De brave trompet en de ruige trombone

Concert: North Sea Jazz Festival, met o.a. Roy Hargrove, Grover Washington Junior, Dorothy Donegan en Wynton Marsalis. Gehoord 10/7, Den Haag.

“Dizzy maakt het goed en naar verwachting zal hij binnenkort weer in ons midden zijn,” verzekerde trombonist Slide Hampton zijn gehoor op het North Sea Jazz Festival gisteravond. De ster die daar in zijn plaats had moeten staan, is herstellende van een paar zware operaties. Voorlopig doet hij het op doktersadvies kalm aan. Maar zonder Dizzy Gillespie gaat het ook. Hamptons geruststellende mededeling kan het luistergenot naar het negen man sterke orkest alleen maar vergroten.

Vooruitlopend op de 75ste verjaardag van de trompettist toert de band nu in afwezigheid van de grote meester de wereld rond. Er wordt slim en behoedzaam toegewerkt naar het venijnige big band-geluid, dat in vijftien van de zestien eerdere North Sea Jazz Festivals de functie van een door Gillespie en de zijnen afgestoken openingsvuurwerk kreeg. In wisselende kwartetbezettingen bewijzen zestig-plussers als de saxofonisten James Moody en Jimmy Heath dat hun minimum het maximum overtreft van menig minder begenadigde collega.

In dezelfde band schitteren de 38-jarige Jon Faddis en het 22-jarige wonderkind Roy Hargrove op de trompet. Hargrove heeft een zware avond: omdat hij ook nog met zijn eigen kwartet speelt, staat hij met onderbrekingen van half zeven tot kwart over twaalf op de planken. Zijn grote voorbeeld Freddie Hubbard knikt goedkeurend als de exponent van de komende generatie een perfecte solo blaast. Zo hoort het. Hargrove draagt het juiste pak en hij speelt de goede noten, maar na drie kwartier is het toch verfrissend om in een belendend bijzaaltje het minder brave, ruige trombonegeweld van Joseph Bowie te ondergaan. Het begint er steeds meer op te lijken dat het niet de generatie van Gillespie is die uitsterft, maar dat dit lot de vrije improvisatoren en de aanhangers van de allerminst beschaafde energieschool is beschoren.

Een bezoek aan het grootste jazz-festival ter wereld leidt, zoals bij elke jaarmarkt, onherroepelijk tot vermoeide voeten. Het ervaren publiek sjouwt met klapstoeltjes door de gangen, soms een plastic koelbox met zich meetorsend, want het leven is al duur genoeg. Even best als het bier is de sfeer. Niemand moppert. Op de dertien verschillende podia voltrekt zich altijd wel iets dat het oor zal behagen. Vooroordelen sneuvelen en reputaties worden gevestigd.

Saxofonist Grover Washington Junior, die altijd sneller het hart van de popliefhebber wist te raken dan van de jazz-fanaat, overtuigt vreemd genoeg met een funky-vertolking van het sleetse Take Five. Het swingt en het klinkt lekker ordinair. Washington speelt met zoveel volume dat hij met wapperende broekspijpen achter de microfoon staat, maar zelfs de ouwelijke pijproker die naar Den Haag was gekomen om naar de kamerjazz van Dorothy Donegan te luisteren, zal moeten toegeven dat de man over een fabelachtige techniek beschikt.

Van de vele functies die het festival vervult is het doen van kleine en grote ontdekkingen niet de onbelangrijkste. Natuurlijk zijn het de grote namen die het meeste publiek trekken. Wynton Marsalis, Courtney Pine of de gebroeders Michael en Randy Brecker (voor het eerst in jaren weer samen te beluisteren) kunnen niet meer stuk. Zodra ze onder klaterend applaus in het licht van de schijnwerpers verschijnen hebben ze succes. Alleen al het feit dat deze coryfeeën weinig in Nederland spelen, maakt hun optreden tot een gebeurtenis. Voor het armlastige clubcircuit zijn ze al lang niet meer te betalen. De grootvaders van de jazz, met wie zij zich in populariteit kunnen meten, willen nogal eens op hun routine drijven. De mensen komen toch wel. Maar de jonge jazz-god Marsalis kan het zich nog permitteren nieuwe wegen in te slaan: de New Orleans-solo waarmee hij het concert opent, kondigt het zoeken naar avontuurlijker wegen aan dan het muzikale pad dat hij jarenlang bewandelde.

Terwijl Marsalis door een duizendkoppige menigte wordt toegejuicht, speelt het kwartet Klezmokum in de hal van het zalencomplex voor zo'n twintig toegewijde luisteraars interessante, eigentijdse interpretaties van traditionele joodse klezmer-muziek. Onverstoorbaar en zelfverzekerd, want bandleider en pianist Burton Greene draait lang genoeg mee om te weten dat kwaliteit zich niet verloochent.