De boze stiefmoeder

Ik zal nooit vergeten hoe ruim twaalf jaar geleden de bel ging en de twee dochtertjes van mijn vriend - toen vier en zeven - op de stoep stonden.

Met hun vader en een koffertje, want ze zouden komen logeren. Logeren werd al gauw om het weekend wonen, maar dat wisten we tijdens die eerste ontmoeting nog niet. Ik was behoorlijk zenuwachtig, had maar veel krentenbollen en chocola in huis gehaald, en hoopte dat ze het een beetje leuk bij me zouden vinden. De oudste van zeven brak al snel mijn verlegenheid door te zeggen: wat heb jij een lieve poes. Ik schijn een la ontruimd te hebben voor hun speelgoed, en zo is onze verhouding eigenlijk doorgegaan. We hadden niet om elkaar gevraagd, maar het is tussen ons gelukkig goed gegaan.

Hoe gecompliceerd dergelijke stiefverhoudingen kunnen zijn wordt mooi beschreven in de nieuwe roman van Ton Anbeek, "Een ander leven'. Het vormt een eigentijds thema, omdat echtscheidingen en daarmee stiefgezinvorming de laatste decennia zo snel zijn toegenomen. In 1990 waren er naar schatting van de Utrechtse socioloog Ed Spruijt in Nederland meer dan honderdduizend stiefgezinnen, en komen er jaarlijks ten minste tienduizend bij. Het aantal kinderen in stiefgezinnen bedraagt ruim tweehonderdduizend.

Het is deels een nieuw verschijnsel omdat er zoveel meer gescheiden wordt dan vroeger, maar het is ook een oud verschijnsel omdat men vroeger veel eerder stierf. Al jong werden mensen weduwnaar of weduwe, en bleven dan vaak met kleine kinderen achter. Twintig procent van de huwelijken was al na vijf jaar door vroege dood van man of vrouw beëindigd, en ongeveer eenderde van de huishoudens kende stiefverhoudingen, aldus de sociologe Lily Clerkx, aan wie ik deze gegevens ontleen.

De gezinssamenstelling van weduwnaar met kinderen en stiefmoeder overheerste. Vooral voor mannen was de noodzaak tot hertrouwen groot, omdat er voor de kinderen moest worden gezorgd. Weduwen waren beduidend minder trouwlustig. Boerenvrouwen waren gewend mannenwerk over te nemen, wat omgekeerd niet het geval was. Bovendien waren ze soms als weduwe beter af dan als getrouwde vrouw, want weduwen herkregen rechten als de voogdij over de kinderen, het beheer over vermogen en handelingsbekwaamheid, wat bij hertrouwen weer ingetrokken kon worden. Ze bleven dan ook soms liever weduwe of verkozen het klooster; een optie waar ik trouwens - me verplaatsend in vroeger - steeds meer begrip voor krijg. Bovendien, voegt Clerkx er aan toe, kon het ook, als ze zelf al kinderen hadden, een opluchting zijn om die risicovolle periode van baren af te sluiten.

Stiefverhoudingen kwamen niet alleen in werkelijkheid vaak voor, maar ook in sprookjes, en vooral de boze stiefmoeder is een bekende verschijning. Over sprookjes heeft Lily Clerkx een heel interessant boek geschreven, met als titel "En ze leefden nog lang en gelukkig'. Het onderwerp is het familieleven in sprookjes, en de auteur behandelt sprookjes als verhalen die iets te zeggen hebben over het leven in vroeger tijden; niet over de verdrongen wensen en fantasieën, maar over reële ervaringen, angsten en wensen van toen. Veel Westeuropese sprookjes gaan over problemen in familierelaties: over machtsconflicten tussen mannen en vrouwen, over verlaten kinderen en hindernissen bij bruidsverwerving, en ook veelvuldig over spanningen in stiefrelaties.

De kinderen worden in sprookjes vrijwel altijd slecht behandeld door de stiefmoeder. Ze krijgen slecht te eten, moeten hard werken, krijgen slaag, moeten onmogelijke opdrachten uitvoeren zoals aardbeien zoeken in de winter en de was spoelen in een bevroren vijver, en worden aan allerlei gevaren blootgesteld. Een goede stiefmoeder is Clerkx zelden tegengekomen. Als de stiefmoeder ook eigen kinderen heeft, worden deze duidelijk voorgetrokken (zie bijvoorbeeld Assepoester).

Waarom is dit zo? Wat zegt het over de verhoudingen vroeger? Volgens verschillende gezinshistorici leidde hertrouwen vaak tot spanningen en emotionele problemen. Vooral de verhouding tussen stiefmoeder en stiefdochter was vaak moeilijk, voor een deel omdat ze moesten samenwerken in het huishouden. Jongens konden haar makkelijker ontlopen. Maar daarnaast bestonden er vaak grote en intense rivaliteiten, van velerlei aard: om positie, om liefde en genegenheid, en niet te vergeten om de erfenis. De gezinshistorische literatuur zegt weinig over de redenen waarom nu juist de stiefmoeder zo boos en jaloers was, maar volgens Clerkx valt haar sprookjesgedrag wel te begrijpen.

De positie van de tweede vrouw was vaak een moeilijke: emotioneel - jaloezie op de band met de vorige vrouw - maar ook juridisch. De kinderen van haar man hadden een betere erfpositie, en als zij zelf kinderen had konden die bij hertrouwen benadeeld worden. Ze kon dus met recht vrezen dat haar eigen kinderen tekort werden gedaan en dat ze niet of minder zouden erven. De positie van de tweede vrouw was in het huwelijk niet alleen zwakker dan die van haar man, maar ook dan die van de eerste vrouw, en als beiden kinderen hadden was de positie van haar kinderen zwakker. Dat kon haar jaloers maken op de kinderen van haar man, en ertoe leiden dat ze haar eigen kinderen meer wilde toestoppen of anderszins naar voren schuiven (zoals met mooie jurken naar het bal sturen).

Maar hoe is het gesteld met de moderne stiefverhoudingen? Worden de eigen kinderen nog altijd voorgetrokken, zijn de "eerste bed dochters' van de man de nieuwe assepoesters, of hangt het assepoesterschap daar helemaal niet meer mee samen en is het meer een algemeen vrouwelijk gevoel geworden? Vroegere omstandigheden en juridische verhoudingen die door Clerkx als achtergrond gezien worden van de veelvuldig beschreven slechte stiefmoederverhoudingen zijn veranderd, maar is het daarmee als thema of als probleem verdwenen?

Ik denk van niet. Ik denk dat er voldoende overblijft aan problemen over loyaliteiten en rivaliteiten om als thema levend te blijven, in de literatuur en in werkelijkheid. Ook al is de vrees voor materiële en juridische achterstelling sterk op de achtergrond geraakt, daarmee is niet de jaloezie op de band met vorige geliefden verdwenen, noch de rivaliteit om liefde en genegenheid. En dit kan in stiefgezinnen behoorlijk ingewikkeld opspelen. Materiële verhoudingen kunnen veel invloed hebben op liefde, haat en afgunst, maar deze emoties hebben een taaier leven dan de materiële posities wettigen. En problemen rond loyaliteiten en rivaliteiten behoren tot de hardnekkigste soort.