Zomeridylle

Natuurlijk wisten we waar onze stiefzuster om huilde. Nadine huilde om meneer Martien. Iemand had ons verteld dat het koude, drijfnatte corpus van meneer Martien de avond tevoren op het strand bij eb was aangetroffen, meegesleurd, naar het scheen, door een mui en ver voorbij de tweede zandbank verdronken.

Het was een warme julidag. Vanaf het balkon van de kamer waar we ook deze zomer weer sliepen, zagen we Nadine achter in de tuin, haar rug naar het huis, tussen de bessestruiken staan. Ineens liet ze zich met een wilde aai over haar gezicht op haar hurken zakken. Ze strekte haar armen en begon te plukken. Zonlicht viel op het kastanjebruine haar dat ze in een knot droeg. Haar armen kwamen telkens wit, vlezig en handig, als dieren, onder het blad tevoorschijn om de bessen in de mand naast haar opbollende rok te gooien. Verdriet, dat was wat wij zagen. Verdriet. Smart. Beproeving. En boven haar hoofd danste de zomerlucht niet meer, trilde niet meer, in doorzichtige arabesken, maar viel omlaag, als aangetast vernis, ons een doffe ondergrond onthullend. Ach wat een ontluistering! Wat een armoede! Nooit zou ze hem weerzien.

Intussen waren onze broers naar buiten gekomen. Nog in hun werkplunje stonden ze op het terras en alleen al hun schouders en gespierde nekken verrieden dat ze het bessenplukken van Nadine, daar, helemaal alleen in de warmte, even tragisch opvatten als wij. Ze staken het gazon over en baanden zich een weg door de brandnetels, Hippolyte voorop, Tony, met dat gouden ringetje door zijn oor, met de armtatoeages, achter hem aan.

“Dat doe je veel te langzaam, Nadien!”, riep Tony, al van verre de stilte verbrekend.

Ze waren nog niet naast onze stiefzuster neergeknield, elk aan een zijde, hun gezichten slap van de goede bedoelingen, of de hele struik begon te ritselen en te bewegen. “Wat een bessen!”, schreeuwde Hippolyte. “Wel verdomd wat een massa!” En we wisten dat de stookoliegeur van onze broers zich compleet vermengde met de uitwaseming van bloemen en vruchten, van diep in mouwen verborgen vrouwenoksels en een deodorant van het merk Maja. De struik was in een ommezien leeg, de mand tot de rand toe vol. Ze zonken alledrie op hun hielen. Onze broers keken elkaar onrustig aan, grinnikten een beetje en zuchtten. Toen Nadine haar handen tegen haar gezicht sloeg, begon Tony over meneer Martien.

“Lieve god, de besten gaan altijd het eerst! De besten, de aardigsten, de vrijgevigsten! Parelen voor de zwijnen! Ik zeg waarachtig niks te veel wanneer ik hem groothartig noem. Liet hij niet rustig van zich profiteren, daar, in de gezelligheid van zijn winkel, door scholieren, huisvrouwen, door een willekeurig oudje dat flessen inlevert maar in werkelijkheid een pakje thee komt jatten? Als hij er 's nachts niet wakker van lag - wie kende hem beter dan jij, Nadine - dan kwam dat alleen omdat hij bij zijn volle verstand goedgelovig was, finaal onverantwoordelijk, heb ik gelijk of niet? En moet je desondanks zien: ahahaha! zijn zaak liep wonderbaarlijk mijn liefje!”

Tony zweeg, overweldigd, dachten wij, door zijn woorden. Wij vonden dat hij overdreef. Meneer Martien was een man met bakkebaarden en een gouden bril, die vriendelijk achter zijn kassa zat. Toen we op een middag de winkeldeur openstootten, zagen we dat er een hond, een raszuivere Afghaan, tussen de schappen rondtrippelde. Het dier, dat met zijn glanzende snuit de bezems en vaatkwasten besnuffelde, net of hij zeker wist dat daar iets achter verborgen lag, was "aan komen lopen', meneer Martien vertelde het ons. We mochten de zwerver een uurtje meenemen, de duinen in, en toen we verbluft en totaal buiten adem terugkwamen, al ver na sluitingstijd, zei meneer Martien: “Wat? Nu al terug? Hebben jullie al ijs gegeten?” En hij stond op om ijslollies te gaan halen en vervolgens een blauw-emaille bak water op de tegels neer te zetten, vlak onder de hondesnuit. Even schemerde de hele wereld van meneer Martien ons voor ogen, blauw, glinsterend, ijskoud. “Is het lekker?”, vroeg hij, opkijkend.

“Arme, arme Martien...! Arme winkelier..!”, klonk het vanuit de tuin.

Opnieuw Tony, Tony met zijn op gang gekomen stem. Luchtig met woorden als hij gewoonlijk was, als allebei onze broers gewoonlijk waren, kon Tony plotseling uitbarsten en met toenemende haast en pressie zijn hartstochten, zijn redeloze bezieldheid uitkramen.

“Helaas, hij kon slecht zwemmen!”

We zagen dat Nadine en Hippolyte zich nauwelijks meer verroerden. Met afhangende schouders, de handen gesteund op de knieën, zaten ze tussen de struiken.

“... En helaas is de stroming gigantisch gevaarlijk, daar, bij de golfbreker, als het water zich na de vloed terugtrekt, donker, zuigend, alsmaar sneller, en maar al te vaak onderweg is naar een razende kolk, een spiraal, een mechaniek dat zich onherroepelijk naar de zeebodem boort...!”

Nadine schokschouderde. Geobsedeerd door de verschrikkelijke anekdote keken we van haar weg, de tuin in, waar de zon lange schaduwen wierp en een grijze kat tussen de dahlia's rondsloop.

Hippolyte sprong op.

“Ziezo! Dat klusje is heel mooi geklaard, heel mooi! En nu, Nadine, eten koken! Jawel, vooruit! Aardappelen en vlees, ondanks... ondanks... Mag ik even?” En hij bukte zich en trok haar, behoedzaam maar met enige moeite, aan haar ellebogen overeind.

Aan tafel was het niet gezellig, niet om ook maar een seconde te lachen. Onze stiefzuster zette ons een gerecht voor dat wij nog nooit hadden gegeten, een stamppot die zo zoet en lekker was dat onze broers in zwijgen vervielen en wij tweeën zelfs ophielden met denken. Nadine at geen hap. Ze beende tussen het meubilair van de voorkamer heen en weer, stopte telkens, glimlachte als een dwaas, tot Hippolyte de verstoring van haar gemoedsrust gewoon niet meer aan kon zien en zijn stoel omgooide om haar lievelingsplaat op de grammofoon te leggen. “Wien, Wien nur du allein, soll stets die Stadt meiner Träumen sein...” Ze stormde de kamer uit.

Direct na de afwas kusten we onze broers.

“We gaan naar bed,” zeiden we.

Ze protesteerden niet eens, maar gingen zonder op te kijken door met het demonteren en invetten van de aftandse keukenmachine die kon malen, hakken, snijden, mengen, kneden. We verademden toen we de deur van onze slaapkamer achter ons dichttrokken.

Het was een schitterende avond met rode strepen door de lucht. Vanachter het huis klonken de stemmen en het motorgeronk van de dorpsbevolking die naar zee trok om voor donker nog een uurtje te zwemmen. We vielen op ons bed neer. Tussen de kussens lag, opengeslagen op de plek waar we waren gebleven, Pim Pandoer de schrik van de Imbosch. We kwamen nog net op het idee om toch maar even de hordeuren van het balkon te sluiten en doken toen onverwijld, languit, zuchtend en onze enkels krabbend, onder in de nevelen van de Veluwe bij nacht en ontij, waar een geheel in het zwart geklede gedaante, lenig als een kat... De muggen tikten tegen het gaas. De dorpelingen keerden naar hun huizen terug. Stilte. Aan het begin van de nacht, juist toen we onze ogen hadden uitgewreven en de meubels hun volume herkregen, hoorden we dat onze broers hun kamer verlieten.

Gekraak van een deur, gestommel op de drempel, er viel iets, we hoorden het razendsnelle gefluister van Tony en Hippolyte die zonder zijn stem te dempen "Tinnef!' en "Godsklere!' zei. Daarna luisterden we, als zo vaak deze zomer, naar hun gegrinnik op de trap, en volgden we hun voetstappen door de duisternis van de gang naar de bijkeuken waar ze in het rommelhok hun gereedschap bewaarden. Alleen als je het wist kon je even later de klik van de buitendeur horen.

Nu kregen we te maken met drie mogelijkheden. Òf ze pakten de Buick en reden naar zee om daar, op het keerpunt van eb en vloed, een doorzichtig net door de branding te trekken als gevolg waarvan wij hen, morgenmiddag, met smalle messen aan zouden treffen naast een emmer vol bloed en slijm. Een week lang zouden wij sliptong eten. Òf ze haalden hun Volkswagen op, een razendsnel ding en zo wendbaar als de pest, om over de tot in de puntjes verzorgde golfvelden van prins Bernhard rond te gaan razen, met groot licht en Tony die hangend uit het rechterportierraam het vizier van zijn jachtgeweer verdraait. Dan zouden wij morgen de zware vette lucht opsnuiven van huid, van ingewanden, van doorgesneden pezen, een lucht die absoluut niet meer in verband zou zijn te brengen met de sprongen en haakse bochten van het konijn dat daar, als een vod, aan een van de balken van de waslijnen hangt. Hippolyte is toegewijd en kundig. In no-time zal hij het vurig rode ding op de mooie schaal bij de vier of vijf andere hebben neergelegd.

De derde mogelijkheid was enigszins duister. Om te weten te komen wat ze nu precies uitspookten bij de achterdeur of op de met wingerd begroeide balkons van de villa's in "De Zuid', waar de bewoners die tussen hun eigendommen lagen te slapen zich beveiligd wisten door schijnwerpers op hun gevel, gevoelige apparatuur aan vensters en deuren en een paar honden in de gang, om daar het fijne van te vernemen zouden we morgen het avondblad moeten openslaan bij het regionale nieuws op pagina vijf. Drie doden door moord en felle brand. Zwerver pest kapelaan met kaarsenzee. Ladderdieven op heterdaad betrapt. Snelheidsduivels ontkomen. Servieskast ontvreemd. Meestal lukte het wel het bericht dat ons aanging te ontdekken.

Na het nodige getreuzel in de badkamer stapten we opnieuw in bed, we deden het licht uit en besloten te gaan slapen. "Welterusten!' "Welterusten!' "Welterusten'. "Welterusten...' De slaperigste verloor. We verstomden. De wereld tolde al.

Toen hoorden we, van boven uit het huis, een luidkeelse zucht.

“Wat is dat!”

We schoten overeind en keken het donker in.

Een snik, een droevige kreet, had onze eerste slaap verstoord. De echo was er nog. Compacte, regelmatige trillingen deden ons rondkijken en luisteren. Maar het geluid herhaalde zich niet. Integendeel. Een allesoverheersende stilte nam bezit van het huis. Even wensten we dat er een auto langs zou rijden, dat het lekker fris zou gaan waaien. We zonken neer en keken wakker en triest omhoog.

Ze miste hem. Ze was eenzaam. Onze stiefzuster lag in haar bed te draaien. Deze hele zomer was Nadine gewend om twee keer per week haar jurk te strijken en tegen de avond het dorp in te gaan. Als ze dan terugkwam uit het maanlicht, samen met meneer Martien, keek ze dwars door ons heen, zo druk had ze het met de jenever, de speelkaarten en het bijeenschuiven van de stoelen onder de lamp in de serre. Dan, wisten we, volgde het uur van hun snelle handbewegingen. Aan het tafeltje bij de deuren zaten ze breeduit tegenover elkaar, en schudden en deelden met verlangende ogen en smeten, alsof hun aandacht niets anders gold, onder de triomfantelijke kreet: "Jij bent heel goed!', hun kaarten op het groene laken neer. Pas later, als wij al sliepen, ging zij hem voor naar het kamertje onder het dak. Nachtlucht. Een koortsige windvlaag door het open raam. En de hele kwestie van naaktheid en omhelzingen waarover niemand ons iets hoefde te vertellen.

De volgende dag brachten wij door aan zee. We hadden de thee en de beschuiten nog maar nauwelijks op of onze stiefzuster begon een rol koekjes en twee badpakken in een handdoek te wikkelen. Zonder ons ook maar een moment aan te kijken, haar blik strak op een bepaald punt boven ons hoofd gericht, had ze ons in de poort van de tuinschutting uitgezwaaid. Het was nog vroeg, de lucht was koel en lichtblauw, maar al vol schittering.

Aanvankelijk waren we stil en lagen we zonder veel animo met onze wangen op het vochtige zand. Maar toen de zon hoger klom en, met de warmte, de vrolijkheid en de drukte om ons heen geweldig toenamen, gingen we eerst zwemmen, deden daarna mee aan een wedstrijd schatgraven waarbij we een waterhorloge en vervolgens een mica-poppetje opdolven, en lieten ons toen door een dikke rode man overhalen om naar de windhondenraces op het stille strand te gaan kijken, als we goed luisterden - zei hij - konden we de muziek door de luidsprekers al horen. Het was zo. We betraden de met touwen afgezette vlakte, waar de man ons, na kaartjes, ijs en een paar strooien zonnehoedjes gekocht te hebben, al heel gauw in het kabaal van de honden en de wapperende vlaggen kwijtraakte. We keken naar de jakkerende beesten en trokken partij voor een grote grijze met een groen rugdekje. Hij won, inderdaad.

Toen we laat in de middag thuiskwamen, waren onze broers en Nadine bezig in de tuin. Het gazon lag vol blinkend witgoed en aan de drie lijnen bewogen de lakens stijfjes mee in de zachte wind. Tony en Hippolyte hielpen onze stiefzuster met het binnenhalen van de was. Even bleven we rondhangen op het terras, geeuwend en nog helemaal loom van de zee. Toen moesten we allebei denken aan de krant die binnen, op de voordeurmat, dichtgevouwen lag te wachten.

Brutale roof, lazen wij, gebogen over het tafeltje in de serre. Twee mannen zijn vannacht een huis aan de Koepelweg binnengedrongen door een raam met sponning en al uit de muur te drukken. Een bewoner die rond tien voor één poolshoogte kwam nemen, werd na rake klappen gedwongen de deur van zijn kluis te openen. Ook werd hij bedreigd met een vuistvuurwapen. Hardhandig vastgebonden aan een eikehouten tafel en totaal overstuur zag hij zijn overvallers, na een greep in de plateaus sieraden en het geld, zonder een spoor in de nacht verdwijnen.

Hongerig, en ons afvragend of er nog flesjes Perl in de ijskast zouden liggen, keken wij op. Ze waren nog steeds niet klaar. Over zijn ene arm de slopen, de andere uitgestrekt naar de theedoeken op het gras, liep Tony met voorzichtige passen rond. Hippolyte vouwde samen met onze stiefzuster de lakens. Onzeker keek hij naar het huilgezicht van Nadine die, terugkijkend, ernstig knikte. Ja. Zo moet het. Eerst vouwen wij het laken in de lengte, dan doen wij dat nogmaals en vervolgens lopen wij naar elkaar toe, de armen geheven, en vouwen het laken keurig netjes een, twee, drie keer in de breedte op.