HARTVEROVERENDE HEKSENVLIEGERS

Kauwen in de spiegel door Achilles Cools 156 blz., Lannoo 1992, f 29,50 ISBN 90 209 2054 5

"Die zat midden op de steenweg, zei de jongeman terwijl hij mij een kartonnen doos overhandigde. Ik wist meteen dat er iets levends inzat. Mijn hand greep een mormel uit de doos dat op een reptiel met duivelsharen leek. Het bleek een kauw, maar wat zag hij er gehavend uit! Zijn slagpennen waren geknipt tot op het vleugelbot. De staart was helemaal versleten van het tegen tralies op springen. Alle overige veren hingen slordig aaneengekoekt in bruingrijze klissen. Zijn kruin was kaalgepikt .... Kortademig zat hij als een goudvis te gapen en door de dunne bevedering was hij nog verkouden bovendien.''

Zo beschrijft de Vlaamse kunstenaar Achilles Cools zijn eerste kennismaking met de kauw die hij toepasselijk Scharminkel doopte. Het zielige gedrocht werd in de revalidatieruimte onder een infrarode lamp gezet, kreeg medicijnen en ging in bad. Wekenlang schrokte het ontzaglijke hoeveelheden eten naar binnen en uiteindelijk, toen het verenkleed was aangegroeid, ontpopte Scharminkel zich tot een glanzende zwarte schoonheid, die zijn beterschap de hele dag in triomf moest vieren. ""Hij had een vreemde, Don Quichote-achtige blik,'' merkt zijn baas op, ""waarmee hij een wereld vol ongekende en onvervaard getarte gevaren tegemoet zag.''

Scharminkel werd liefdevol opgenomen in de kolonie van zo'n vijftig, vaak uit vogelasiels afkomstige kauwen die Cools in de loop der jaren rond zijn huis had opgebouwd. Hij werd buitengewoon tam en stond regelmatig op de ruit te tikken. Soms, als zijn vrouw niet in de buurt was, liet de schilder Scharminkel stiekem binnen. Die zat dan zielstevreden op de leuning van zijn stoel te dommelen, waarbij hij door één oog de kunstpogingen bekeek.

Scharminkel ontwikkelt een manie voor kleuren, sleept alle mogelijke kleurige spulletjes mee naar huis en op een dag in het voorjaar blijkt hij het hyacintenveldje van de buren keurig te hebben onthoofd en gesorteerd, de blauwe aan de ene, de witte aan de andere kant. Hij besluipt slapende honden en trekt ze aan hun staart, houdt de haan voor de gek door hem telkens door het gaas heen stukjes kaas voor te houden om hem dan zodra het beest toehapt, vlug bij zijn rode lellen te grijpen en zelf de kaas door te slikken.

Misschien zijn kauwen eigenlijk te intelligent voor de rol die hen in dit stadium van de evolutie is toebedacht. Typerend is het voorval met de kauw van Cools die de ruim negentigjarige buurman besteelt als die zijn huissleutel een ogenblik op de regenput legt om zijn fiets in de stal te zetten. Klapwiekend kijkt de kauw vanuit de kersenboom toe en vliegt dan tergend traag heen en weer met de sleutel in zijn bek. De grijsaard vloekt en tiert, smijt woedend met zijn pet die in de dakgoot belandt. De kauw deponeert de sleutel keurig netjes in de pet en kijkt dan vrolijk toe hoe de oude man moeizaam de ladder uit de geitestal sleept om zijn pet, met daarin zijn sleutel, terug te halen.

TOEGEWIJD

Kauwen zijn vanouds weinig populair. Ze zijn zwart, en eng. Volksnamen als "zwarte soep' - naar de vroegere bestemming van de jonge vogels - of "heksenvlieger' en "zwarte dief' spreken boekdelen. Weinig mensen weten dat in deze alledaagse straatschooiers zulke intelligente, speelse, toegewijde sociale kolonievogels schuilen. Zelden vindt men onder dieren zo'n hoog ontwikkeld familieleven en zo'n sterke sociale band als bij de kauw en daarover is, afgezien van Konrad Lorenz, nog maar weinig geschreven.

Kauwen in de spiegel is een poging om dat goed te maken. Het is een prachtig verslag van jarenlange pogingen om door te dringen in het geheime leven van een doodgewone vogel. Achilles Cools is de hele dag omringd door zijn nonnekes. Op een dag komt hij op het idee om een spiegel op het dak te zetten. Wekenlang amuseren de kauwen zich kostelijk, zitten gekke bekken te trekken en bekijken zichzelf vanuit allerlei poses, kop links, kop rechts, of nemen bijvoorbeeld een boomblad in hun snavel om er leuker uit te zien. Kennelijk beschikken kauwen over een goed ontwikkeld gevoel van zelfbewustzijn, zoals de mens dat maar zelden aan dieren toekent.

Kauwen in de spiegel is een degelijk boek. Het behandelt geluiden en gebarentaal, lichaamstemperatuur en vliegcapriolen, sociale structuur en agressie, liefde en trouw. Cools kent zijn kauwen van haver tot gort, aan hun manier van vliegen en lopen, aan allerlei details. Elk jaar bemoeit hij zich met het grootbrengen van enkele magere of te vroeg uit het nest gesprongen jongen in de kolonie rond zijn huis. Daardoor herwint hij iedere lente opnieuw het vertrouwen van zelfs de schuwste vogels. En dan wordt die engerd die in andere jaargetijden op ladders klimt en in nestkasten neust, in de lente toch weer geaccepteerd als een eigenaardig soort alfahulp-dier dat voedsel strooit, en soms zelfs als een vleugellamme soortgenoot.

Zo dringt Cools door in de strikte hiërarchie van de kolonie, waarin iedere kauw precies zijn plaats weet en die ook via allerlei toepasselijke dreighoudingen verdedigt. Wie zo'n dreighouding het langste volhoudt mag zichzelf overwinnaar noemen, echt gevochten wordt er nooit.

Een kauwenliefde duurt een leven lang. Mislukt het eerste broedseizoen, dan willen kauwenpaartjes nog wel eens uit elkaar gaan, maar hebben ze eenmaal de slag te pakken, dan blijven ze bij elkaar. Partners zijn vrijwel onafscheidelijk, ook buiten het broedseizoen, en spreiden jaar in jaar uit een in het dierenrijk ongekende toewijding en tederheid ten toon. Ze blijven hun hele leven voor elkaar baltsen. Als een van beide te oud of te ziek is om nog te paren blijven partners als trouwe vrienden bijeen, krauwen elkaars halsveren, zitten samen op stok. Intussen wordt de gezonde partner vanuit de kolonie vaak overstelpt met seksuele aanbiedingen, maar gaat daar niet op in. De plotselinge dood van een van beide kauwen stort de achterblijver meestal in een diepe depressie, die zijn levenslust en zijn aanzien in de kolonie verwoest. Zijn status valt tot op de bodem van de rangorde. Vaak hertrouwen ze ten slotte wel, waarbij een weduwe echter nooit een partner van lagere rang zal kiezen.

INCEST

Overspel, driehoeksverhoudingen en homoseksuele relaties komen bij uitzondering voor, meestal bij paren waarvan het broedsel vaak mislukt. Incest, necrofilie en partnerruil ontbreken, anders dan bij sommige andere vogelsoorten. Een door mensen groot gebrachte kauw richt zijn verliefdheid vaak op mensen (en vliegt die met de beste bedoelingen soms angstaanjagend in de haren).

Met behulp van allerlei geluidsapparatuur analyseert Cools een enorm repertoire aan geluiden, van de "poehaschreeuw' tot de "verloren-kind-roep'. Elk geluid van een kauw biedt afhankelijk van de context een heel scala aan betekenissen, net zoals een eentonige autoclaxon "Pas op' kan betekenen, maar ook "Hallo, Lichten aan, Dank u'' enzovoorts. Daarbij kunnen kauwen verbluffend goed imiteren.

Tien portretjes van de meest karakteristieke kolonieleden maken het boek compleet. Naast Scharminkel vinden we hier ondermeer Dittekor, die op auto's valt en helemaal uit zijn dak gaat als op een dag zo'n zwarte gevleugelde Amerikaanse lijkwagen met vier ravenzwarte dragers pal onder zijn uitkijkstek parkeert. Verder Roetert, de geboren pechvogel die nu eens in de schoorsteen en dan weer in de open regenput tuimelt. Mozart, de muzikale hoogvlieger, en Fira, de glamourqueen van de kolonie.

Toch is het niet de bedoeling van dit boek om de dieren allerlei menselijke eigenschappen toe te dichten, maar veeleer om te ontdekken hoeveel dierlijke erfenissen de mens nog in zich draagt. In elk geval hoef je je met een tuin vol kauwen nooit te vervelen.