Heilige maagd

In de bergen rond Rapallo, in de buurt van San Agostino, verscheen mij een keer de Heilige Maagd.

Op een zomermorgen klauterde ik jaren geleden een ezelspaadje op. De zon stond nog niet al te hoog aan de hemel. Geurige kruiden. Vijgebomen die weezoet ruiken en olijfbomen uit de tijd van Jezus. À la Van Gogh heb ik een gerafelde strohoed op en een veldezel onder mijn arm; ik ben tenslotte zelf schilder en vooral nog erg jong. En dan zie ik haar. De Heilige Maagd. Ze is niet veel ouder dan zestien jaar. Op haar hoofd draagt ze een ovale mand met bloemen en vruchten. Een aureool van licht om haar heen. Geruis van violen. Een dameskoor? Ze glimlacht me toe omdat ik vol devotie in de greppel neerkniel. Mijn knie wordt nat. Ze schiet in de lach maar ik durf haar niet aan te kijken. Ontspringt hier, zoals bij het meisje Soubirous in Lourdes indertijd, Heilig Water? Blijf ik hier dan altijd in een bedevaartkapelletje wonen als de heilige Jean-Paulus en word ik wijwaterspecialist en ziekenschilder? Ik durf haar na te kijken. Dat eenvoudige halfverschoten blauwe rokje. Die bruine, bijna mollige schouders. Die heupen die zich moeten inhouden om net niet iets te gewaagd te wiegen.

Maria weg. En het Heilige Water komt regelrecht uit de gootsteen van een krijsend wijf dat een kat met een braadpan slaat: “La cretina ha divorato la mia bistecca.”

Marie. Die andere Maria van ook heel lang geleden die tegen me loog dat ze nog maagd was en me uitnodigde te onderzoeken “of ze nog rein was dan wel reeds bezocht...” Ik begreep toen al dat een echte maagd een dergelijke uitnodiging nooit zou versturen. Maar goed. Ze was net zo mooi als mijn Heilige Maagd van Rapallo. We deden het daarom overal. Waar we ook maar een gaatje vonden. Als het ware ter land, ter zee en in de lucht. “Alles is anders dan het wordt verwacht.” Er zal wel weer iets tussen zijn gekomen. Zo gaat dat nu eenmaal met de lekkere dingen van het leven.

En dan gebeurt het. Meer dan dertig jaar later gaat bij mij in de Cornelis-Schuyt-driehoogachter de telefoon. Marietje. Marietje? Ik ken geen Marietje. Marietje, Je weet wel. Van vroeger. Van héél vroeger. Waar ik zo goed bevriend mee was in heide en veld, langs de zee en aan het strand. O, verdraaid. Marie. Natuurlijk, òf ik me haar nog herinner. Marietje, kind hoe gaat het? (Lange benen. Pikzwart haar. Dat verlegen giecheltje dat ze over zich had en dat haar zo aantrekkelijk maakte. Kuiltjes in de kin. Ook mooi.) Ik reken snel uit hoe oud ze nu is. Zeventien was ze. Achttien was ik. We wogen samen iets meer dan honderd kilo, nu weeg ik het allemaal alleen. Wat ik doe in het dagelijkse leven. Dat en dat. Getrouwd? Nou niet bepaald, nee. Kinderen? Dat wel. Ja waarom niet. Dus nog steeds zo vrijgevochten? Zij heeft ook kinderen. Haar jongste is nu zeventien. Net zo oud als zij vroeger toen wij... Ja, ja.

Wanneer zien we elkaar? Ja, wanneer eigenlijk. Ze woont niet in Amsterdam maar vlakbij. We zouden morgenavond kunnen gaan eten. Ik weet dat nog niet zo direct. Ik voel er niet zoveel voor. Zo lang geleden. Wat geweest is is geweest. Doe niet zo flauw. Wat kan ons nu gebeuren. Even bijpraten na al die jaren. Goed dan. Morgenochtend. Tien uur bij Keyzer naast het Concertgebouw. Een veilige afspraak vind ik, koffie met appelgebak en flink veel slagroom. Ik wordt toch nooit meer dun.

Achter de leestafel zit een meneer en verderop, half achter een gordijn, een scheel meisje. Ochtendstilte. Triest begin van een cafédag. Koffie. Ik wacht nog even met de appelpunt. Ik zit op een strategische plaats. Daar is ze. Haar nog pikzwart. Ze kan net door de draaideur. Lang, zwaar en dik. Een matrone waar ik wel eens van droom om daarna badend in het zweet wakker te worden. Ze kijkt spiedend in het rond. Gaat in de buurt van de draaideur zitten en houdt die goed in de gaten.

Ik weet wat me te doen staat. Ik roep de ober en ga afrekenen. Weer de draaideur. Een kennis uit het concertgebouworkest groet me joviaal: “Hé, Jean-Paul.” Marietje kijkt op. Ze ziet me. Wat een schrik. Ze komt naar me toe. Ze kijkt me aan met tranen in de ogen: “O, wat erg. Wat afschuwelijk. O, wat erg, wat erg.”