COLUMBUS EN VERDER

1492 door Jacques Attali 296 blz., Schuyt & Co. 1992, vert. Tonja Kivits (1492, Fayard 1992), f 45,- ISBN 90 6097 312 7

Jacques Attali is een man die fascineert, irriteert, stimuleert, frustreert en vooral duizelig maakt door zijn grenzeloze ambitie en energie. Hij is zo bang om zich te vervelen dat hij zich nooit beperkt tot een enkele functie of bezigheid. Dat hij als directeur van de Oosteuropese Ontwikkelingsbank (EBRD) met een tachtig-urige werkweek ook in staat bleek een boek te schrijven over het ontstaan van Europa heeft niemand verbaasd. Hij had er per slot al vijftien geschreven, waaronder zeer intieme romans. Zelf beschouwt hij zich primair als intellectueel en pas daarna als politicus, econoom, bankier en raadsheer.

Als adviseur van president Mitterrand werden zijn veelzijdige talenten al duidelijk. Macht fascineerde hem meer dan ideologie. Attali was verantwoordelijk voor het uitstippelen van het buitenlands- en het defensie-beleid van de president, maar hij leek voor een bezoeker aan het Elysée in de eerste plaats op een cerberus: niemand ging het royale kantoor van de president in of uit zonder toestemming van de kleine, briljante en onrustige spin in het web.

Attali wist alles overal beter en had dan ook weinig vrienden. Zijn promotie, vorig jaar, naar de Oosteuropese Ontwikkelingsbank, kwam dan als een teleurstelling voor Nederland en Onno Ruding in het bijzonder, in Parijs slaakte menig ambtenaar een zucht van verlichting. Alsof er niets aan de hand is, publiceert Attali nu zijn historisch onderzoek met de titel 1492. Keurig getimed, vijfhonderd jaar na Columbus, het einde van het laatste islamitische koninkrijk in Europa, de verbanning van de joden uit Spanje, het verdwijnen van Bourgondië als onafhankelijke staat en de geboorte van Bretagne.

Vijf eeuwen ook na de dood van Piero della Francesca, de bouw van de eerste wereldbol door Martin Behaïm in Neurenberg, het opduiken van de syfilis in Genève en de emissie van de eerste Lire in Genua. In 1492 was het ook dat Antwerpen Venetië overvleugelde en Europa zich richting Atlantische Oceaan wendde, en haar islamitische verleden evenals het Middellandse Zeegebied de rug toekeerde. Het rationalisme en het protestantisme ontstonden, de democratie en de arbeidersklasse kregen embryonale vorm. De "nieuwe mens' werd geboren. Voorwaar een uitzonderlijk jaar. Waarom, vragen auteur en lezer zich af, is niemand daar eerder opgekomen?

Het gaat Attali er vooral om de uit "1492' voortvloeiende ontwikkelingen tot op heden te volgen. De ontdekking van Amerika was, betoogt Attali, een logisch gevolg van de toenmalige stemming. Europa was aan nieuwe impulsen toe, zij had genoeg van het navelstaren. De indianen in de nieuwe wereld moesten aanvankelijk als verjongend, verfrissend voorbeeld dienen voor het aan godsdienstige kortzichtigheid lijdende Europa. Maar in plaats van te leren van de nieuwe ontdekkingen, liet de Europeaan zich leiden door zijn eigen primitieve angsten en begeerten. Utopie en werkelijkheid, droom en feiten botsen in 1492 met elkaar, om uit te monden in massale vernietiging en haat. De "vooruitgang' leverde, kortom, rampen op die in het Europa van de Middeleeuwen niet denkbaar waren. De rationele mens groeide hand in hand op met de verwoestende barbaar.

Vooruitgang staat zo voor de progressieve Attali gelijk aan broedermoord en oorlog. Het racisme en de intolerantie die vandaag Oost-Europa kenmerken, maar ook Amerika de das om dreigen te doen, hebben hun oorsprong vijf eeuwen geleden, overdrijft de hier en daar wel erg emotionele Fransman. ""Het tijdperk van de zuiverheid is op een tragische wijze teruggekeerd,'' waarschuwt hij. Het is zonneklaar waarop hij doelt. Onlangs sprak hij in Parijs weer eens over de noodzakelijke solidariteit die West-Europa moet opbrengen voor het voormalige Oostblok, waarbij hij erop rekende dat wij ""voldoende uitvluchten zouden vinden om onze broeders te laten stikken in hun eigen problemen''.

Attali past in een naoorlogse Franse traditie van linkse intellectuelen, die zo bang zijn onderschat te worden, dat zij zich op alle markten tegelijk wensen te manifesteren. Wie in het establishment van vóór Mitterrand wilde doordringen, kon dat als progressieve denker alleen maar doen door te jongleren met grijze cellen en verbaal talent. En dat was Attali wel toevertrouwd. In 1970 subliem afgestudeerd aan de ENA, de elite-school bij uitstek voor toekomstige machthebbers in Frankrijk, was hij vier jaar later al Mitterrands bijlesleraar economie. Dat was een terrein waarvan de dichtende voorman van de socialisten, zeven jaar voor zijn ambstaanvaarding als president, weinig kaas had gegeten.

Net als Mitterrand weet Attali verbanden te leggen die versteld doen staan. En net als zijn voormalige baas bluft Attali er lustig op los. Maar het genot van het intellectuele spel weegt ruimschoots op tegen de Franse slag waarmee soms met de waarheid wordt omgesprongen.