Britse glamourvrouw moet literair weekblad uit het slop halen; Schok voor The New Yorker

Norman Mailer weigerde ervoor te schrijven omdat hij het woord "shit' niet mocht gebruiken. Later publiceerde Truman Capote er zijn klassieker "In cold blood'. Na een roemrijk verleden is "The New Yorker', het Amerikaanse literaire vlaggeschip, ingedut. Vorige week werd een nieuwe hoofdredacteur benoemd: de jonge Britse Tina Brown. Zij paart literaire belangstelling aan celebrity-journalistiek. Over het breken met een traditie.

Tijdschriften zijn net feestjes. Die vergelijking is van Tina Brown, een 38-jarige Britse die vorige week is benoemd tot hoofdredactrice van het weekblad The New yorker, het vlaggeschip van de Amerikaanse literaire fictie en non-fictie. Ze moet heeft daar andere gasten te onderhouden dan bij Vanity Fair, het maandblad waar zij tot voor kort werkte. Ze stapt als het ware over van een celebrityfestijn met open decolletés en smokings, naar een bedaagde, sjieke kunstsociëteit met hooggesloten jurken en kreukelige import-Harris-Tweed.

"Vanity Fair' heeft duizend-en-een zoete luchtjes van parfumadverteerders en bevat halfbloot, roddels, portretten van spannende mannen, acteurs, actrices en courtisanes gemengd met serieuze reportages. In 1991 won het tijdschrift een National Magazine Award voor het relaas van William Styron over zijn depressies. Fotograaf in vaste dienst is Annie Leibovitz en dat is zichtbaar aan de soms uitdagende omslagen.

De The New Yorker, ooit internationaal een lichtend voorbeeld voor verfijnde tijdschriftjournalistiek, is degelijk genoeg voor de dokterswachtkamers. Het tijdschrift blinkt niet alleen uit in kristalheldere stijl en feitelijke precisie, ook minder waardevolle tradities zijn in stand gehouden. De grauwe, neoklassieke opmaak uit het eind van de jaren twintig doet denken aan een oud schoolgebouw. De cartoons deden het ongetwijfeld goed in de jaren vijftig; ze beelden altijd hetzelfde uit: zakenlieden bij een lunch, twee mannen aan een bar of een stel in de zitkamer - de frappe zit in de tekst.

De omslagen van de The New Yorker zeggen niets over de inhoud. Ze geven een beeld van een onbestaand, nostalgisch verleden in een Brits-protestants Amerika van lege stranden, zomerhuizen, kleurige veranda's en victoriaanse wolkenkrabbers. Dat er nu een Britse aan het hoofd van de The New Yorker komt te staan, heeft de lezers van de The New Yorker geschokt.

Toch zijn Britse hoofdredacteuren in Amerika over het algemeen gewild. Er geeft een Brit leiding aan de "New Republic', aan de "National Review' en aan "Vogue'. Omdat Britten uit het oude moederland komen, kunnen ze vrijelijk ordinair zijn, is de achterliggende gedachte. Zij veroorloven zich wat in de Amerikaanse upper middle class als onbeschaafd wordt gezien. Volgens Tina Brown ontbreekt het Amerikanen aan humor; ze nemen alles zo letterlijk en serieus.

Vieze woorden

De redactieleden van de The New Yorker laten de machtswisseling over zich heen gaan. Ze zijn al aan veranderingen gewend. Ze zijn nog versuft van de harde klap vijf jaar geleden, toen de nieuwe eigenaar S.I. Newhouse aan de 79-jarige hoofdredacteur William Shawn vroeg of het niet eens tijd werd om op te stappen. De hele redactie protesteerde. Hij had het blad gedurende 35 jaar geredigeerd.

Shawns opvolger, Robert Gottlieb, was hoofdredacteur van uitgeverij Alfred Knopf. Hij handhaafde in tegenstelling tot zijn voorgangers vieze woorden in teksten en zorgde soms voor wat kortere stukken. Maar verder kon hij het niet over zijn hart verkrijgen om het blad te veranderen. Dus gaf eigenaar Newhouse aan zijn vriend Gottlieb een vorstelijke, gouden handdruk en besloot hij Tina Brown te benoemen.

Brown heeft de oplage van "Vanity Fair' in een paar jaar bijna verviervoudigd tot 930.000. De advertentiepagina's, die het geld moeten opbrengen, stegen van veertien tot meer dan honderd per nummer.

De The New Yorker heeft nieuwe prikkels nodig. Het blad heeft volgens de eigenaar een oplage van 625.000 maar de vroeger zo enthousiaste adverteerder heeft zijn belangstelling verloren omdat het lezersbestand vergrijst. Er staan wat aanbiedingen in voor wereldcruises en speciale pensioenplannen. Veel abonnees plegen het blad ongelezen weg te leggen, voor later misschien. De stevige kaft leent zich goed tot stapelen.

Ooit was elk onderwerp leuk door de heldere, afstandelijke stijl waarmee het werd beschreven. Nu het niveau wat is gezakt, schaft de pot weinig. In het vorige nummer werd de helft van de pagina's in beslag genomen door een relaas over de fusie tussen mediagiganten "Time' en "Warner'. Elisabeth Drew, even stijfjes als de modale lezeres, vat in haar omvangrijke rubriek letter from Washington de nationale politiek samen. Ze schrijft als een gewone insider-correspondent en niet als de in Washington verzeild geraakte literaire toerist. Het enige praktische en informatieve onderdeel van de The New Yorker gaat over film en theater in New York. De korte, puntige besprekingen staan overzichtelijk bij elkaar.

Weinig pretentie

Tina Brown zou de oneerbiedigheid van de oprichter en eerste hoofdredacteur Harold Ross bij het blad kunnen terugbrengen. Ross koketteerde met onwetendheid maar was ook nieuwsgierig. Hij had het blad opgericht voor welgestelde lezers, die in New York winkelden, zodat het een aantrekkelijk advertentiemedium werd voor dure warenhuizen. Het begon als een soort wekelijkse "Vanity Fair' met roddels over rijk & beroemd in New York. Maar de formule werkte niet. Pas na toevoeging van literair-begaafde redacteuren zoals James Thurber en Katherine White sloeg het blad aan.

Sinds eind jaren twintig zijn het uiterlijk en de typische stijl van het blad niet veranderd. De redacteuren van Talk of the town hebben nog steeds weinig pretentie. Trendiness en ijdelheid worden onherroepelijk afgeschoten maar het kwetst niet omdat de auteurs in de rubriek daarbij zelfspot betrachten.

Schrijvers en redacteuren zijn altijd goed betaald voor hun werk, dus een opdracht of een vaste aanstelling was altijd benijdenswaardig in schrijverskringen. Zelfs als een in opdracht geschreven stuk niet werd geplaatst, kreeg de auteur een ruime vergoeding. Toen hij vertrok had de bejaarde hoofdredacteur William Shawn naar schatting vijf miljoen dollar aan stukken uitstaan.

De The New Yorker streefde niet zozeer naar hoge oplagen als wel naar het juiste marktsegment voor de adverteerder. Om het nieuwe abonnees extra moeilijk te maken had de The New Yorker in de jaren dertig zelfs een geheim telefoonnummer. In de jaren vijftig stond het blad wat betreft oplage op de 72-ste plaats, maar nummer drie wat betreft advertenties. In de oorlog zakte de oplage maar toen werden er speciale advertentieloze nummers gemaakt voor de troepen. Verslaggevers als Robert Shaplan, E.J. Kahn en A.J. Liebling werden naar het front gestuurd. Twee omslagen verwezen zelfs naar de actualiteit. Thuisgekomen bleven sommige soldaten geabonneerd op de The New Yorker.

In 1952 stierf hoofdredacteur Ross en werd hij vervangen door William Shawn, die de afstandelijke stijl van het blad tot bijna plechtstatige religie verhief. In de jaren tachtig ging de The New Yorker steeds meer lijken op een kopie van het eigen mythische verleden. Berucht was de lange serie over maïs, sojabonen, aardappelen en rijst onder de koppen "Maïs', "Sojabonen', "Aardappelen' en "Rijst'.

In de jaren zestig miste het blad door zijn afkeer voor vulgaire woorden de politieke journalistiek. Er was weinig te lezen over de cultuur van de jaren zestig. Norman Mailer weigerde ervoor te schrijven omdat hij het woord "shit' niet mocht gebruiken. Maar in 1969 zag Shawn het licht en gaf hij Jonathan Schell opdracht om in Notes and Comment over politiek te schrijven. De Vietnamoorlog en Watergate werden kritisch verslagen.

Dat wil niet zeggen dat de The New Yorker vóór die tijd los van de wereld had gestaan. Rachel Carson schreef in 1962 de later in boekvorm uitgekomen serie "De dode Lente', Charles Reich "The Greening of America'. Lewis Mumford gaf zijn visie op grote steden. Er stonden korte verhalen in van John Cheever, John Updike, Saul Bellow, Woody Allen en J.D. Salinger. Truman Capote publiceerde er zijn klassieker In cold blood.

Rond de jaren zeventig verloor de The New Yorker haar monopoliepositie. De ijzersterke formule raakte aan het wankelen. In 1985 werd de The New Yorker opgekocht door het bedrijf Condé Nast en kwam er een einde aan de gemakkelijke, zakelijke houding van het management.

Glamour

Anders dan haar voorgangers, die een dergelijke status verafschuwden, is Tina Brown zelf al een bekende sociale figuur in New York. Haar verrichtingen tijdens feestjes en evenementen verschijnen vaak in de roddelrubriek van Liz Smith van de "New York Post'. Elke dag glijdt ze in een grote, donkerblauwe slee met chauffeur naar haar werk.

Ze is bekend met glamour. Haar vader was een Britse filmproducer, die onder andere de Agatha Christie Mystery-films maakte. Thuis ontmoette ze acteurs als Norman Wisdom en Peter Ustinov. Haar vader hertrouwde met een actrice. Ze werd van drie kostscholen geschopt maar uiteindelijk kwam ze bij de universiteit van Oxford terecht waar ze bevriend raakte met de schrijver Martin Amis. Haar eerste toneelstuk werd al voor haar twintigste uitgevoerd. Er volgden er nog twee.

In 1974 schreef ze voor de "Times' over het feminisme in Amerika. In "Punch' verschenen haar stukken over een afspraakje met een politie-agent in Los Angeles en over haar korte ervaring als revuedanseres. In 1981 trouwde ze met haar mentor, de 53-jarige Harold Evans, toen hoofdredacteur van de "Times', die kort daarop werd ontslagen door de nieuwe eigenaar Rupert Murdoch. Evans was vervolgens een paar jaar hoofdredacteur van het saaie weekblad "US News & World Report', dat hij nauwelijks in beweging kreeg. Ze hebben nu een kind van vijf.

Als hoofdredacteur wist Tina Brown de oplage en advertentie-inkomsten van "Tatler' omhoog te brengen. Dit in de 18de eeuw opgerichte society-maandblad volgt de ijdelheden van adel en upperclass. Ze gebruikte de high society-figuren als speelpoppen, die nu eens werden gekoesterd en dan weer in de hoek werden gekwakt. Maar ze mochten altijd op feestjes van de adembenemende Brown komen en daarvoor wilden ze haar wel wat vergeven.

S.I. Newhouse benoemde haar tot raadgever van "Vanity Fair', dat zijn bedrijf Condé Nast opnieuw had opgericht. In 1936 was het laatste nummer uitgekomen van dit maandblad, waarin verhalen waren gepubliceerd van Thomas Wolfe, D.H. Lawrence, Dorothy Parker en T.S. Eliot. In 1982 bleek de ingehouden, literaire stijl evenmin te werken als toen. Newhouse stelde Brown aan als adviseur en later als hoofdredacteur.

Lef heeft Brown beslist. Vorig jaar publiceerde ze een naaktfoto van de zwangere actrice Demi Moore. In het preutse Amerika gaat dat door voor zeer gewaagd. Bijna tweederde van de lezers van "Vanity Fair' is vrouwelijk en volgens Brown zijn vrouwen ""het publiek van de toekomst''. ""Vrouwen zijn geïnteresseerd in constructief gebruik van informatie'', zei ze tijdens een toespraak voor de American Newspaper Publishers Association. ""Het gaat hen niet om de informatie op zich. Ze worden afgestoten door een eindeloze berichtenstroom, waarbij nieuws in onverbonden, statische beetjes informatie komt.'' Brown is van plan de kopstukken uit de redactie van "Vanity Fair' mee te nemen, maar ze begrijpt dat ze de stijl van het maandblad niet kan overzetten. ""The New Yorker drijft op tekst'', zei ze na de aankondiging van haar benoeming.

Literair New York volgt nauwkeurig haar gangen, met wie ze ontbijt, luncht of vergadert. Ze heeft al met fotograaf Richard Avedon gesproken, dus er komen foto's, waarschijnlijk alleen zwart-wit, zodat ze niet overheersen in de tekst. Want advertenties mogen als enige kleuren tussen de plaatjes, stukken, verhalen en gedichten.