Hoe de dijkenbouwers met platvoeten door het rivierenland gaan; Een Hollands drama

Langzaam voltrekt zich het noodlot over het gebied van de grote rivieren, de verzwaring van honderden kilometers dijk is onafwendbaar. De bewoners verzetten zich tegen afbraak en gedwongen vertrek, maar geven tenslotte de strijd op: "De bodem valt weg onder ons bestaan, we zien geen perspectief meer.' Een rondgang door het mooiste deel van Nederland.

Op een roerloze zomerdag gaan Miep van Hall (79) en Anneke Strijbos (64) me voor door het gebied waaraan zij hun hart hebben verpand. Even buiten Voorst volgen we de Bomendijk, een zeven eeuwen oude afscheiding tussen de zanderige Veluwe en de rijke kleigronden van de IJssel. Turend door de meidoornhagen zien we het 18de-eeuwse landhuis De Poll, een oude rivierarm vol waterlelies en daarachter de uiterwaarden, waar het melkvee suffend bijeen staat onder de bomen. Aan de andere zijde biedt de dijk uitzicht op een ommuurde moestuin en een met eiken hakhout vermengd loofbos.

Struikelend over boomstronken en konijneholen dringen we dieper door in het landgoed van De Poll, door de gidsen omschreven als een natuurmonument van 900 hectare. Volgens hun laatste gegevens telt het terrein 52 soorten bomen en heesters, 140 vogelsoorten en 8 types vleermuizen. ""En dat is nog niet alles'', verzekeren ze. ""In de diepe poelen naast de dijk leven ringslangen, padden en salamanders. Bovendien groeien hier zeldzame planten en paddestoelen, waaronder zelfs de spectaculaire inktviszwam. En luister! Dat geluid is afkomstig van de groene kikker... of misschien wel van de knoflookpad. Is het geen verrukking zoiets te horen?''

Evenals hun medestander Renée de Jonge (72) zijn Miep van Hall en Anneke Strijbos dankbaar voor elke dag dat de Bomendijk nog bestaat. Door hun toedoen is de komst uitgesteld van de aannemers die met hulp van graafmachines en bulldozers de omgeving een ander aaanzien zullen geven. De plannen daartoe zijn ontwikkeld door Rijkswaterstaat, dat zich tot taak stelt de Nederlandse rivierdijken over een lengte van ruim 600 kilometer met gemiddeld 1.30 meter te verhogen en tot 20 meter te verbreden. Het karwei bij Voorst is in dit monsterproject slechts een kleine schakel, maar de gevolgen ervan zijn desastreus. Een aanzienlijk stuk van de oude dijk gaat verloren, in grote delen van het bos vindt over een lengte van 100 meter kaalslag plaats (schade 11.000 bomen) en vijvers en kolken verdwijnen. ""Het hart uit het landschap wordt weggenomen en vervangen door een kale groene dijk die niet mag worden beplant'', concludeert de Bomenstichting.

Hoewel in deze streek sinds 1595 niemand meer door overstromingen het leven verloor, was van oppositie aanvankelijk geen sprake. ""Naïef genoeg gingen we ervan uit dat het zo'n vaart wel niet zou lopen'', zegt Reneé de Jonge. ""Ze zijn toch niet gek, dachten we, een onvervangbaar cultuurlandschap als dit zullen ze niet vernietigen. Pas toen duidelijk werd dat men dit serieus van plan was en niemand tegenstand bood, vormden we een clubje van verzet. Voor ons was dat een hele stap, we zijn een beetje oud om opeens actie te gaan voeren.''

Maar die leeftijd werkte in hun voordeel. De Dames van de Bomendijk, zoals ze werden genoemd, kregen als Nederlands oudste actiegroep meer medewerking dan zij hadden vermoed. Ze verzamelden 6.000 handtekeningen, kregen hulp van deskundigen als de Wageningse hoogleraar Mörzer Bruyns en dienden bij Provinciale Staten een bezwaarschrift in dat, tot hun eigen verbazing, ontvankelijk werd verklaard. Als gevolg daarvan gaf de provincie inmiddels opdracht tot een nader onderzoek, waarbij voorstellen voor minder ingrijpende dijktracés worden betrokken. Ook de gemeente liet zich niet onbetuigd: dezer dagen kreeg het actiecomité de plaatselijke milieuprijs uitgereikt.

""Met dit succes zijn we innig blij, maar we maken ons geen illusies'', aldus Anneke Strijbos. ""Het is goed denkbaar dat men ons onnozelen alleen een zoethoudertje heeft gegeven. Ook nu kunnen ze nog ale kanten op, het doodvonnis voor De Poll is niet van de baan. En denk eens aan de rest van het land: terwijl wij hier goeiig bezig zijn met ons stukje dijk, gaat de vernieling van het rivierenlandschap gewoon door. Die gedachte is ontmoedigend.''

De machteloosheid

Toch trekken de Dames van de Bomendijk uit hun ervaringen de conclusie dat burgers in staat zijn tot verweer. Elders is men minder optimistisch. ""De aantasting van een groot gebied is onafwendbaar'', stelt dijkbewoner Jos Beijaert, oud-directeur van het Amsterdams Academisch Medisch Centrum. ""Het parlement heeft ingestemd met een gigantische ingreep, die veiligheid tot in het absurde garandeert. Daarmee ligt de zaak vast, we kunnen alleen nog proberen de afbraak te beperken.''

Soms is het ook daarvoor al te laat. Staande op de Waaldijk bij Opijnen wijst Simon Klein de plek aan waar hij tot voor enkele jaren met vrouw en kinderen in een boerderijtje woonde. ""Daar stonden fruitbomen, een blauwe sering en een walnoot, daar de bramenstruiken waaronder de fazanten huisden, hierachter was de moestuin en even verderop bloeiden wilde bloemen. Kijkend door het stalraampje zag je ginds, met een beetje geluk, steenuilen op de palen zitten.'' Wat de eigenaars beschouwden als "het mooiste plekje op aarde' is nu een kale vlakte. In afwachting van de dijkenbouwers liet het polderbestuur in 1989 de gerestaureerde boerderij amoveren (het in deze sector gebruikte jargon voor afbreken). Tegelijker-tijd werd al wat eromheen stond geëgaliseerd; slechts een paar bereklauwen wisten zich te handhaven. ""Na enkele jaren van machteloze pogingen tot verzet hebben we de strijd opgegeven'', zegt Klein. ""Door alles wat er was gebeurd, waren we moe en overspannen. Wij zagen hier voor ons geen perspectief meer.''

Talloze dijkbewoners is het niet anders vergaan. ""Op een gegeven ogenblik zijn de mensen murw'', weet Abele Reitsma van de Bond Heemschut. ""Dan missen zij de energie het gevecht voort te zetten en laten ze het onheil over zich komen. Op deze manier ontstaat een noodlottige cyclus: tijdens soms vele jaren van onzekerheid verwaarlozen velen hun huizen, die mede om die reden bij leegstand snel worden gesloopt. Of het misschien monumenten zijn, is een vraag die voor de civieltechnische lobby nauwelijks telt. Zo zijn duizenden karakteristieke woningen verdwenen en gaat de verloedering van het landschap gestaag voort.''

Op grond hiervan constateert Reitsma dat het culturele erfgoed vogelvrij is verklaard. Maar ook het sociale aspect is in deze operatie nooit serieus genomen, stelt hij vast. Dit bracht hem onlangs in een vaktijdschrift tot een mismoedig eindoordeel: ""De huidige dijkverzwaring bedreigt mensen en verjaagt hen van hun plek. Dat is de meest tragische ramp die het rivierengebied ooit getroffen heeft.''

Doordat de onttakeling zich op verschillende plaatsen en in etappes voltrekt, drong de omvang van dit Hollandse drama pas laat tot de buitenwereld door. De schilder Willem den Ouden, die aan de "weergaloze oevers' van de Waal zijn levensbestemming vond, had tot voor kort het gevoel dat het onderwerp "niet leefde' bij het publiek. ""Lange tijd maakte niemand zich druk hierover. Pas nu begint men te beseffen dat ons laatste intact gebleven cultuurlandschap, inclusief de erbij behorende bevolkingsgroep, in enkele decennia wordt uitgegumd. Dit gebied is het allermooiste dat ik ken, niet voor niets is het door de eeuwen heen door binnen- en buitenlandse schilders vastgelegd. Toch werd de vernieling ervan in alle stilte, zonder discussie, in de Kamer aanvaard. Toen ik me dat naderhand realiseerde, kwam er een gevoel van machteloosheid over me.''

De intimidatie

Sinds twintig jaar geleden met de dijkverzwaring een begin werd gemaakt, hebben veel dijkbewoners zich alleen voelen staan. Getuige de verhalen van betrokkenen is daar, zeker de eerste tijd, gebruik van gemaakt. Zo kwam het de patriarchaal ingestelde polderbesturen goed uit dat de oorspronkelijke bevolking orthodox en gezagsgetrouw is: als de polder liet weten dat men met het oog op de vooruitgang binnen afzienbare tijd huis en erf diende te verlaten, gaven de meesten daar gevolg aan. De prijs die zij voor hun eigendom kregen, varieerde van 15.000 tot ruim 20.000 gulden, bedragen die nu in deze streken worden aangeduid als "een habbekrats'.

Indien men niet wilde vertrekken, was het de gewoonte een beroep te doen op de solidariteit en het geweten. Wat dit betreft is sindsdien weinig veranderd. Refererend aan de watersnood van 1953, luidt het parool nog altijd dat het persoonlijk belang - hoe spijtig soms ook - moet wijken voor de veiligheid van de gemeenschap. Ook voor de rest munt de bejegening van de bewoners niet uit door subtiliteit. Van de plannen voor hun dijkvak worden zij gewoonlijk in kennis gesteld op een "voorlichtingsavond', waar slecht gekopieerde tracé-schetsen op A4-formaat uitsluitsel geven over het lot van hun huis: een kruis erdoorheen betekent dat het weg moet.

Voor Simon Klein en zijn vroegere buurman Luud Popelier was dat, als voor zoveel anderen, een pijnlijke verrassing. Vijftien jaar eerder had de polder hun te verstaan gegeven dat er niets tegen was aan de dijk bij Opijnen panden te kopen; gezien de veranderde inzichten lag sloop niet meer in de lijn der verwachting. Nadat eind jaren tachtig de inzichten andermaal een nieuwe en voor de bewoners dramatische wending hadden genomen, beloofde de gemeente zich voor de gedupeerden in te zetten. De resultaten daarvan vielen niet mee, vertelt Popelier. ""Op de bijeenkomst waar de definitieve besluiten zouden vallen, bleek de chaos compleet. Het dijktracé was verdeeld in segmenten die, om verwarring te creëren, in willekeurige volgorde werden besproken. De burgemeester raakte het spoor al meteen bijster: tegen de tijd dat hij de betreffende tekening had gevonden, was het traject al goedgekeurd en het volgende stuk aan de orde. Ons verbijtend zagen we toe hoe de man, tegenover al die experts, de kluts kwijt raakte. Na afloop was hij blij dat van de vijftig panden die op het spel stonden er nog twee waren gered, maar wij voelden ons bekocht en in de steek gelaten.''

In de volgende ronde van de onteigeningsprocessen is een belangrijke rol weggelegd voor de taxateurs. In opdracht van het polderbestuur dienden drie van hen zich aan bij Simon Klein, die zich hun gedrag herinnert als onbehoorlijk. ""Ze begonnen meteen ons huis af te kraken, alle pluspunten werden aangemerkt als negatief. "U zit hier wel van God en iedereen verlaten', zeiden ze. En: "Het huis is zo laag dat je steeds moet bukken, voor mij zou dat niks zijn. De ligging aan de dijk is wel idyllisch, maar ja - daar komt straks natuurlijk een eind aan'. Uit alles wat zij zeiden sprak een bitse minachting, die was bedoeld om ons klein te krijgen. Toen we steun zochten bij een deskundige, maakte hij ons duidelijk dat de geboden prijs ver beneden de marktwaarde lag. Intussen nam de polder buiten ons om contact met hem op en werd alles gedaan de eenheid onder de bewoners te ondergraven. In enkele jaren tijd zijn we zo langzaam plat gewalst.''

""Toen we uiteindelijk vertrokken, viel de bodem onder ons bestaan weg'', zegt zijn vrouw. ""De enige tastbare herinnering aan de jaren daarvoor is een aquarel van mijn vader, die laat zien hoe mooi ons plekje was. Het valt me moeilijk ernaar te kijken.''

De woede

In Brakel, een dorp aan de Waal dat in een eerder stadium deels werd afgebroken voor de nieuwe dijk, ging het niet anders toe. Ab van de Beek, in die tijd huisarts, was in het begin nog positief gestemd. ""Net als de meesten dacht ik dat mensen en huizen zoveel mogelijk gespaard bleven, maar gevallen van intimidatie en willekeur ondermijnden het vertrouwen. Een bejaarde vrouw, bijvoorbeeld, werd gedwongen tot vertrek door alvast haar buurhuis onder dezelfde kap te slopen. Een eindje verder moest een dijkbewoner zijn woning uit terwijl zijn buurman, een tuinder met geld en connecties, rustig kon blijven zitten. Zo kan ik doorgaan - mensen zonder invloed hadden geen kans. Als ik barstend van woede de burgemeester daarover aansprak, verwees hij me slechts naar de dijkgraaf. Die wond er geen doekjes om: "De mensen moeten maar 's beseffen dat ze met ons tot een akkoord moeten komen', zei hij.''

De functionaris in kwestie, J. Stuvers, drukte zich in het openbaar weinig diplomatieker uit. ""Kijk, ons uitgangspunt is de dijken verzwaren'', zei hij in 1975 tegen Vrij Nederland. ""Met mensen die iets anders willen kunnen we niet praten.'' Het bleven geen loze woorden: in het dorp werden 180 huizen opgeofferd voor een maaibare dijk die, gezien de later aangescherpte normen, misschien nog hoger moet worden dan hij nu is.

Achteraf wekte Rijkswaterstaat de indruk ook zelf van mening te zijn dat de aanpak in Brakel niet de schoonheidsprijs verdiende. Op die manier doen wij het niet meer, zo is weleens gesuggereerd. Zeker de laatste tijd zijn er meer aanwijzingen dat de dienst, onder druk van negatieve publiciteit, een verbetering van de public relations nastreeft. Dit leidt soms tot een wat soepeler communicatie met "het publiek' dan wanneer de polderbesturen en waterschappen hun gang gaan. Toch is niet iedereen ervan overtuigd dat Rijkswaterstaat ook inderdaad een nieuwe koers vaart. ""Het vriendelijke gezicht dat men af en toe toont, duidt alleen op een gewijzigde presentatie'', stelt Ad van de Beek. ""De mentaliteit is niet veranderd. Een vos verliest misschien zijn haren, maar niet zijn streken.''

Zeker is dat de positie van de dijkbewoners nog altijd wankel is. Wanneer zij de plannen voor een dijktracé krijgen voorgelegd, kunnen zij daar al nauwelijks meer invloed op uitoefenen: de belangrijkste keuzes zijn dan al gemaakt door ambtelijke werkgroepen. Vervolgens worden de plannen nader besproken in "coördinatiecommissies' (ook wel aangeduid als doorhakkersclubs), provinciale advieslichamen waarin de bewoners evenmin een stem hebben. Wanneer de plannen tenslotte zijn uitgewerkt, kunnen de bewoners alleen nog een bezwaarschrift indienen. Volgens de regels komt dit echter (uitzonderlijke gevallen daargelaten) terecht bij het waterschap, dat er als direct belanghebbende over mag oordelen. De kans op succes is dan ook niet erg groot.

De enige hoop die rest is de burgemeester die, direct of indirect, invloed heeft in de coördinatiecommissie. Maar de ervaring leert dat ook van deze zijde niet veel valt te verwachten: de belangstelling en kennis van zaken zijn in de regel te gering om effectief oppositie te kunnen voeren. ""Bovendien moeten burgemeesters aan hun carrière denken'', aldus ex-AMC-directeur Beijaert, nu wethouder in Rossum. ""De onze is strijdbaar, maar veel anderen denken aan hun toekomst en willen geen ruzie met Rijkswaterstaat of het waterschap. Ze zitten klem tussen het belang van de gemeente en dat van henzelf.''

Wanneer de burgemeester ook de functie heeft van dijkgraaf (zoals in minstens één gemeente het geval is) versterkt dat bij dijkbewoners het gevoel dat zij in de fuik zijn beland. ""De democratie schiet voor deze mensen tekort'', vindt Abele Reitsma. ""Volgens de Waterstaatswet uit 1900 hebben zij in dit soort zaken geen juridische status. De aannemer die het werk uitvoert, kan tegen de plannen in beroep gaan, de burger niet. Dat is absurd en onrechtvaardig.''

Het verzet

Niettemin sloten tegenstanders van de dijkverzwaring zich aaneen om samen tegenstand te bieden. Zo ontstonden tal van actiegroepen, waaronder de door huisarts Van de Beek opgerichte stichting Dorp en Landschap en later het Samenwerkingsverband Dijkbewoners. Twee jaar geleden werden de krachten gebundeld in de organisatie Red ons Rivierlandschap.

""Het was eerst ieder voor zich, maar door onderlinge solidariteit staan we nu sterker'', vindt Jos Ebben van de belangenvereniging De Ooijse Dijken. ""We wisselen gegevens uit, trekken deskundigen aan en geven adviezen. Daarmee boeken we soms enig succes in de marge.'' Maar ook dat is van belang, meent Jos Beijaert die in Hurwenen aan de Waal samenwerking met de tegenpartij bepleit. ""Ik geloof niet in oorlog met de overheden, want die verlies je toch. Met onderhandelen is meer te bereiken. De vreselijke dijk bij Rossum kreeg daardoor een vriendelijker aanzicht: de weg is verlegd, er kwam een fietspad en er zijn zelfs een paar bomen geplant - iets dat eerder ondenkbaar was.''

Aan de overkant van de rivier, bij Vuren, blijft Frans Hogenbirk van de stichting Woonbelangen Waaldijk-Merwedijk voorstander van krachtiger weerwerk. Als voorbeeld hiervan noemt hij een juridische actie tegen de provincie, die verdreven dijkbewoners het recht wilde ontnemen hun huis in de omtrek te herbouwen. ""We hebben de zaak glorieus gewonnen'', meldt hij voldaan. ""Het is erg dat burgers zich zo tegen de overheid teweer moeten stellen, maar als dat niet gebeurt zet men de mensen hier zo aan de dijk.''

Twintig kilometer oostelijk aan de Waal voert Willem den Ouden minder hard maar zeker zo opvallend oppositie. Vier jaar geleden plaatste hij op 25 plekken langs het water wilgetakken met lange, zwarte linten in top: een rouwbetoon voor een landschap dat verloren gaat. Vorig jaar zorgden Den Ouden en enkele geestverwanten voor een reprise. Met afgeplakte monden ten teken dat hun stem niet wordt gehoord, vormden zij met de vanen een erehaag voor Kamerleden die het werk aan de dijken kwamen bekijken. ""Op die prachtige dag zag het er hier mooier uit dan ooit, maar de parlementariërs hadden er geen oog voor'', herinnert de schilder zich. ""Ze waren in druk gesprek met elkaar, de omgeving deed hen niets. Na afloop zei een van hen dat de dijkverhoging door moest gaan aangezien hij weinig monumentaals had gezien. Dat dit gebied in zijn geheel een monument is, kwam niet in hem op. Gelukkig gaf een journalist van Reuter naderhand een goed verslag van wat hier gebeurt. De nieuwe dijken verwoesten meer huizen, schreef hij, dan er ooit zijn vernield door een overstroming.''

De normen

Hoewel dit gegeven moeilijk valt te weerleggen, blijft de zogenaamde 0-optie voor Rijkswaterstaat "onbespreekbaar'. Vertaald in spreektaal wil dit zeggen dat de dijken niet zo kunnen blijven als ze zijn, maar breder, hoger en rechter moeten. Hiervoor gold aanvankelijk de Delta-norm: de dijk moest zo sterk zijn dat hij maximaal eens in de 3000 jaar zou overstromen. De commissie-Becht, na de sloopdrift in Brakel ingesteld om de kwestie opnieuw te bezien, nam het in 1977 wat minder nauw. Voor de bovenrivieren waren de commissieleden al tevreden met een dijk die niet vaker dan eens in de 1250 jaar wateroverlast zou geven. Bovendien legde de commissie in haar rapport de nadruk op "uitgekiende' ontwerpen en mogelijkheden tot inspraak: zowel "vroegtijdige, verstaanbare en voor iedereen toegankelijke informatie over de plannen' als "wezenlijke discussie' daarover waren van belang.

Nadat de regering de aanbevelingen tot veler opluchting had aanvaard, was het een tijdlang stil. Tot Rijkswaterstaat in 1983 plotsklaps meldde dat alles bij het oude bleef: ook al was de norm 1/1250 van kracht, de dijkverzwaring moest doorgaan volgens de originele opzet. De argumentatie was, voor zover na te gaan, dat "nieuwe berekeningen' wezen op een hogere waterstand door een verminderde stroomsnelheid van de rivieren. Daar was namelijk bezinksel ontstaan in de vorm van "ribbels en duinen', een (blijkbaar onvoorzien) gevolg van de Deltawerken.

Opposanten als ir. J. Bervaes brachten daar tegenin dat het peil van de Waal eerder daalt dan stijgt en dat overstromingen te wijten zijn aan ijsdammen, een verschijnsel waartegen verhoging van de dijken niet helpt. Aan dergelijke stellingen gaat Rijkswaterstaat schouderophalend voorbij. ""Wie er andere opvattingen op na houdt, wordt beschouwd als dom'', aldus Jos Beijaert. ""Daardoor ontstaat een volstrekt ongelijkwaardige discussie. Intussen krijg je sterk de indruk dat het in deze zaak meer gaat om geloof dan om ratio.''

Desondanks tracht Willem den Ouden nog steeds de zin van de operatie te achterhalen. ""Voor mijn gemoedsrust zou het goed zijn als ik van de noodzaak van de vernieling werd overtuigd, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. Het enige waar men mee komt is de veiligheid.''

Ook bioloog Auke Bijlsma neemt daarmee geen genoegen. ""Voortdurend wekt Rijkswaterstaat de indruk dat het gevaar van doorbraken van rivierdijken valt te vergelijken met die van zeedijken, maar dat is niet terecht: anders dan op zee is de stijging van het waterpeil op de rivieren dagen tevoren bekend, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Sinds 1880 kwam in Nederland dan ook niemand meer om door overstromingen van rivieren.''

Vooral omdat hoog water in ons land zijn oorzaak vindt in Zwitserland en Duitsland, stelt Bijlsma dat het gehele prestige-object van Rijkswaterstaat in internationaal overleg moet worden heroverwogen. De kans dat het daarvan komt is klein. Gezien het weinige dat wordt vernomen over de beloofde "uitgekiende ontwerpen' en "wezenlijke discussies', lijkt alles erop gericht dat het werk op de oude voet doorgaat. Verbazing wekt vooral dat ten aanzien van dit enorme project nooit een milieu-effect-rapportage (MER) is gemaakt. De officiële verklaring hiervoor verrast door zijn simpele logica: de dijktracés zijn verdeeld in segmenten van minder dan vijf kilometer, een maat die toevallig net onder de norm valt waarbinnen milieu-onderzoek in Nederland verplicht is gesteld. De secretaris van de MER-commissie gaf hierover een verhelderende uitleg in een brief aan het Samenwerkingsverband Dijkbewoners. Om de "werkingssfeer' van de MER-besluiten te beperken, zo citeerde hij de toelichting op het betreffende wetsbesluit, ""zijn drempels ingevoerd (...) die zodanig zijn gekozen, dat voor rivierdijkverbeteringen in het algemeen geen MER behoeft te worden toegepast.'' Dat de vorige minister van verkeer en waterstaat de dijkversterking twee jaar eerder als "één zeer groot project' had gekwalificeerd, liet hij onbesproken.

Kort nadat bij de Europese Commissie en de Wereldmilieuconferentie in Rio tegen dit beleid was geprotesteerd, liet minister Alders (milieu) de stichting Red ons Rivierlandschap weten dat nog wordt nagegaan of de MER-plicht in de toekomst ook moet gelden voor de rivierdijken. Zijn collega Maij-Weggen vindt zo'n onderzoek echter onnodig en voor de directeur van Rijkswaterstaat staat de uitkomst ervan al vast. ""Een MER biedt geen toegevoegde waarde en remt de snelhied van het werk'', merkte hij op.

Auke Bijlsma is nog altijd verbaasd dat deze "ouderwetse, puur technologische benadering' wordt geaccepteerd. ""Zonder dat het publiek dit beseft, maakt men van een oud, gedifferentieerd landschap een eenvormig geheel. Zo gaat in korte tijd een rijk gebied verloren.''

Het verlies

Een deel van de bewijzen hiervoor zijn te vinden in de archiefkasten van Ad van de Beek. Naast knipsels, protestschriften en correspondentie met autoriteiten, liggen hier de stapels foto's opgetast waarop hij Brakel voor, tijdens en na de afbraak vastlegde. ""Kijk meneer, zo kwam je vroeger mijn dorp binnen'', zegt hij, zijn emotie verbergend. ""Wat was het mooi. En zie hier - de mensen woonden aan de dijk en keken naar de boten waarvan ze de schippers soms kenden. Er heerste rust en vrede, als in een gedicht van Bloem: De stilte, nu de klokken doven,

wordt hoorbaar boven zondags land

En dorpse woningen, waarboven

Een schelpenkleurige hemel spant.''

Inmiddels is de sfeer voorgoed veranderd, vindt Van de Beek. ""Kijk wat ons is aangedaan door de terreur van de tekentafel. In ruil voor de oorspronkelijke bebouwing hebben we nu langs het dorp een brede wal en een eindje verder, in de uiterwaarden, een industrieterrein vol oud roest. Op het laatst werd ook nog ons 19de-eeuws gemeentehuisje afgebroken. De dag dat het zo ver was, heb ik het slecht gehad.''

Hetzelfde gold voor Simon Klein en zijn vrouw toen zij enkele jaren geleden op een ochtend afscheid namen van het dijkhuis dat zij zelf hadden opgeknapt. ""Zo gauw we eruit waren, maakten een paar stevige jongens het pand onbewoonbaar: ze hakten de schoorsteen kapot en even erna de vloeren en de trap. Daarna liet men het huis meer dan een jaar leeg staan, zodat het langzaam verviel tot een ruïne. Na een tijdje sloopte iemand de deuren en ramen, later bleek de hele voorgevel verdwenen. Tenslotte heeft men ook de laatste resten verwijderd en de omtrek glad gestreken. Er is nu niets meer waaruit blijkt dat dit de plek is waar onze kinderen zijn geboren.''

Het huis van Jos Ebben in Ooij bleef wel gespaard, maar ligt er nu naar zijn idee verloren bij. ""De hoog opschietende vlierstruiken, de oude schuur en de bomen eromheen - het is allemaal, net als het uitzicht tot aan de einder, in één dag verdwenen. 's Ochtends lag het huis nog aan een kronkelige dijk, toen ik 's avonds terugkwam in een kale vlakte. De lievelingsboom van de kinderen bleek al geveld voor ze opstonden.''

Even verder aan de Ooijsebandijk bezoeken we café Oortjeshekken, waar binnenkort de bulldozers worden verwacht. De eigenaars, Mieke Scheepers en Jan Willems, zijn erop voorbereid. ""De ervaringen tot nu toe hebben geleerd dat de dijkenbouwers met platvoeten door ons land en ons leven gaan. "Wat hebt u hier nog te zoeken?' vroegen ze een bejaarde. "U bent al oud, neem nu maar genoegen met dit bedrag'. En iemand die zijn werkplaats kwijt raakt, kreeg te horen: "Dan neemt u toch een beunhaas om een nieuwe te bouwen?' Zo is er meer dat de mensen een hulpeloos gevoel van woede geeft. Het gevaar bestaat dat dit de rest van hun leven zal beheersen.''

De rondgang door het rivierengebied eindigt op een warme middag in de dichtbegroeide tuin van Willem den Ouden. Hij wijst op de rijk gesorteerde vegetatie: aan de voorzijde staan, om wat te noemen, koekoeksbloemen, Gelderse rozen, een oude suikerpeer en een aangewaaide wilgeroos temidden van valeriaan, monnikskap en ginkgo, een plant die duizend jaar oud kan worden. Aan de achterkant vormen vijg, wijnbes en framboos met kardinaalshoed, geitebaard en Smelly Robert een groen bastion dat de verdere wereld buitensluit. Maar die geborgenheid is schijn, weet Den Ouden: wanneer het tracé bij Varik aan de beurt is, zal de nieuwe dijk zijn tuin doorsnijden. ""Veel in deze buurt is al verloren gegaan. Vorig jaar, bijvoorbeeld, een kapitale boerderij in Neerijnen en daarvoor een schitterende hoeve die op het laatst door de brandweer, bij wijze van oefening, in vlam is gezet. Zo gaat het maar door, vandaar dat ik me gehaast voel. Voor het te laat is wil ik alles nog vastleggen. Van het traject tussen Tiel en Waardenburg heb ik 1500 tekeningen gemaakt en er moeten er nog heel wat volgen. Zo weet ik straks tenminste hoe het hier is geweest.''

Aan het eind van de middag beklimmen we naast zijn huis de 14de-eeuwse toren, waarvan hij tweemaal per jaar (op 30 april en 4 mei) een kwartier lang de klok mag luiden. Staande op de hoogste trans kijken we uit over de hier al rechtgetrokken rivier en een kaal veld waar tot voor kort koeien in het water stonden te dromen. ""Dat dijkenproject is een grote vergissing, maar ze zijn niet te stuiten'', verzucht de schilder. ""Op mijn vraag hoe zo'n grootschalige dijk past in een kleinschalig landschap, antwoordde een man van Rijkswaterstaat sussend: "Maakt u zich maar geen zorgen, dat landschap maken we ook grootschalig'. Ik was met stomheid geslagen - maar vooral ook bedroefd om wat we verliezen.''