Het Mysterie van het Verdwenen Jongensboek

"Het Geheim van...'. "Raadselen rond...' "De verdwenen...'

Waar zijn toch de jongensboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en geïllustreerd?

Deze week ervaart de jonge Daan Schrijvers wat het is een echte journalist te zijn.

De stad ontwaakte die morgen, gedompeld in de grauwe nevel van een regendag. Grote, slechts vaag omlijnde, grijze wolkenbanken joegen langs de hemel en lieten van tijd tot tijd een buitje motregen op de aarde neer. Een frisse en gure wind uit het zuidwesten hielp mee nu al, eind juli, een huiverige herfststemming te scheppen.

Er hing ruzie in de lucht.

De jongens hadden Grote Vacantie en dito plannen bovendien. Een krant zouden ze maken, een heuse krant! Vorig jaar waren ze naar Jeugdstad geweest en hadden daar een jofele tijd meegemaakt. Maar dit beloofde nog spannender te worden! Al tijdens de laatste schooldagen had het gegonsd in de vriendengroep. De leraren hadden wel iets gemerkt. Klas 4b was rumoeriger dan normaal, maar gut, die laatste loodjes van het schooljaar, dan kon men wel wat coulanter zijn. Het waren dekselse kinderen - four b or not to be klonk het wel eens snaaks in de lerarenkamer - maar zij konden een potje breken. Het had erom gespannen, en ze hadden moeten blokken, maar ze waren ten slotte allemaal overgegaan. Zelfs Daan Schrijvers, voor wie de wereld een paradijs zou zijn indien er geen rekenkundige reeksen en logarithmen bestaan hadden. Zelfs de kleine Daantje Schrijvers was overgegaan!

Daan was om den drommel niet dom. Hij had een gezond stel hersens, een vlugge opvattingsgave, maar hij was te gauw afgeleid. Zijn overgrote, speelse fantasie gedoogde niet, dat hij zich lang met één ding bezighield. Oh ja, er waren natuurlijk ook dingen, waarin hij zich geheel verdiepen kon. Nederlandse taal, bijvoorbeeld. Daar hád je wat aan. Hij kon echt zitten genieten van de vloeiende, gedragen volzinnen van mooi proza of fijn bij zichzelve zitten gnuiven bij de rake, felle puntigheden van satirische schrij-vers. Zelf kon hij urenlang met genot zitten pennen, van tijd tot tijd op zijn penhouder kauwend, als hij over een vlotte zin of een moppigheid nadacht.

Maar nu hing er ruzie in de lucht.

Alle ogen van de vriendenclub waren gericht op Walter Decheiver, dikke Waltertje, zoals ze hem onder elkaar noemden.

“Dus je bedoelt...”, snerpte Lydia Suurbier, met tranen in de ogen, terwijl ze haar vlechten woest heen en weer zwiepte, “dus je bedoelt dat jij...?”

“Idioot!!!” riep Johan Plageman, de kleinste van het stel, een bijdehandje dat weliswaar nog niet in plusfour liep, maar er al wel bij hoorde, omdat hij een durfal was.

“Maar jij mag helemaal geen hoofdredacteur van onze krant worden”, probeerde Martin "krullekopje' van den Oudenalder, “want jij kunt helemaal niet schrijven!”

“Is dat een bezwaar?” piepte Walter, terwijl hij een duim haakte achter zijn rode bretels.

Daantje probeerde de verhitte gemoederen tot bedaren te brengen. Er moest nu geen kink in de kabel komen. Het ging immers om de krant, hun krant! En de vader van dikke Waltertje had nu eenmaal in zijn fabriekskantoor een oude hectografeermachine, die zij wel mochten gebruiken. Zonder hectografeermachine geen krant, wist Daantje. En zonder krant zou de hele Grote Vacantie in het water vallen. Goed gedacht Daan, dacht Daantje. Hij schraapte zijn keel: “Toe jongens, geen ruzie. Er staat nog geen letter op papier, en nu al gebakkelei! Laat Walter toch hoofdredacteur zijn, dan kunnen wij meer schrijven!”

Want dat was wat Daantje wilde. Schrijver worden. Zelf schrijver worden.

Vlak voor de rapportuitreiking had het schoolhoofd, mijnheer Viscaal, hem nog bij zich geroepen op zijn kamer. Onderzoekend had hij hem aangekeken, met de cijferlijst voor zich. “Hoe denk je eigenlijk door de wereld te komen Schrijvers”, vroeg hij met een onverwachte vertrouwelijkheid. “Je bent oud genoeg om niet meer naar een baantje van cowboy of tramconducteur te verlangen, wel?”

Daantje was even beduusd geweest. Toen stotterde hij: “Ik zou wel graag journalist of schrijver willen worden.” En zo was het. Hij had wel geen scherp omgrensd begrip van de taak van een journalist, maar, ijverig krantelezer als hij was, leek hem niets heerlijker dan "zo'n ding in elkaar te zetten'.

“Journalist? Zo, zo. Weet je wat een eerste vereiste voor een journalist is?”

“Een goede stijl, mijnheer”, haastte Daan zich te antwoorden.

“Een goede stijl kan zijn als een mooie wijnfles zonder wijn erin, jongen. Het eerste vereiste is.... algemene ontwikkeling!” had mijnheer Viscaal gesproken, om te vervolgen met een wijze raad. “Denk erom, Schrijvers, dat je niets, maar ook totaal niets bereiken kunt in het leven, zonder taaie wilskracht en concentratie. Je zult later toch die fladderende gedachtentrein van je in het spoor moeten houden.” Daan had even op zijn onderlip gebeten, en wist zich geen houding toen mijnheer Viscaal hem bemoedigend over de bol had geaaid met de woorden "Fijne vacantie, jôh!'

Maar nu hing er ruzie in de lucht.

Het was tijd om de lessen van mijnheer Viscaal in de praktijk te brengen. “Kom op, jongens, laten we ons bezighouden met de hoofdzaak: onze krant! Als Walter hoofdredacteur ad interim wordt, dan kijken we na het eerste nummer wel verder.” Zo gezegd, zo gedaan. De oude loods op het fabrieksterrein diende als redactiebureel. Ze hadden tafels en pennebakjes aangesleept, de lampen weer aan de praat gekregen en zelfs een heus bord naast de deur gespijkerd. Daarop stond "De Krant'. In het midden van de loods glom de oude hectografeermachine van trots. Hij kwam helemaal uit Duitsland. Het was een echte Enzensberger! In donkerder dagen had hij gediend om vlugschriften tegen de bezetter te vermenigvuldigen, en nu zou hij helpen de jonge generatie in te wijden in de ernst van het echte journalistenbestaan.

Maar van het jachtige, dolle leven, dat Daan zich altijd voorgesteld had, dat er op een redactiebureau moest heersen, was aanvankelijk niet veel te merken. Zo was het jammer dat dikke Walter zich stante pede het grootste bureau toeëigende. Met het air van een echte hoofdredacteur riep hij voortdurend: “Is de kopij al klaar? De persen moeten rollen!”

“Idioot!” antwoordde Johan Plageman hem gevat, “dan zullen we eerst op reportage moeten. Ik wil graag een voorschot!”

Reportage. Het woord alleen al deed het bloed in Daans aderen sneller vlieden. Nu zou het er van komen. Al dagen speelde hij met het idee te schrijven over de natuur. Hij zou beginnen bij het beekje achter de fabriek en dan het wandelpad volgen naar het bos. Daar zou hij schrijven over het kwinkeleren van de goudpleviers en het ritselen van de boommarters. Hier zou zijn schrijftalent werkelijk tot volle wasdom komen.

“Ik ben al weg”, riep Daan op de toon van een volleerde verslaggever. Buiten motregende het, en de grond was drassig. Hè, wat slim om zijn kaplaarzen aan te trekken. Kijk, daar was het beekje al, met die prachtige rietkraag en schitterende nevelflarden die traag omhoog dampten. Alles was stil hier, behalve het gestage knarsen van de fabriek van Walters vader op de achtergrond.

Hola, wat was dat nu? Het beekje was vol met dode vissen! De schitterende nevelflarden bleken stinkende walmen! Hier was iets mis, zei Daans journalistieke inborst geschrokken. Hier moest hij het fijne van weten. Hier zat een verhaal in!

Voorzichtig baande Daantje zich een weg door de rietkraag. Knap eng was het, zo alleen. Overal zoemden muggen en andere bijtende beesten. Hij zag nauwelijks waar hij zijn voeten moest zetten. Plotseling lag hij dan ook languit in de modder. Hij was gestruikeld, maar: waarover? Achterdochtig speurde hij de drassige grond af. Kijk, kijk, wat was dat nu? Verscholen tussen het riet liep een roestige pijplijn rechtstreeks het beekje in. Een zonderlinge schuimkraag borrelde over de wallekanten. En de lucht hier maakte hem misselijk en deed zijn ogen tranen. Het geval kreeg een prikkelend luchtje van mysterie. Waar kwam dit onheil vandaan? dacht Daan terwijl hij zijn reporters-notitieblokje trok uit zijn doorweekte broekzak. Er zat niets anders op dan de pijplijn landinwaarts te volgen. Terug naar de bron! Als dat geen journalistiek was!

Op handen en voeten baande Daan zich een weg door het struweel. Het kon hem niets schelen dat hij van top tot teen besmeurd raakte, het ging hier om de goede zaak van "De Krant'. Zelfs een hek kon hem niet weerhouden het spoor te volgen. Grote goden! Daar verschenen twee goed gepoetste schoenen in Daans blikveld. Met erboven een goedgestreken pantalon, een krijtstreepoverjas, en een bars gezicht onder een hele hoge hoed. Het was de vader van Walter! Opgelucht haalde Daan adem. “Mijnheer Decheiver! Goed dat ik U zie! Moet U horen...”, ratelde Daan buiten adem zijn verhaal over de pijp waaruit de dodelijke dampen kwamen. En dat het zijn eerste echte reportage voor "De Krant' zou zijn, en misschien wel op de voorpagina zou komen!

“Zo, zo, jongen”, bromde de vader van Walter, “Weet jij wel wat dat is? Dat is de vooruitgang. De pijplijn is vitaal voor de opbouw van ons land. Daar eten jelui journalisten ook van mee, jongen!”

“Ja maar”, stamelde Daan ontdaan, “Dat is allemaal ... vuiligheid!”

“Is dat een bezwaar?” bitste mijnheer Decheiver op een toon die geen tegenspraak duldde, “En nu opgehoepeld!”

Nog diezelfde avond was de hectografeermachine uit de loods verdwenen. Zwijgend en verslagen keek de vriendenclub naar de lege plek waar eens de glimmende Enzensberger had gestaan.

Grote goden, dacht Daan, wat heb je weer deksels domme dingen gedaan! Was dit nu het einde of het begin van een roemrijke journalistieke carrière, piekerde hij bitter. En wat meer was: hoe nu verder?

(wordt vervolgd)