Kuuroord Trebon; Zwavel, modder, water en communisme

Kuren behoort in Tsjechoslowakije tot de oudste tradities: er wordt al eeuwen gekuurd, talrijke kopstukken zijn er de afgelopen twee eeuwen voor naar Bohemen gekomen. Ditmaal het portret van een minder bekend oord: Trebon. Het eerste deel van een zomerserie over kuuroorden.

TREBON, 11 JULI. Vergeet de associaties die een naam als Karlovy Vary oproept. Verdring de herinnering die de onuitwisbare beelden van een film als L'année dernière à Marienbad hebben nagelaten. En denk bij het woord "kuuroord' niet langer aan de decadente ambiance waarin de negentiende-eeuwse haute bourgeoisie haar lome lijven liet verwennen. Er zijn tenslotte in Tsjechoslowakije meer dan 70 plaatsen waar de natuurlijke omstandigheden ervoor zorgen dat men allerlei lichamelijke klachten kan bestrijden met het drinken van, of het baden in water dat koolzuur of andere stoffen bevat, het inademen van met mineralen bezwangerde hete lucht of het ingesmeerd worden met heilzame modder.

Niet dus naar het noorden van Bohemen, waar veertig jaar communisme heeft geresulteerd in de volledige verwoesting van het landschap, zoals in de omgeving van het Ertsgebergte, maar naar het zuiden, waar datzelfde communisme merkwaardig genoeg niet weinig heeft bijgedragen aan de bloei van een nieuw soort gezondheidsindustrie.

We gaan naar Trebon, een middeleeuws miniatuurstadje, gelegen in een berucht moerasgebied dat in de loop der eeuwen geschikt is gemaakt voor menselijke bewoning. Twee namen herinneren daaraan: die van het geslacht Rozmberk, dat stad en ommelanden beheerste vanaf de 12de eeuw, en dat van de vorsten Schwarzenberg, die het gebied vanaf de 17de eeuw met eenzelfde soort verlicht feodalisme bestierden, een geslacht waaruit vandaag nog Havels rechterhand - chef van de presidentiële kanselarij - stamt. De Schwarzenbergs zorgden er in elk geval voor dat het moeras werd drooggelegd, dat kanalen werden gegraven voor de afwatering, waardoor grote meren ontstonden. De historische kern van het stadje Trebon zelf bleef volledig intact. Daarvan getuigt het centrale plein, Masarykovo Námest, dat er ondanks z'n soms popperige renaissancegeveltjes en pastelgetinte puien toch in slaagt niet kitscherig te zijn. De Unesco heeft het stadje, dat zevenduizend inwoners telt, in elk geval op de lijst van beschermde monumenten gezet.

Hier, in deze bij uitstek provinciale omgeving, waar de gebouwen nooit hoger reiken dan drie verdiepingen, waar ingetogenheid, gehoorzaamheid en vroomheid de overhand hebben op pracht en praal, besloot de onderwijzer Wencel Hucek in 1883 een klein kuurbad te bouwen op aandringen van zijn dochter Berta, die leed aan gewrichtsreumatiek. Zij had namelijk ontdekt dat warmwaterbaden gemengd met de overal in de omgeving overvloedig aanwezige veengrond haar pijn verlichtten.

Pag.8: Alles is ruim: vroeger kwamen hier alleen communisten

In de loop van de eerste decennia van deze eeuw werd het net buiten de muren van Trebon aan het Zlatá Stoka ("Gouden Kanaal') gelegen kuurhuis uitgebreid tot de huidige capaciteit van ongeveer 130 bedden. Mensen met rugklachten, met jicht, met arthritis, in het algemeen met aandoeningen van het bewegingsapparaat, werden door hun artsen steeds vaker verwezen naar kuurhuis Berta in Trebon.

De heilzame werking van de Zuidboheemse moerasgrond was zo ook doorgedrongen tot de stramme partijbureaucraten in Praag, die in de jaren '70 toestemden in de bouw van een veel groter, uitstekend geoutilleerd kuurcomplex, "Sanatorium Aurora', op een terrein van 42 hectaren enkele kilometers verderop, aan het kunstmatige meertje Svet. Daar konden vanaf 1975 de verkrampte ledematen van de Tsjechoslowaakse communisten de weldadige werking ondergaan van warme modderbaden, sauna, onderwatermassage en wat niet al. “Daar hebben we achteraf geluk mee gehad”, grapt dr. Jana Plásková, hoofd van de medische staf, “dat het vooral voor de communisten was. Doordat het hier allemaal zo ruim is opgezet heb je nooit het gevoel dat het vol is. Toch verblijven hier altijd zo'n vierhonderd patiënten, terwijl er ongeveer 350 personeelsleden zijn.”

Het is tijd voor mijn moerasbad. Een vriendelijke vrouw van middelbare leeftijd in wit schort en blauwe bloes moedigt me aan in de met gitzwarte smurrie gevulde roestvrijstalen badkuip te stappen. De eerste reactie die in een flits moet worden overwonnen - “ja, maar een bad neem je om schoon, niet om vuil te worden” - is ogenblikkelijk vergeten. Ik lig in een kom warme erwtensoep, minder dik alleen, en zonder kluif. Die ben ik waarschijnlijk zelf! Mijn hoofd steekt omzichtig boven het oppervlak uit. Als ik een lichaamsdeel boven water haal is het zwart, gitzwart. Maar modder stinkt, herinner ik me van mijn jongensjaren, en deze zwarte brij is tot mijn verbazing vrijwel reukloos.

Vanaf de bodem van het bad verzamel ik met moeite - het gaat zoals vroeger aan zee een handje zand uit het water bovenhalen - een handvol modderdeeltjes: partikeltjes plantaardige stof, die bij verpulvering houtachtig blijken te zijn en bij een geuronderzoek in de verte aan een herfstbos doen denken. Na een kwartier komt de nu in laarzen gestoken moederlijke dame vragen of het lekker was. Het is tijd voor het afspoelen. Met behulp van de stalen handgreep aan de muur kom ik overeind en begin me met een douche van het ergste zwart te ontdoen. Mevrouw helpt aan de achterzijde. Dan, als ik helemaal ben schoongespoten, slaat mevrouw twee aangenaam droge handdoeken om me heen, een dunne en daaroverheen een dikke. Ik moet op een bank gaan liggen en word ik geheel ingepakt in de doeken. Zo lig ik als een ingebakerde baby. De warmte die het bad heeft veroorzaakt in mijn lichaam weerkaatst tegen het textiel. Ik dommel weg.

Na een kwartier komt een energieke man me wekken. Opstaan en naar de massageruimte! Een kwartier lang bewerkt zij mijn nek, schouders en en alle wervels van mijn ruggegraat met het hele arsenaal van technieken waar fysiotherapeuten om gevreesd en geliefd zijn. Uitgeput kleed ik me ten slotte aan.

De volgende dag, bij een bezoek aan het kuurhuis Berta, wordt mij het geheim van de modder onthuld door dr. Eva Spuláková, die daar de scepter zwaait. Op de binnenplaats ligt een grote hoop van wat verdacht veel lijkt op tuinaarde, kennelijk het hoofdingrediënt van de baden. Wat ontnuchterd merk ik op dat het dus eigenlijk niet zo exclusief is, die modderbaden van Trebon. Met een paar kuub veengrond in de tuin heb je voor je hele leven genoeg!

Maar dokter Spuláková wijst een dergelijke simplistische redenering van de hand. Deze grond bevat immers bijzondere humus-zuren, die nergens anders zijn te vinden. Bovendien moeten de modderbaden gezien worden als onderdeel van een therapie die verder nog kan bestaan uit zwavel-, jodium-, kruiden- en bubbelbaden, uit verschillende soorten elektrotherapeutische behandelingen en infraroodbestralingen.

Ook dokter Plásková meent dat de modder niet als alleenzaligmakend moet worden beschouwd. Aurora is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een onderzoekscentrum waar specialisten op verschillende terreinen - orthopedie, neurologie, reumatologie - samenwerken. Hoogleraren van wereldfaam, zoals professor Lewit van de Praagse Karelsuniversiteit, zijn bij het onderzoek betrokken, er worden internationale symposia gehouden. “De kuurtherapie heeft altijd een grote traditie gehad”, zegt dokter Plásková. “Maar de modder is niet langer de basistherapie. Die wordt nu gecombineerd met manuele en vele andere therapieën.”

De optimale kuurperiode is drie weken, waarvoor de patiënt in het (goedkopere) kuurhuis Berta een bedrag van 1333 DM kwijt is, inclusief verblijf, maaltijden en behandelingen. Bij Aurora is het iets duurder, maar, zo vindt de Noorse mevrouw Edel Lund, nog steeds belachelijk goedkoop. Zij is een van de ruim zestig Noren die een verblijf van drie weken in Aurora achter de rug hebben. Wat haar het meest is bevallen is dat de Tsjechen voor pijnbestrijding niet onmiddellijk grijpen naar zware geneesmiddelen, zoals cortisone, maar alleen natuurlijke middelen gebruiken.

“Er zit iets magisch aan die modder” besluit dokter Pláková. “Ik heb in Oostenrijk zelfs een keer een soort Schnaps gedronken die getrokken was van gezuiverde modder. Het smaakte niet eens slecht.”