Een vlot begin bepaalt verloop van de studie

Universitaire studenten studeren sneller af dan vroeger. Daarbij lopen studenten geneeskunde, wis- en natuurkunde en technische wetenschappen voorop.

ROTTERDAM, 11 JULI. Zeven jaar nadat zij in september 1983 met de studie waren begonnen, heeft 59 procent van de universitaire studenten de bul gehaald. Een jaar eerder, aan het eind van het studiejaar 1988-1989, was nog maar 46 procent van de voltijdstudenten afgestudeerd. Voor de invoering, in 1982, van de twee-fasenstructuur was ongeveer 20 procent na zes jaar en 30 procent na zeven jaar klaar met de universitaire studie. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Met de invoering van de twee fasenstructuur werd onder meer een aanzienlijke verbetering van het rendement beoogd. Van de eerstejaars zou 80 procent de propaedeuse moeten halen. Die doelstelling is bijna gehaald (van de studenten 1983-1984 heeft 72 procent na twee jaar de propaedeusebul). Uiteindelijk zou dan 70 procent in zes jaar dienen af te studeren, een percentage dat behalve in enkele studierichtingen en alleen aan de Maastrichtse Universiteit ook in zes jaar wordt gehaald.

Uit onderzoek dat het CBS doet naar de studieresultaten van diegenen die in 1983 met de universitaire studie begonnen, blijkt dat geneeskunde, wiskunde en natuurwetenschappen en technische wetenschappen de vakken zijn waarin studenten het vaakst en het snelst afstuderen. Dat is ook het geval als niet wordt uitgegaan van het aantal eerstejaars maar van het aantal studenten dat de propaedeuse heeft gehaald. Dan heeft van de drie genoemde disciplines respectievelijk 79, 65 en 55 procent van de studenten na zes jaar het doctoraaldiploma en 87, 79 en 74 procent na zeven jaar. Bij letteren was dat na zes jaar 49 procent en na zeven jaar 62. Bij rechten zijn die percentages 46 en 64, bij economie 49 en 66 en bij sociale wetenschappen 49 en 64 procent.

Het aantal studenten dat afstudeert van de lichting 1983-1984 zal uiteindelijk nog iets hoger uitvallen. Volgens een opgave van de universiteiten zelf is nog 15 procent als auditor of extraneus ingeschreven. In het studiejaar 1991-1992 tellen de universiteiten 8.247 auditoren (studenten die hun inschrijvingstijd hebben verbruikt, hoger collegegeld betalen en geen recht meer hebben op studiefinanciering) en 9.432 extraneï (studenten die nog wel examens mogen doen maar geen onderwijs meer mogen volgen). Een jaar eerder waren er 4.621 auditoren en 7.947 extraneï ingeschreven, zo blijkt uit cijfers van het CBS.

Het onderzoek van het CBS laat zien dat de vraag of een student wel of niet binnen één jaar zijn propaedeuse haalt gedeeltelijk door de universitaire administraties wordt bepaald. Vaak krijgt de student pas de bul na de vakanties en wordt dan ook pas na 1 september geregistreerd. Zo is het percentage dat bij landbouwwetenschappen voor 1 september 1984 de propaedeusebul kreeg, nul maar had drie maanden later 51 procent haar.

Van alle studenten die hun propaedeuse haalden (en 79 procent van de lichting slaagde in drie jaar) deed 41 procent dat voor 1 september 1984. Maar binnen 15 maanden na het begin van de studie had van de geslaagden 56 procent formeel de propaedeuse en nog eens 3 maanden later 65 procent.

Het tempo waarin de propaedeuse wordt gehaald doet er in het vervolg van de studie behoorlijk toe. Van de studenten die in één jaar de propaedeuse haalde had 11 procent na vier jaar studeren de doctoraalbul; van degenen die tussen één en anderhalf jaar over de propaedeuse deden studeerde maar 3 procent na vier jaar af. Na vijf jaar studeren blijkt verschil veel groter te zijn: 39 tegen 20 procent (terwijl dan pas 8 procent van de studenten die twee jaar over de propaedeuse deden de doctoraalbul heeft).

Naarmate langer over de studie wordt gedaan, doet de tijd dat er over de propaedeuse is gedaan er minder toe. Eind 1990 is het percentage dat na een nominale propaedeuse (één jaar) afstudeert in de exacte studierichtingen niet of nauwelijks hoger dan dat van studenten die er anderhalf jaar over hebben gedaan. In de alfa- en gammahoek zijn die verschillen wat groter. Wel heeft ook na zeven jaar maar zo'n 30 procent van de studenten die langer dan 2 jaar over de propaedeuse deed (het gaat dan maar over zo'n tien procent van degenen die de propaeudeuse hebben gehaald) het doctoraalexamen gedaan.