Gemeenschappelijk ouderschap lesbische paren niet mogelijk

ROTTERDAM, 11 JULI. Lesbische paren kunnen zich niet op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beroepen om samen de ouderlijke macht te krijgen over een kind dat ze opvoeden. Dit heeft de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in Straatsburg uitgesproken. De commissie bevestigt hiermee het oordeel van de Hoge Raad in deze zaak.

Twee Nederlandse vrouwen die sinds 1984 samenwonen en sinds 1986 samen het kind van een van hen opvoeden, voeren al jaren een juridisch gevecht om gezamenlijk de ouderlijke macht over het kind te krijgen. Ze worden hierin bijgestaan door het proefprocessenfonds Rechtenvrouw. In Nederland hadden ze tot en met de Hoge Raad ongelijk gekregen. Nu de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens hun beroep niet gegrond heeft verklaard, kunnen ze niet verder hogerop.

De commissie stelt in een korte motivering van de uitspraak dat het lesbische paren volgens de Nederlandse wet wel is toegestaan om samen te wonen, maar dat daaruit geen recht op een gezinsleven in juridische zin kan worden afgeleid. De commissie vindt niet dat er sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van gemengde paren.

Het Clara Wichmann Instituut, een wetenschappelijk instituut voor vrouw en recht, is teleurgesteld over de uitspraak omdat die zou indruisen tegen de liberale tendens die zich de laatste jaren in Nederland heeft ontwikkeld. Zo was er begin dit jaar een uitspraak van de rechtbank in Leeuwarden in een vreemdelingenrechtzaak. Hierin werd aan een Amerikaanse vrouw die samenwoont met een Nederlandse vrouw en samen met haar een kind opvoedt, een verblijfsvergunning toegekend, omdat er sprake was van een gezinsleven. In het familierecht is het gezinsleven van ongemengde paren nog niet erkend. Er lopen nog verscheidene rechtzaken.