Europees staal verliest zijn glans

De Europese staalindustrie leek na jaren saneren hersteld van een diepe crisis. Maar de jaren negentig brengen niet de verwachte oogst. Aanhoudende overcapaciteit en concurrentie van goedkoper producenten maken een nieuwe saneringsronde aannemelijk.

Onder de "nationale industrieen' van Europa heeft de staalproduktie zich langzamerhand de rol van kruisdrager verworven. Terwijl nationale regeringen hun staalfabrieken nog steeds zoveel strategisch belang toekennen dat zij er met hun vingers nauwelijks vanaf kunnen blijven, heeft het al dan niet roestvrije staal zijn glans en spreekwoordelijke degelijkheid al lang verloren.

Op de resultaten van de Europese staalbedrijven zijn de afgelopen maanden roestvlekjes zichtbaar geworden. Hoogovens in IJmuiden maakte dit voorjaar een verlies van 51 miljoen gulden over 1991 bekend, nadat in 1990 nog een winst van bijna 300 miljoen was gemaakt. Grote Europese concurrenten als Krupp Stahl en Hoesch in Duitsland en het Franse Usinor Sacilor boekten een gemiddelde winstval van meer dan 70 procent. British Steel beschouwd als het financieel sterkste staalbedrijf in Europa leed in het boekjaar 1991/1992 zelfs een verlies van 55 miljoen pond (180 miljoen gulden).

De ongunstige resultaten komen net nadat de staalindustrie met een tweetal vette jaren de indruk had gewekt voorgoed te hebben afgerekend met een bijna permanente crisis. Door technologische verbeteringen, kostenbesparingsprogramma's en drastische saneringen (in de jaren tachtig verdwenen 250.000 banen in de Europese staalindustrie) overleefden de staalbedrijven de recessie en wisten ze de opmars van alternatieve materialen (kunststoffen, aluminium) redelijk te stuiten. In de jaren negentig zouden de staalproducenten de vruchten moeten plukken van hun verscherpte (meaner and leaner) bedrijfsvoering en de grote investeringen in nieuwe produkten.

Dat optimisme werd indertijd ook gevoed door een rapport van de Nationale Investeringsbank uit 1990. De NIB concludeerde daarin dat voor Hoogovens na de magere jaren weliswaar geen vette maar wel behoorlijke jaren zouden aanbreken. Onderzoeker L. de Graaff van de NIB, een van de samenstellers van het rapport, blijft optimistisch: “Nog steeds ben ik van mening dat de vooruitzichten voor de staalindustrie redelijk goed zijn, omdat de behoefte aan staal de komende jaren blijft groeien zij het minder dan het BNP. De huidige inzinking is een correctie op de jaren '89 en '90, toen de staalindustrie zich boven de trend ontwikkelde.”

Behalve met een nauwelijks groeiende economie worstelt de Europese staalindustrie vooral met enkele diepgewortelde problemen. Ondanks de ingrijpende saneringen van de jaren tachtig is nog altijd sprake van een forse overcapaciteit bij de Westeuropese staalbedrijven, die nog eens wordt versterkt door een stroom van goedkoop staal uit Oost-Europa. Dat heeft een enorme prijzenslag tot gevolg. Daarbij komt dat de produktiekosten in Europa nog altijd aan de hoge kant zijn, vergeleken met staalbedrijven in het Verre Oosten, die steeds grotere concurrenten worden. Verder rukken goedkope, schrootverwerkende "mini-staalbedrijven' razendsnel op.

Betrokkenen en waarnemers zien de staalbedrijven aan de vooravond van nieuwe saneringen en reorganisaties staan. De topman van British Steel, Robert Scholey, liet het Duitse zakenblad Manager Magazin vorig jaar weten dat het aantal van 310.000 banen in Europa moet worden teruggebracht tot 245.000. Een iets voorzichtiger voorspelling komt van Hoogovens-directeur M.C. van Veen, toekomstig voorzitter van de raad van bestuur en brein achter het Masterplan waarmee Hoogovens aan drastische resultaatverbetering werkt: “Sluiting van installaties bij minder efficiente staalbedrijven is onvermijdelijk”.

Uit een studie die het management-adviesbureau McKinsey vorig jaar verrichtte voor de Europese Commissie blijkt dat de staalprijzen in Europa beduidend hoger liggen dan het gemiddelde op de wereldmarkt. De Japanse staalfabrikanten Nippon Steel is de grootste ter wereld zitten op het niveau van de meest efficiente Europese bedrijven. Het Zuidkoreaanse Posco, nummer drie in de wereld, produceert liefst 20 procent goedkoper.

Binnen Europa is het Franse Usinor Sacilor de goedkoopste en nummer twee in de wereld, met een prijs van 375 gulden per ton. Subtoppers zijn British Steel en het Duitse Thyssen met een tonprijs tussen de 375 en 435 gulden. De duurste producenten zijn Cockerill Sambre (Belgie), Voest Alpine (Oostenrijk) en Ensidesa (Spanje), die voor een ton staal tussen 510 en 750 gulden kwijt zijn. Hoogovens zit in de middenmoot met de Duitse collega's Hoesch, Krupp en Kloeckner, op een tonprijs rondom 480 gulden.

Pag.12: Hoogovens zoekt plaats aan Europese top; "Het is aantrekkelijk een moderne fabriek te openen, maar moeilijk om een oude te sluiten'

Op basis van Japanse management-methoden (kleine, flexibele ploegen instellen, betrokkenheid bij de bedrijfsvoering vergroten) begon Hoogovens in 1990 met de uitvoering van een plan tot kostenbesparing. Dat moet tegen 1995 leiden tot een honderd gulden lagere tonprijs en een plaatsje in de Europese top. In 1991 werd 150 miljoen gulden bespaard, een bedrag dat dit jaar waarschijnlijk ook wordt gehaald. Daardoor zal tegen het einde van het jaar de tonprijs al met zestig gulden zijn gedaald. Het aantal werknemers neemt dit jaar, zo verwacht Van Veen, van 15.000 af tot 14.000.

Hoogovens ligt ruim voor op het schema dat voorzag in een besparing van 500 miljoen in 1995. “De kans is groot dat wij in 1995 meer bereikt hebben dan wij aanvankelijk hadden gepland”, zegt Van Veen. Hoogovens heeft het bezuinigingsplan bewust aangescherpt tijdens de huidige concurrentieslag, die de verkoopprijzen sinds het hoogtepunt in 1989 met 30 procent omlaag heeft gejaagd en diep in de marges heeft gesneden. Van Veen: “De marktomstandigheden hebben de urgentie van ons bezuinigingsplan duidelijk vergroot.”

De prijzenoorlog is aangewakkerd doordat de markt in de voormalige Sovjet-Unie wegviel (goed voor zo'n 2 miljoen ton export per jaar) en door de import van laagwaardig maar goedkoop staal uit Oost-Europa en vooral Tsjechoslowakije. Volgens Van Veen levert de Oosteuropese uitvoer Hoogovens de komende vier jaar een hoop problemen op. “Maar later, als de economie daar op gang komt, ligt in Oost-Europa natuurlijk een geweldige markt. Veel Oosteuropese staalbedrijven zullen moeten sluiten om redenen van efficiency en milieu”, hoopt hij.

Ook zonder het staal uit het Oosten is het aanbod in West-Europa te groot. S. van de Bergakker, analist bij het onderzoeksinstituut IRIS van Rodamco en Rabobank, schat de overcapaciteit “uiterst voorzichtig” op 15 procent. Weliswaar zijn in de jaren tachtig ovens en fabrieken gesloten, maar tegelijkertijd hebben technologische vernieuwingen het proces efficiënter, goedkoper en energie-zuiniger gemaakt. Vooral het zogeheten continu-gieten, waarbij staalfabrieken de tussenstap van het blokken maken overslaan, heeft hun capaciteit enorm vergroot.

Dat het overaanbod moet worden aangepakt, staat voor betrokkenen als een paal boven water. “Het is te hopen dat de politiek en de ondernemers de huidige crisis aangrijpen om de staalindustrie te schoeien op de leest van concurrentie en efficiency”, zegt Van de Bergakker. In de praktijk betekent dit dat fabrieken dicht moeten en dat ondernemingen intensief moeten samenwerken om met investeringen geen nieuwe overcapaciteit te scheppen.

De studie van McKinsey leert dat de staalbedrijven in Spanje, België en Oostenrijk het duurst werken. Voor hun is de noodzaak tot rationeler produceren en bedrijfssluitingen het grootst. Van Veen: “In Spanje heeft de regering een overkoepelende organisatie aan het werk gezet om een oplossing te vinden voor de verliesgevende staalondernemingen. Met een verlies van 40 miljard peseta's (800 miljoen gulden) valt daar aan sluiting niet te ontkomen.”

Tegelijkertijd moeten beter renderende bedrijven samenwerken om de capaciteit te verkleinen. Krupp nam vorig jaar Hoesch over, wat volgens deskundigen ongetwijfeld het einde van enkele bedrijfsonderdelen betekent. Het Spaanse Aristrain heeft een joint venture met het Zweede Szenkt Stal. Hoogovens maakt in Duitsland gebruik van een dompelverzinklijn van de Duitse reus Thyssen.

Van Veen daarover: “Als die overeenkomst over enkele jaren afloopt en de markt weer wat is aangetrokken, bouwen we alsnog een eigen, nieuwe verzinklijn, waarop ook voor Thyssen wordt geproduceerd. Het is zeker zo, dat wij bij elke investering goed kijken wat anderen doen. Dat is vrij makkelijk te volgen door de openheid in deze bedrijfstak; onze chef hoogovens belt zo een collega in Engeland als hij een onbekend probleem tegenkomt.”

Hoe noodzakelijk sanering ook mag zijn, overwegingen van nationaal-politieke aard zouden haar in verschillende landen wel eens in de weg kunnen staan. De geest van protectionisme, traditioneel verbonden aan strategische goederen, waart nog steeds rond in de staalindustrie.

Terwijl de EG in 1980 met het Verdrag van Parijs ruim baan gaf aan de vrije-marktgedachte, bleef het beleid in de staalsector - nota bene sinds 1951 al gecoördineerd in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal - een sfeer van bescherming ademen, door staatssubsidies aan verliesgevende bedrijven, blokkade van goedkope import en prijsregulering.

En hoewel de prijsregulering alweer jaren geleden is afgeschaft en de Europese Commissie zich nu opwerpt als kampioen van de vrije markt, subsidiëren landen als Italië en Spanje hun industrie nog fors. In 1991 deed de Europese Commissie een inval bij de zogeheten "Z Club' van zes Europese staalgiganten (Hoogovens uitgezonderd) die met elkaar afspraken maakten over produktiehoeveelheden. Analist Van De Bergakker: “Ik vraag mij af wat de politiek doet als er werkgelegenheid in gevaar komt. Door de ontwikkeling van de technologie is het aantrekkelijk om een moderne fabriek te openen, maar het is heel moeilijk om een oude te sluiten.”

Schaalvergroting lijkt het antwoord op de verhevigde concurrentie voor de staalindustrie, die zowel van buiten als van binnen Europa komt. Volgens deskundigen blijft de staalmarkt instabiel zolang er nog relatief veel kleine nationale bedrijven bestaan in Europa. In vergelijkbare bulkindustrieën, zoals de olie en de chemie, nemen vier ondernemingen zo'n 80 procent van de totale produktie voor hun rekening. In het staal zijn dat er maar liefst tien.

Maar fusies zijn nog niet vanzelfsprekend, althans, niet internationaal. Vorig jaar moesten het Luxemburgse Arbed en Cockeril onder druk van de Belgische politiek hun fusieoverleg afbreken. Voorlopig ziet het er naar uit dat staalfusies alleen binnenlands gebeuren, zoals in Duitsland met Krupp en Hoesch en in Italië, waar een aantal staalbedrijven zich schaarde onder de vlag van Ilva. Vooral de Duitsers, die met 40 miljoen ton een derde van de Europese staalproduktie voor hun rekening nemen, weigeren vooralsnog te praten over internationale fusies.

Een speciale bedreiging vormen de zogeheten mini-mills, goedkope kleine staalfabrieken die de laatste jaren sterk in opmars zijn. Geïntegreerde staalfabrieken als Hoogovens beheersen de gehele bedrijfskolom van ijzererts, via ruwijzer tot staal (knuppels of plakken), dat in de warmwalserij tot lange (bij voorbeeld betonstaal) of platte produkten (staalplaat) wordt verwerkt en in de koudwalserij wordt verfijnd tot produkten voor onder meer auto- en wasmachinefabrikanten. Mini-mills hebben geen grote hoogovens nodig. Ze verwerken met behulp van elektriciteit ijzerschroot tot laagwaardige produkten (zoals betonstaal), die "vooraan' in het produktieproces zitten.

De laatste jaren worden mini-mills ook actief in de hoogwaardiger segmenten. Daarmee kapen zo marktaandeel weg van de gentegreerde bedrijven. Het Amerikaanse bedrijf Nucor is volgens deskundigen al heel ver met de technologische ontwikkeling. “Het is nog middelmatig wat zij maken, zeker niet goed genoeg voor bijvoorbeeld de auto-industrie. Maar het is een interessante ontwikkeling die wij heel goed volgen, want de methode is goedkoop en bovendien wordt er gewerkt met kleine business units, wat veel flexibeler is”, zegt Van Veen.

Dat er alle reden is om de mills goed te volgen, bewijst de Amerikaanse markt. Al jaren heerst in de VS een verbitterde concurrentiestrijd, die in tien jaar tijd zo'n 210.000 van de 380.000 banen heeft gekost. Gentegreerde staalgiganten als Bethlehem Steel en LTV, dat aan de rand van het bankroet staat, hebben grote moeite met de toevloed van het goedkope staal. Veel Amerikaanse bedrijven hebben om die reden niet alleen een forse sanering ingezet, maar zijn ook in joint ventures aangekropen tegen de rijke Japanse bedrijven. Vorige week heeft Florida steel zich zelfs laten overnemen door het Japanse Kyoei Steel.

Europese bedrijven moeten door de opmars van de mills vluchten uit bulkgoed en overschakelen op gespecialiseerde produkten die hoge investeringen vergen. De staalbedrijven moeten veranderen van pure ijzerverwerkers tot fabrikanten van kant-en-klare produkten en hun klanten zoeken op nieuwe markten. British Steel, nog erg afhankelijk van de thuismarkt, kocht vorig jaar de Troisdorf-divisie van het Duitse Kloeckner om toegang te krijgen op het continent.

Hoogovens heeft de afgelopen jaren, op weg van bulk naar gespecialiseerd produkt, onder meer een 40 procentsbelang in de koudwalserij en vertinnerij Norsk Blikkvalseverk genomen met de bedoeling het bedrijf later helemaal over te nemen. Ook in de produktie van blikjes en andere verpakkingsmateralen hoort Hoogovens muziek. “Het moet niet worden uitgesloten dat een van onze ijzerertsinstallaties aan het eind van haar levensduur voorgoed wordt gesloten en niet vervangen”, zegt Van Veen, “maar dan praten wij over misschien wel twintig jaar”.

De ontwikkeling van hoogwaardige produkten wordt ook afgedwongen door afnemers die voldoende alternatieven voorhanden hebben. Vooral de auto-industrie stelt telkens hogere eisen; staalplaat moet bij voorbeeld dunner - dus lichter - worden, door betere coatings moet het materiaal langer roestvrij kunnen blijven. Hoogovens heeft met hulp van Nippon Steel de "bekleding' van staal op een zo hoog peil gebracht dat de fabriek mag leveren aan de zeer kritische Japanners. Daarnaast gokt Hoogovens ook op een goede positie in de aluminiummarkt, een metaal met een grotere groeipotentie.

Juist de ontwikkeling van nieuwe produkten door de staalindustrie bracht de NIB twee jaar geleden tot gematigd optimisme, vooral omdat het jaarlijkse tempo waarin het aandeel van staal in industriële produkten afneemt van 2,9 procent terugliep tot nog maar 1,6 procent per jaar. Ondanks de stevige koersval van vorige week overheerst ook bij Hoogovens het vertrouwen: “De totale hoeveelheid staal neemt niet veel toe, maar de toegevoegde waarde wel”, zegt Van Veen.