Botanische Alamanach de Gotha

Hoe bereik je dat een plant naar je genoemd wordt? Wat is de beste manier om toe te treden tot die selecte groep namen die gefluisterd worden in miljoenen bloemperken: E.A. Bowles, Norman Hadden, Norah Leigh, Cedric Morris, Dorothy Perkins en Canon Went?

Sommige leden van deze groep zijn in feite zo select dat volstrekt niets over hen bekend is behalve dat het iemand is wiens naam aan een plant werd gegeven; andere zouden ook bekend zijn als hun naam niet een zelfstandig bestaan was gaan leiden.

De beste manier, en de sjiekste, is een nieuwe variëteit ontdekken, of beter nog een nieuwe soort; dan wordt je naam gelatiniseerd (Davidia, hjelmqvistii, cheesemanii, lubbersiana, wongii..) en verovert een plaats in de geschiedenis van de botanie (zie ook de illustratie). Maar het kan moeilijk en tijdrovend zijn, en misschien ook vrij kostbaar. Een ander nadeel is het fatale onvermogen van botanici om iets dat in orde is met rust te laten: wie schetst het Brugmansverdriet toen de brugmansia werden omgedoopt tot datura?

Als een exotische plantenjacht op praktische bezwaren stuit blijft de beste oplossing het verwerven van je eigen cultivar (cultivar is een afkorting van 'cultivated variety en het schijnt dat de uitvinder van dit barbarisme er onmiddellijk spijt van kreeg maar er niets meer aan kon veranderen). Cultivars worden meestal benoemd door de kwekers die er voor zorgen dat zij de wereld in gaan, maar er zijn twee verschillende manieren om het zover te brengen. In het eerste geval heeft een toegewijde kweker jarenlang noest gearbeid om opzettelijk een nieuwe cultivar te creëren, terwijl in het andere een tuinier niet meer deed dan bij toeval tegen een plant aanlopen die een beetje anders was dan zijn soortgenoten. Deze werkverdeling lijkt nogal onrechtvaardig; nog opvallender is dat het harde werk van de eerste categorie zo vaak bekroond wordt met de naam van iemand die er volstrekt niets mee van doen had - een dochter, een kleindochter, een beroemde persoonlijkheid of een opdringerige kennis.

Campanula lactiflora "Loddon Anna' bijvoorbeeld, werd gevonden door Wendy Carlile, de dochter van Thomas Carlile van de Loddon kwekerij bij Twyford in Berkshire. Als kind had ze een eigen lapje tuin en ontdekte op een dag tot haar schrik dat haar campanula's rose waren inplaats van blauw. Het kostte haar vader jaren werk om voldoende voorraad te kweken om de plant te koop te kunnen aanbieden en toen het eindelijk zo ver was werd zij helemaal niet naar Wendy genoemd, maar naar haar nichtje dat nog een baby was. Het is waar dat Wendy al haar eigen Delphinium belladonna en Veronica spicata incana had, en "Loddon Anna' is een charmante naam - maar je vraagt je toch af door welke geheimzinnige wetten het benoemen van een cultivar wordt beheersd.

Ook een boeiende figuur is de opdringerige kennis. Madame Caroline Testout had een Maison de couture en vroeg de rozenkweker Joseph Pernet-Ducher een roos naar haar te noemen bij wijze van reclame. Hij had geen hoge dunk van haar keuze maar zij hield voet bij stuk en "Mme Caroline Testout' (nu alleen beschikbaar als klimroos) werd een geweldig succes. "Madame Pernet-Ducher', die een jaar later op het toneel verscheen, verdween daarentegen spoorloos (misschien was zij juist vol vertrouwen afgegaan op haar mans oordeel bij het kiezen van haar zaailing).

Clive Greaves, voortbestaand in de Scabiosa caucasia, was in leven verkoper bij een kwekerij; hij wist de kweker Isaac House over te halen een plant naar hem te noemen, met het argument dat hij er veel van zou verkopen. In een zwak ogenblik liet Isaac zich overhalen; hij was een puritein, geheelonthouder en zeer godsdienstig. Zo kon het gebeuren dat de "Clive Greaves', de meest populaire van al zijn scabiosa's (duifkruid) - de naam droeg van een handelsreiziger ""met een penchant voor wijn en vrouwen''.

Anders dan de werkelijke plantenjagers hoefden deze mensen niets speciaal moedigs of ongewoons te doen om hun plant te krijgen. Horace Read was een uitzondering: hij moest aan de noodrem trekken teneinde uit de trein te kunnen springen en zich meester te maken van wat later bekend zou worden als Leucanthemum X superbum "Esther Read' (zijn dochter). Kolonel Sir Frederick Stern had het 't makkelijkst: hij kreeg drie magnolia zaailingen cadeau waarvan het etiket was zoekgeraakt, won er een Award of Merit van de Royal Horticultural Society mee en zag ze later vernoemd naar zijn tuin: Magnolia X highdownensis. Een beschaafd gebruik dat niet altijd wordt nageleefd wil dat je de nieuwe plant die je alleen maar toevallig gevonden hebt naar je tuin noemt en niet naar jezelf.

De Eerwaarde William Wilks (1843-1923) moest harder werken voor zijn planten, Papaver rhoeas "Shirley Poppies' (Shirley was niet de naam van zijn vrouw maar van het dorpje bij Croydon waar hij woonde). Hij getroostte zich jaren van inspanning, eerst om een witte papaver te kweken en daarna om het donkere hart van de bloemen weg te krijgen, en placht 's morgens om drie uur op te staan om de slechte exemplaren te vertrappen voor ze de kans kregen de andere te bestuiven. Toen George Russell (1857-1951) van de "Russell' hybride lupines zich eindelijk liet overhalen om met een professionele kwekerij te gaan werken, vernietigde hij in het eerste jaar 4200 van de 5000 zaailingen.

Nora Barlow was de kleindochter van Charles Darwin (zij hield van eenvoudige bloemen, en dus vermoedelijk niet van de weelderige Aquilegia vulgaris die naar haar werd genoemd). Madame Hardy, de roos, was de echtgenote van M. Beurr Hardy, de peer; de Bisschop van Llandaff, de meest geliefde dahlia in de jaren 30, leek eerst immuun voor een zeker virus, bleek daarna de drager ervan te zijn en werd een uitgestotene; en Canon Went was helemaal geen tuinier maar hoofdonderwijzer.

Wat dachten deze uitverkorenen in hun hart van de planten die hun naam droegen? Burggravin Byng of Vimy (1870-1949) heeft eens over haar planten geschreven (er werden er drie naar haar genoemd, de verkoop voer er kennelijk wel bij). Een ervan was de zachtrose Schizostylis coccinea "Viscountess Byng' en haar plant, schreef de burggravin, bracht een woud van bladeren voort maar geen bloemen, ""which in the circumstances seems unfriendly''.

Veel van deze zaken en nog meer zijn te vinden in "Who Does Your Garden Grow?', door Alex Pankhurst (Dedham, Essex, Earl's Eye Publishing, ¢8 10.95)