots of andere soorten voorraden op te sporen en een confrontatie aan te gaan volgens de stelregel "win or leave'. Maar tegen de guerrilla, de demoraliserende terreur van de Vietcongsoldaten, die zich vaak onherkenbaar verschansten tussen de gewone bevolking, was dat een onmogelijke opgave. ""We vochten,'' omschreef een van hen het eens, ""niet tegen een ras, of een sekse, maar tegen het communisme dat je niet kon zien.''

Was dat werkelijk zo? In de denigrerende benamingen die de Amerikanen bezigden voor de "spleetogen' die ze niet konden verstaan, zit een onmiskenbare grondtoon van rassenhaat. En in die vreemde, bedreigende sfeer van de Zuidoost-aziatische jungle, getergd door een onzichtbare vijand, getraind tot moordmachines en opgefokt door onduidelijke search and destroy-commando's, begonnen de mannen van de Charlie Compagnie in My Lai alle "gooks', "dinks', "dopes' en "slopes', dat wil zeggen: alle Vietnamezen die ze zagen, uit te roeien met handgranaten, machine-geweren, revolvers en pistolen. Gedeeltelijk ging het methodisch, gedeeltelijk volslagen maniakaal. In de officiële stukken werden later de slachtoffers nog eens gedehumaniseerd door de aanduiding ""oriental human beings''.

MORELE BESLISSING

Enkele Amerikaanse soldaten in My Lai weigerden mee te doen en bewezen daarmee dat in zo'n situatie een morele beslissing mogelijk is. Maar nog tijdens de slachting werd letterlijk van bovenaf door de overvliegende kapitein Ernest Medina via de radio op glorieuze toon melding gemaakt van het feit dat er een aantal Vietcongs waren gedood. Men zat immers eigenlijk achter de vierde divisie van het Noord-Vietnamese leger aan en waar een "slag' gaande was, daar moesten dus ook vijandelijke slachtoffers vallen.

Er werd in de berichten ook wel over ""een aantal'' dode burgers gesproken, maar dat was niet ongebruikelijk. Door de enorme overdaad aan explosieven en chemicaliën die over het land werden uitgestrooid, sneuvelden ten slotte zo'n 300.000 Zuid-Vietnamezen per jaar - tegenover een volstrekt onbekend aantal vijandige Vietcong. In 1967 had Life Magazine al berekend dat de kosten voor het uitschakelen van één guerrillastrijder waarschijnlijk 400.000 dollar bedroegen, dat wil zeggen: 75 bommen en 150 artillerie-granaten.

In My Lai ging het ietwat anders toe en de boodschappen per radio en allerlei andere berichten die boven dit bloedbad zijn gaan zweven zijn nauwelijks na te vertellen. Maar het is angstaanjagend om in Four Hours in My Lai te lezen hoe de massamoord tot in de hoogste legerkringen werd voorgesteld als een fantastische militaire overwinning. De weinige gewetensvolle aanwezigen, zoals ook de legerfotograaf Ronald Haeberle, werden monddood gemaakt door al dan niet uitgesproken intimidaties. De complete Charlie Compagnie werd gedecoreerd wegens voorbeeldige prestatie. Sommige soldaten noemden zich voortaan ""dubbele veteranen'', een eretitel die je kreeg als je eerst een vrouw had verkracht alvorens haar te vermoorden.

Het was de veel later bij de compagnie gekomen jonge soldaat Ronald Ridenhour die tot vervelens toe allerlei gruwelverhalen te horen kreeg en op 9 april 1969 daarvan melding maakte in een brief aan het Congreslid van zijn staat. Deze ging op zijn beurt met het verhaal naar het Pentagon. Daar kon men nu niet anders beslissen dan de kwestie, waarover al de nodige geruchten rondzongen, te onderzoeken. Lt.-Generaal William R. Peers werd met het onderzoek belast en hij is een van de weinige integere mannen die in het hele boek voorkomen.

Peers legde in Amerika duizenden kilometers af en had op het laatst een staf van meer dan tachtig mensen nodig om de feiten boven water te krijgen. Nog tijdens het onderzoek werd er een aanklacht ingediend tegen luitenant William Calley op wiens conto 109 lijken kwamen te staan en die als hoofdverdachte gold. Calley zou zelfs militairen die problemen hadden met schieten het geweer uit handen hebben genomen om even voor te doen hoe je zo'n klus moest klaren. Overigens is Calley ook de enige die met betrekking tot My Lai is veroordeeld. Van de 120 soldaten werden er slechts 13 officieel aangeklaagd. De rest was al "uit dienst' en "dus' niet meer aan te pakken. De anderen werden met behulp van juridische steekspellen en door jury's bestaande uit kolonels en generaals vrijgesproken. Alle hogere officieren en andere legerautoriteiten die verantwoordelijk waren voor de cover up werden slechts administratief vervolgd, aan het oog van iedereen onttrokken, en als ze niet dood zijn, duren hun zaken nog voort.

BINNENPAGINA

Ronduit verbijsterend is de aanvankelijke desinteresse van de Amerikaanse pers voor de oorlogsmisdaden in My Lai. De meeste kranten en tv-stations die ongeveer een jaar na dato getipt werden over de aanklacht tegen Calley haalden hun schouders op of plaatsten hooguit een klein bericht op een binnenpagina. Zelfs toen Seymour Hersh, later auteur van het boek My Lai 4, zijn eerste grotere verhaal over de massamoord had geschreven was hij aangewezen op een alternatief persbureau dat pas na lange telefonades het verhaal bij zo'n dertig regionale kranten wist te slijten. Het officiële onderzoek was toen nog in volle gang.

Maar toen dook in Ohio ineens legerfotograaf Ronald Haeberle op en hij vertelde een bevriend journalist van The Cleveland Plain Dealer over de foto's die hij nog altijd in zijn bezit had. Deze informeerde zijn chef over een "world scoop', maar die reageerde met de woorden: ""Fuck the scoop, we've got a moonlanding tomorrow.'' Toen hij evenwel de volgende dag de "classified' foto's onder ogen kreeg, veranderde zijn houding: ""Fuck the moon walk!''

Nu pas was het schandaal geboren en ontstond er een wereldwijde verontwaardiging, vooral buiten Amerika. Het Pentagon moest nu wel met informatie naar buiten komen, maar tot een half uur voor de uiteindelijke persconferentie was er grote ruzie tussen onderzoeker Peers en de generale staf over de formuleringen. Het Pentagon wilde het woord "massaslachting' vervangen door ""een tragische gebeurtenis van grote omvang''. Men wilde het tevens voorstellen als een incident, hoewel Peers inmiddels had uitgezocht dat op dezelfde dag dat de Amerikanen hun "Good Morning Vietnam'-boodschap naar My Lai brachten de Bravo-compagnie in een dorp een halve mijl verder eenzelfde soort slachting had aangericht met negentig slachtoffers. Het Pentagon wilde die moordpartij toeschrijven aan het Zuid-Vietnamese leger. Het Pentagon had de eindredactie van het rapport van Peers.

Luitenant Calley werd op 20 augustus 1971 veroordeeld tot twintig jaar dwangarbeid, maar hij mocht zich verheugen in een enorme populariteit. President Nixon zelf bezorgde hem strafvermindering en diens ghostwriter Pat Buchanan wist duizenden Amerikanen aan te sporen tot het sturen van sympathie-betuigingen voor de held Calley die ten onrechte als oorlogsmisdadiger werd voorgesteld. In die sfeer, gecombineerd met de Amerikaanse juridische gekte die het zelfs een country-rechter mogelijk maakt om herziening aan te vragen van een vonnis waar hij volstrekt buiten staat, is Calley voortdurend in en buiten de gevangenis geweest, en uiteindelijk op 9 november 1974 definitief vrijgekomen. Nu is hij getrouwd, werkt in de juwelierszaak van zijn schoonvader te Columbus, Georgia, en wil nergens over praten.

PSYCHISCHE NOOD

Enkele anderen zijn er minder fortuinlijk af gekomen. Robert T'Souvas, die vijf My Lai moorden bekende, werd uiteindelijk na een chaotisch leven vol drugs door zijn inmiddels net zo verwarde vrouw doodgeschoten. Na twintig jaar psychische nood. Want in zekere zin was My Lai een omslagpunt in de beoordeling van de Vietnam-oorlog. Hoewel tijdens de processen tal van verhalen de ronde deden over soortgelijke wreedheden tijdens "the good wars' tegen de Japanners, de Filippijnen, op Nieuw Guinea, zelfs al van de Founding Fathers tegen de Sioux, heeft Vietnam gezorgd voor veel twijfel omtrent het morele overwicht van de Amerikanen in de wereld. Die twijfel is op een aantal zondebokken terecht gekomen.

Het allertriestste is Varnado Simpson eraan toe. Hij werkte bij een bank in Mississippi toen het nieuws over My Lai bekend werd en nam onmiddellijk ontslag uit angst dat hij alle klanten zou wegjagen. Later werd voor zijn ogen zijn tienjarig zoontje doodgeschoten door een straatbende. Voor hem was dat zijn straf. Hij had immers ook kinderen doodgeschoten, voor de ogen van hun moeder. Sindsdien leeft hij met de rug tegen de muur in een volstrekt geblindeerde flat, bibberend, met potten pillen, geplaagd door helse gewetenswroegingen, in staat te leven noch te sterven, volstrekt paranoïde. Zo'n twintigduizend kilometer van hem vandaan worden enkele Vietnamezen, die destijd net op tijd konden vluchten of zich urenlang dood wisten te houden, eveneens geteisterd door helse herinneringen. Zoals Truong Thi Le, een vrouw wier hele familie werd uitgeroeid. Angsten, haat, beelden van haar vermoorde moeder, broer, kinderen achtervolgen haar.

Een boek als Four Hours in My Lai moest een keer geschreven worden. Het is in wezen ontstaan uit de gelijknamige en meerdere malen bekroonde televisie-documentaire die ik helaas nooit heb gezien. Hoewel ik mij goed kan voorstellen dat de auteurs zoveel mogelijk feiten met elkaar in verband hebben willen brengen, is het boek hier en daar veel te gedetailleerd, te protocollair soms ook. Zelf zeggen de auteurs dat ze geen boek wilden schrijven tegen de oorlog als zodanig, ""maar tegen de krachten die de ware aard van oorlogvoeren blijven ontkennen''.

In My Lai resulteerde die ware aard in greppels vol vrouwen en kinderen, uitgesneden tongen en afgerukte ledematen. Ruim twintig jaar later, nadat in Koeweit de laatste Irakezen levend onder het zand waren gebulldozerd, was president Bush er als de kippen bij om te verklaren: ""By God, we've kicked the Vietnam syndrome once and for all.''