Kunst van Afrikaanse koningen sfeervol getoond

Tentoonstelling: Koningen van Afrika, t/m 27 aug in MECC, Maastricht, geopend dag 10-17u (do tot 21u). Catalogus ƒ 75.

Precies zoals de Europese ontdekkingsreizigers in de vorige eeuw na vaak barre tochten over savannes en door donkere oerwouden onverwacht terecht kwamen aan de fraaie hoven van onbekende Afrikaanse koningen, zo komt de bezoeker van de tentoonstelling Koningen van Afrika in het Maastrichtse conferentiecentrum MECC, vanuit een donkere zaal gevuld met slanke torens, die doen denken aan gestileerde bomen, plotseling oog in oog met de eerste van een schier eindeloze rij van exclusieve voorwerpen van Afrikaanse vorsten.

Want nadat men zich vergaapt heeft aan de met meer dan 100.000 fel gekleurde kraaltjes versierde troon van koning Njoya van Bamun, volgen er voor de bezoeker nog 190 schitterende objecten afkomstig van de hoven van verschillende, voornamelijk Bantu koningen. Veren maskers, reusachtige spleettrommels, kunstig bewerkte koninklijke zetels en veel ceremoniële standbeelden.

De presentatie van deze grote hoeveelheid, zowel in omvang als in aard zeer verschillende regalia, is ronduit een meesterwerk.

De samenstellers van de tentoonstelling hebben een grote gok gewaagd toen ze de beroemde Italiaanse vormgever Sottsass uitnodigden de vormgeving te verzorgen. Sottsass is bekend geworden door de vaak nogal baldadige en veelkleurige ontwerpen die hij voor de Memphis groep heeft gemaakt. Maar hier in Maastricht is er geen enkele vorm van overdrijving zichtbaar.

Natuurlijke materialen zoals hout en jute vormen de boventoon. De kleuren zijn in aardtinten en verrassend genoeg heeft het glas in de vitrines plaats gemaakt voor ragfijn kippegaas. Hoewel Sottsass nergens expliciet naar Afrika verwijst, ademt het geheel de sfeer van donker Afrika.

Het boeiendste is dat de vormgeving bewust iets laat zien van de innerlijke betekenis en kracht van de meeste getoonde voorwerpen en dat zonder dat er sprake is van geheimzinnigdoenerij of quasi diepzinnige mystiek. De Afrikaanse koningen bezaten naast wereldlijke ook een grote sacrale macht. Een deel van die macht uitte zich in magie. Veel van de voorwerpen die in Maastricht worden getoond hebben daarin een rol gespeeld.

En zoals in zoveel culturen waren de voorwerpen die bij magische praktijken werden gebruikt zelf ook geladen met magie. Onbevoegden die zo'n object gebruikten, aanraakten of zelfs maar bekeken wachtte een gruwelijke straf van de goden. Slechts de machthebber zelf of de door hem afgevaardigden (priesters, tovenaars) konden zonder gevaar met deze voorwerpen handelend optreden.

In de westerse ogen heeft de esthetische het echter gewonnen van de sacrale waarde. En dit soort voorwerpen worden op tentoonstellingen meestal als kunst gepresenteerd, zo ook hier in Maastricht. Het prettige is echter dat hier niet alles wordt opgeofferd aan de westerse manier van kijken en dat de religieuze waarde van de voorwerpen niet geheel wordt weggedrukt.

Ondanks het feit dat alle voorwerpen uit hun plaats en tijd zijn weggerukt wordt naar het oorspronkelijke gebruik verwezen. Men is daarbij ook weer niet in het andere extreme doorgeschoten waarbij geprobeerd wordt om een zo authentiek mogelijke reconstructie te maken. De tentoonstellingsmakers hebben een aantal accenten aangebracht waardoor de bezoeker aan het denken wordt gezet.

Bijvoorbeeld door de kleinere voorwerpen in ronde kabinetten, die de gedachte aan Afrikaanse woningen oproepen, te tonen. En ook de licht versluierende werking van het kippegaas werkt mee om de verborgen betekenis van voorwerpen voelbaar te maken.

De meeste voorwerpen op de tentoonstelling in Maastricht zijn relatief jong, ze stammen uit het einde van de vorige of het begin van deze eeuw. Omdat men in Afrika zelfs voor koninklijke en magische voorwerpen gebruik maakte van vergankelijke materialen, zoals hout en veren, zijn er weinig echt oude voorwerpen afkomstig van dit continent. De enige uitzondering wordt gevormd door de bronzen voorwerpen die de koningen van Benin (West-Afrika) vervaardigden. Maar deze blijven hier in Maastricht buiten beschouwing. Alle voorwerpen zijn afkomstig uit die delen van zuidelijk Afrika waar Duitsland in de negentiende en begin twintigste eeuw koloniale belangen had, zoals Kameroen, Gabon, Zare, Angola en Namibië. Ze zijn ooit verzameld door Duitse avonturiers, handelaars en missionarissen en daarna terecht gekomen in de verzameling van het Berlijnse Museum voor Volkenkunde.

Door de manier waarop het materiaal in Europa is terecht gekomen missen we veel detailinformatie. Om te beginnen is veelal de herkomst niet exact bekend en moeten we wat betreft de functie ons tevreden stellen met wat de oorspronkelijke eigenaar er over wist te melden. Veel van de kennis bestaat verder slechts uit mondelinge overleveringen en herinterpretaties van westerse geleerden. Over al deze problemen staan in de schitterende, door Sottsass vormgegeven catalogus een aantal goed leesbare artikelen.