"Het is het hoogtepunt in je carrière, mét iemand de Tour te winnen'

Hij mag dan in april de klassieker Luik-Bastenaken-Luik hebben gewonnen, DIRK DE WOLF, is in de Tour de France gewoon knecht van favoriet Gianni Bugno. De Belg denkt met zijn kopman mee. Hij is bezorgd. Bugno mag niet vallen, hij mag geen tijd verliezen, hij moet de Tour winnen.

Het is vrijdagmorgen negen uur. Over drie uur is de start van de zesde Tour-etappe. Van Roubaix naar Brussel. Dirk de Wolf heeft al ontbeten als zijn ploeggenoten nog aan tafel zitten. Hij is weer in bed gaan liggen, heeft een laken over zijn benen getrokken en kijkt naar het raam. Regen klettert tegen de ruiten.

“Wij hebben maar één doel: de Tour de France winnen. Dat is een doel op zich, waar ge mee bezig zijt. Dag en nacht. Ge weet gewoon dat Gianni enorm super rijdt op het moment, dat hij een grote kans heeft. Hij kan tweede worden, of derde. Dan hebt je ten eerste centen en ten tweede voldoening. Want daar heb ik dan aan meegeholpen. Als het een overwinning is, dan is het seizoen volledig. Dan mag je het seizoen na de Tour eigenlijk afsluiten. Het is het hoogtepunt in je carrière met iemand de Tour te winnen. Drie maanden vooraf en drie weken koers daarvoor werken. Dan is dat een fantastische beloning.

“Tot nu toe valt het heel goed mee in de ploeg. Het is pas mijn eerste jaar. Ik heb in april na zoveel jaren mijn eerste klassieker gewonnen. Dat was fantastisch. Maar dat is nu voorbij. Het is nu anders. We hebben ons heel lang voorbereid op de Tour de France. Optimaal. Via de Tour DuPont, de Ronde van Italië en de Ronde van Zwitserland. Na vijf etappes in de Tour kunnen we de balans opmaken: honderd procent geslaagd. We zijn vóór op het schema. Goede ploegentijdrit, goede proloog van Gianni. Nu vandaag en morgen goed doorkomen. En daar ligt mijn taak. Het gaat een beetje regenen. Het wordt een gevaarlijke rit vandaag. Dan is het onze taak dat hij geen seconden verliest door valpartijen of verrassende ontsnappingen van Indurain.

“Aan mezelf kan ik niet denken. Vandaag passeer ik pal langs mijn deur. Het is geen kilometer van mijn deur, maar naast mijn deur. In Ternat. Ik kan eigenlijk vandaag de rit rijden met mijn ogen dicht. Ik ken elke weg. We hebben vandaag het voordeel dat ik de laatste twintig kilometer, en die zijn heel gevaarlijk, ken. Ik woon daar. Dan weet ik bijvoorbeeld dat als we Wambeek uitrijden dat er een brugske komt, dat de weg versmalt van zes meter van twee meter. Dat weet hij dat hij bij mij moet blijven hangen. Dan weet ik dat we de laatste zes kilometer nog een kasseistrook krijgen. En als het zo regent, en de weg daar nat ligt, dan zullen daar valpartijen zijn vandaag omdat die stenen zo glad zijn. Tien, twintig renners gaan zeker vallen. Het is goed dat we vandaag in België met een helm moeten rijden. Dat zal daar zeker en vast nodig zijn.

“Ik rij daar misschien in een jaar vijftig keer met de auto over. Daar liggen twee, drie bochten, dan val je met dertig per uur. Dan kan hij zo dertig seconden tot een minuut verliezen op Indurain. Het is een overgangsrit die misschien niks voorstelt, maar die vandaag heel gevaarlijk kan zijn, zeker als het regent. Ik heb het hem daarnet al uitgelegd: "Gianni, gelijk gisteren gewoon bij mij blijven.' Ik ken nog wel een of twee renners die bij mij in de gemeente wonen. Zoals Marc Sergeant die bij Panasonic rijdt. Daar kun je een beetje een bondgenoot aan hebben. Dan kunnen we proberen er heel rap over te rijden. Je weet het niet met een peloton van 195. Dan rijd je tussen Spanjaarden en Colombianen, van alle soorten, die kunnen gewoonweg niet rijden op kasseien. Hij moet op kop rijden op de kasseien. Dat is niet gevaarlijk.

“Ik heb mijn Tour-boek nog niet bekeken. Ik ken de weg gewoon. We vertrekken, we rijden de Kluisberg op, we rijden naar beneden, we rijden de Kwaremont op, we rijden naar beneden, we rijden de Kruisberg op, we gaan naar Oudenaerde, rechts, spoorwegbrug over, we gaan naar Brakel, links de Tenbossenstraat omhoog, hups spoorwegbrug over, we gaan naar Parike, afdaling, we rijden de Kloosterstraat op, de Bosberg naar beneden, we gaan rechts de Linnekensweg in, we gaan een smal baantje door, we komen op de Congoweg en verder. Ik doe dat al vanaf mijn viertiende jaar, dat parcours.

“Of ik daar graag zou willen winnen? Ja, als we met een groepje vooruit rijden, je kunt nooit weten. Maar toch is het in de eerste plaats mijn taak dat hij in dat groepje zit. Hij heeft gevraagd of het mogelijk is dat hij bij mij blijft en dat ik niet in een ontsnapping meega. Nee, hij is niet gespannen, hij is altijd los. Maar voor zo'n etappe als vandaag heeft hij een beetje schrik omdat hij geen wringbeest is zoals wij en zoals Nederlanders. Wij kennen die wedstrijden in Belgiê al van het voorseizoen. Wij draaien van de ene boerenhof naar de andere. Wij weten van die bochten, als je daar remt, dan ben je verslagen. En remmen in zo'n etappe kost kracht. Als je constant bij de eerste dertig rijdt, dan kost dat minder kracht.

“Voilá, het gaat serieus regenen.” De Wolf gaat rechtop in zijn bed zitten. “Het wordt vandaag echt gevaarlijk. Ik ga het hem straks nog een keer zeggen. Het regent hard.” Hij gaat toch weer liggen en trekt het laken op tot zijn kin.

“Die overwinning in Luik-Bastenaken-Luik heeft echt niet zoveel veranderd. Die waardering voor De Wolf was er al. Als je 31 jaar bent, weten ze al wat je kunt en wat je niet kunt. Gatorade heeft mij gecontracteerd voor de publiciteit in België, Ruiz-Cabestany voor Spanje, Fignon voor Frankrijk en Rondon voor Colombia. Goede renners die ze nodig hadden voor Gianni om de Tour te winnen. Als je vandaag de rit gaat volgen dan zult je zien waarom. Ik denk dat er spandoeken hangen met Dirk de Wolf, of er staat Allez Dirk op de weg. Dan weet je achteraf dat je publicitair in België heel veel waarde hebt gehad. Dat is goede publiciteit voor de ploeg.

“Ik heb de laatste vier jaar bewezen regelmatig te zijn, dat ik kans had om een klassieker te winnen of vooraan te eindigen. Nu in de Tour zijn er tien, twaalf overgangsritten, waar ik belangrijk werk moet leveren. Je kunt niet van Rondon verwachten dat hij op het vlakke vooraan rijdt. Die moet zich sparen voor de bergen. En Fignon moet een beetje beschermd worden. Een ploeg kan maximaal uit twee leiders bestaan. En die zeven anderen moeten constant klaar staan. Die moeten kunnen werken. Want het is niet simpel, het valt u misschien op, massasprinten zullen op een hand te tellen zijn. Omdat het peloton oncontroleerbaar is. Er zijn te veel goede renners. Als er vandaag een groepje weg rijdt, dan zijn er zeker goede renners bij. Dan probeer je het gat dicht te rijden. Dan gaat er weer een groepje, en weer een. En altijd zullen er goede renners bij zijn. Je kunt het niet blijven dichtrijden. Voor ons is het belangrijkste in Luxemburg met voorsprong op Indurain aan de tijdrit te beginnen.

“Ge kunt een goede knecht zijn en ook uw vreugde hebben in de dingen. Maar het is plezanter een goede kopman te zijn en drie keer meer te verdienen dan een knecht. Dat is normaal. Ik train er altijd hard voor. Ik heb een dagboek, ik hou alles bij. Als ik vandaag de 88ste of 89ste wedstrijd rijd en ik sinds 1 januari aan 27.000 kilometers zit, dan kun je gemakkelijk uitrekenen hoeveel ik train en koers. Je moet wel hard trainen, wil je nog wat kunnen doen in een wedstrijd. Volgend jaar krijg je in het peloton een crash zoals op de beurs. In Nederland verdwijnen twee ploegen, in Frankrijk blijft er nog één, in Belgie één. Dan zitten tachtig renners misschien wel zonder werk. En dan kan ik zeggen dat ik een topteam zit. Ik heb weleens 250 kilometer op een dag getraind. Alleen. Als je meer koerst heb je minder training nodig. Je kunt ook wedstrijden rijden als training. Bijvoorbeeld de Ronde van Zwitserland of Tour DuPont in Amerika. Je kunt dan naar belangrijke wedstrijden toeleven. Zoals Gianni naar de Tour. Maar trainen moet je, ook als het regent.

“Ik geloof dat ik even naar 'm toega.” De Wolf begint te draaien in zijn bed en raakt verstrengeld in het laken. “Het wordt gevaarlijk vandaag. Ik zal straks goed met hem praten. Hij moet maar aan mijn trui gaan hangen. Dat is het beste.

“Ze zeggen weleens dat ik te veel kop doe, altijd maar wil rijden. Na het wereldkampioenschap in Japan in 1990 zou ik dom zijn geweest om altijd maar op kop te rijden. Maar als ik dat niet had gedaan was ik misschien twintigste geëindigd, nu was ik tweede. Als je met twee man vooruit ben, moet je toch niet gaan aarzelen. Je bent dan toch Belg, je rijdt voor de nationale wielrenfederatie. Dan blijf je doorgaan. Ik ben door Rudy Dhaenens geklopt. Het was jammer. Maar ik ga daar niet over piekeren. Dat is gepasseerd. Ik heb de laatst vier jaar toch mijn waarde laten zien. Ik heb het er nog met Peter Post over gehad. Die zei: "Ik zou je toch graag een keer in de ploeg willen.' Dat weet je toch dat er interesse is.

“Ik zit nu bij Gianni. En z'n ploeg Gatorade is toch een serieuze ploeg. Als je daarvoor gevraagd wordt dan kun je na je carrière zeggen: "Ik heb bij PDM gereden en bij Gatorade. Ik heb bij de top gezeten, zoals in het voetbal bij AC Milan, Real Madrid, Anderlecht of PSV.' Omdat ik Luik-Bastenaken-Luik dan nog win groeit je populariteit. Dat is voor de andere renners geen verrassing. Die zeggen: "Jij verdient het'.”

“Ik ben na mijn tweede plaats op het WK gegroeid. Maar Rudy heeft nooit meer iets gepresteerd. Dat is pech. Vaak ziek en veel vallen. Hij heeft het nu aan zijn hart, hij moet stoppen wielrennen. Als ik moet stoppen omdat de benen niet meer goed zijn, is het niet erg. Maar als het hart slecht is geworden. Dat is gevaarlijk. Als ik te horen krijg dat ik problemen kan krijgen met m'n hart, dan stop ik. Ik heb wat centjes gespaard. Ik ga niet door om straks op het kerkhof te liggen. Ik heb Rudy een keer aan de telefoon gehad vanuit Zwitserland. Ik kreeg een fax van mijn vrouw. Ik wilde het van hem horen hoe het ging. Hij kwam altijd bij ons om met mij en Marc Sergeant te trainen. Hij is zo oud als ik, 31. Ik laat om de drie weken bloedonderzoek doen. En om de twee, drie maanden laat ik een cardiogram maken. Ik heb een enorm goed hart. Rudy is al eens bij PDM gecontroleerd. Daar hadden ze al gezien dat hij geen groot sporthart had. Maar ja, van Eddy Merckx zeiden ze ook dat hij geen groot sporthart had.”

Een Italiaanse ploeggenoot komt de kamer binnen. De Wolf kijkt op en wijst naar het raam. “Pericoloso oggi, tante pericoloso, piove.” (Gevaarlijk vandaag, erg gevaarlijk, het regent). De Italiaan maakt een gebaar wat De Wolf moet kalmeren en verdwijnt weer.

“Ik ben populair. Proberen vriendelijk te zijn. Ik heb dat van jongsaf aan. Als ik train en ik rij door de streek, dan zeg ik gedag en ik zwaai. Ik kom populair over omdat de media me zo afschilderen. Museeuw is een hele goede renner, Van Hooydonck ook, maar ze hebben geen uitstraling. Ik ben altijd vrolijk, ja. Dat zien de mensen. Als je nu naar buiten kijkt, het is slecht weer en je begint al te treuren. Daar heb je niets aan. Ik kan daarom goed tegen kou en regen. Maar het is nu geen wolvenweer. Dan is het ook koud. Het is nou gewoon gevaarlijk.”

De Wolf gooit het laken van zich af, springt uit bed en loopt naar het raam. “Jongens, het zal gevaarlijk worden voor hem. Maar goede benen en goede kop erop, Dan is zo'n dag zo voorbij.”