DE VROUW ALS NIET BESTAANDE MENSENSOORT

De prijs van de liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis door Marianne Braun 443 blz., Het Spinhuis 1992, f 45,-- ISBN 90 73052 33 5

Wie verslagen van buitenlanders over de Republiek der Verenigde Nederlanden leest, komt steevast bewonderende opmerkingen tegen over de vrijheid en zelfstandigheid van de Nederlandse vrouwen. Buitenlanders spraken bijvoorbeeld hun verbazing uit over het feit dat Nederlandse vrouwen in het openbaar mochten kussen, en dat ze uit wandelen konden gaan zonder begeleiding. Maar vooral hun kennis van zaken was opvallend. Ze beheerden bedrijfjes en vrouwen uit gegoede kringen speelden zelfs een rol in het openbare leven als regentessen van weeshuizen en ziekenhuizen. Hun bezit was in het algemeen goed beschermd en ze hadden het recht goederen te erven en te vermaken.

Toch waren vrouwen in zekere zin tweederangs burgers: ze kwamen niet in aanmerking voor politieke functies, en als ze waren gehuwd, waren ze handelingsonbekwaam, wat wilde zeggen dat ze geen officiële transacties konden verrichten zonder de handtekening van hun echtgenoot. In de praktijk gold dat overigens niet voor de koopvrouw.

Tot ver in de achttiende eeuw was de ondergeschikte positie van vrouwen volstrekt vanzelfsprekend, zo vanzelfsprekend dat zelfs nergens expliciet stond vermeld dat ze niet in aanmerking kwamen voor bestuursfuncties. De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 bracht in deze situatie geen verandering, en het eerste Burgerlijk Wetboek van 1838 evenmin. Maar in de loop van de negentiende eeuw gingen steeds meer stemmen op om de bestaande wetgeving te wijzigen. Het eerste gevolg daarvan was dat vrouwen expliciet van kiesrecht en openbare ambten werden uitgesloten. Pas na langdurige politieke strijd werd een gelijkwaardige juridische positie bereikt.

Een gedeelte van die strijd vormt het onderwerp van De prijs van de liefde, het proefschrift waarop Marianne Braun dit voorjaar promoveerde. Ze doet daarin verslag van de politieke strijd rond het huwelijksrecht in de periode 1870-1922, de tijd van de eerste feministische golf, die eindigde met de verankering van het vrouwenkiesrecht in de grondwet.

Hoewel het een proefschrift betreft, is de toon niet droog-wetenschappelijk, maar eerder die van oorlogsverslaggeving: vrouwen slaan gedurig ””bressen in hun onderwerping aan hun echtgenoot''. Niet zonder venijnige ironie wijst Braun op de inconsequenties in de negentiende-eeuwse huwelijkswetgeving, en hoe de verdedigers van de bestaande orde zich in bochten moesten wringen toen de feministen van het eerste uur een en ander aan de kaak stelden. Deze passages zijn helder en ook niet onvermakelijk, al is er wel sprake van overkill. Bovendien staat het boek iets te vol met citaten van negentiende-eeuwse mannen die voor de huidige toehoorder zot aandoen, en vooral de daaraan gekoppelde verongelijkt-heid (””zo veroordeelden beide liberale staatsrechtgeleerden de vrouw hier eenvoudig tot een niet bestaande mensensoort'') wordt op den duur enigszins vermoeiend. Relativering, in de vorm van verwijzingen naar de toenmalige dagelijkse werkelijkheid of vergelijkingen met het buitenland, ontbreekt nagenoeg.

STOORZENDER

Feministen van de eerste golf ijverden voor de erkenning van de vrouw als volmondig burger. Ze streefden naar betere onderwijs- en arbeidsmogelijkheden, naar kiesrecht, en naar een verbetering van de positie van gehuwde vrouwen. Braun concentreert zich op dat laatste aspect, maar beschrijft het feminisme wel als onderdeel van de algemene politieke strijd om rechtvaardiger sociale verhoudingen. Hoewel de ideeën van feministische critici soms overeen kwamen met die van politici ter linkerzijde, fungeerde de vrouwenbeweging in die strijd overigens vooral als ””te moderne'' stoorzender.

Toen het idee van staatsinterventie als middel om de zwakkeren in de samenleving te beschermen aanvaardbaar was geworden, werd in de eerste plaats gedacht aan kinderen en vrouwen. Maar feministen waren tegen een aparte bescherming van vrouwen. Ze wilden dat mannelijke en vrouwelijke werknemers, gehuwd of niet, op dezelfde wijze zouden worden beschermd.

De fanatiekste verdedigers van de bestaande orde waren uiteraard de confessionelen, maar niet zelden, bijvoorbeeld in discussies rond het arbeidsrecht, vond de vrouwenbeweging ook sociaal-democraten tegenover zich. Terwijl het feministische standpunt luidde dat zonder de ontvoogding van de vrouw de bevrijding van het proletariaat niet mogelijk was, meenden de sociaal-democraten dat de arbeidsvrouw slechts één vijand had: het kapitalisme. Strijd tegen de man, ook al was hij wel eens dronken en sloeg hij van tijd tot tijd, doorkruiste slechts de klassenstrijd.

Het belangrijkste twistpunt rond het huwelijksrecht, dat in 1838 was vastgelegd in het eerste Burgerlijk Wetboek, werd de zogenaamde ”maritale macht' van de man, die dateerde van ver voor de negentiende eeuw en oorspronkelijk was bedoeld om de meestal nauwelijks geschoolde vrouwen te beschermen. De consequentie was dat de vrouw haar echtgenoot gehoorzaamheid schuldig was: hij was het hoofd van de echtvereniging en hij trad namens haar op in het rechtsverkeer.

De feministische beweging vond het ongerijmd dat vrouwen om dezelfde rechten te bezitten als mannen ongehuwd moesten zijn. En dat terwijl ongetrouwde vrouwen in sommige kringen juist werden beschouwd als ””onvolkomen menschen''.

Het recht ging er trouwens niet van uit dat vrouwen fundamenteel ongeschikt waren om hun eigen zaken te regelen. Alleen op het politieke vlak werd de vrouwelijke sekse structureel onbekwaam geacht. Maar vrouwen die huwden, gingen een contract aan waarbij ze in ruil voor zekerheid en bescherming rechtens opgingen in de persoon van hun man, en de staat had daarna uitsluitend met hem te maken.

WILHELMINA

Rond 1900 werd het huwelijksrecht even een nationale kwestie, doordat de positie van het staatshoofd er door in gevaar dreigde te komen. Wat moest er gebeuren als prinses Wilhelmina zou trouwen? Er werd gesuggereerd dat ze dan hoofd van de echtvereniging zou moeten worden, maar eigenlijk kon dat niet: het zou een belediging zijn voor haar toekomstige man. Dat gold in het algemeen voor speciale wetten die ervoor moesten zorgen dat de kroonprinses niet afhankelijk zou worden van haar echtgenoot.

Feministen speelden onmiddellijk op de kwestie in: ””Als de vrouw hoog genoeg staat voor koningin, dan staat zij ook hoog genoeg voor burgeres.'' Er werd voor gepleit om het huwelijksrecht in het algemeen te wijzigen, zodat er geen speciale wet nodig zou zijn voor Wilhelmina. Dat idee leek brede steun te krijgen, maar toen Wilhelmina zich verloofde met Hendrik van Mecklenburg werd uiteindelijk toch volstaan met een paar speciale maatregelen.

Braun legt in haar boek steeds de nadruk op het verband tussen pleidooien van de vrouwenbeweging en hervormingen. Ze wil voortdurend het gelijk van de feministen aantonen. Niemand zal haar dat bestrijden, natuurlijk waren de argumenten van de vrouwenbeweging redelijk (volgens onze normen), maar zoals bekend is redelijkheid in dit soort zaken zelden doorslaggevend. Fundamentele wijzigingen in het huwelijksrecht lieten daarom op zich wachten en het viel niet mee om al die tijd principieel te blijven: Aletta Jacobs, die de mening had onderschreven dat ””een vrouw die zichzelf respecteert onder de bestaande wetten geen huwelijk kan sluiten'', besloot uiteindelijk toch te trouwen.

Voor het tot wijziging van het huwelijksrecht kwam, werden vrouwen eerst volwaardige burgers op politiek en sociaal terrein. In 1907 werden ze in arbeidswetten op dezelfde wijze beschermd als mannen, waarbij ze tevens het recht kregen op het geld dat ze zelf hadden verdiend. Mede dank zij de angst voor een socialistische omwenteling kregen vrouwen in 1919 kiesrecht, zelfs als ze getrouwd waren. Maar pas de naoorlogse behoefte aan de arbeidskracht van gehuwde vrouwen leidde tot opheffing van hun handelingsonbekwaamheid, een opheffing die uiteindelijk in 1956 wettelijk werd vastgelegd.