Vlees en bloed

Zijn moeder deed open. Ze droeg een rode jurk die hij nog niet eerder gezien had. Ook haar gezicht was veranderd: ze had een nieuw, kort kapsel dat haar jonger maakte. Dag jongen, zei ze met iets van triomf in haar stem. Kom binnen. Je bent afgevallen, ik kan het zien. Staat je goed. Ze kneep in zijn hand terwijl hij over de drempel stapte. Haar glimlach herkende hij. Zo leek ze op een ambassadeursvrouw.

Hij zoende haar voorzichtig en volgde haar door een lage, brede gang. Dit is alleen de hal nog maar, zei ze. Moet je voelen. Ze pakte zijn hand en wreef hem langs de muur. Net fluweel, zei ze. Zacht hè. Ze keek met ontzag naar de diepblauwe stof.

Aan weerskanten van hem zag hij deuren. Ze zagen eruit als lege schilderijlijsten. De krukken waren van koper. Straks, zei zijn moeder, die zijn blik had opgemerkt. Eerst de kamer.

In de kamer zat zijn vader. Hij zat in een leren stoel en had een lang glas in zijn hand. Hij keek verrast op toen hij samen met zijn moeder binnenkwam, alsof hij daarvoor niets van bezoek had gemerkt. Hij droeg een overhemd met stropdas, het bovenste knoopje los. Ook hij had zijn haar kort laten knippen en zag er jonger uit dan hij was. Jongen, riep hij. Het glas zette hij voorzichtig neer op de lange glazen tafel voor hem. Ik wist helemaal niet dat het al zo laat was. Hij stond op en gaf zijn zoon een kus op zijn wang. En, vroeg hij. Wat vind je ervan? Eerlijk zeggen.

De kamer was als de gang: laag en breed. Om de glazen tafel stonden stoelen en een bank van zacht wit leer. Ook de muren waren wit en ze waren behangen met grote chromen lijsten: hij herkende een Cobra-litho. Door de glazen deuren aan het einde van de kamer kon hij plantenbakken vol rode en paarse bloemen zien.

Het is groot, was het enige dat hij wist te zeggen. Veel groter dan je zou denken. Enorm.

Ja, zei zijn moeder, ongelooflijk. We moeten er zelf eerlijk gezegd ook nog aan wennen. Zoveel ruimte verwacht je niet in een flat.

Wat wil je eerst zien, zei zijn vader. De andere kamers of het uitzicht? Zeg het maar.

Terwijl hij probeerde na te denken over een antwoord, klonk ergens in de flat een hoge, snerpende toon. Hij zag zijn moeder schrikken. De nieuwe droger, zei ze verontschuldigend. Dit betekent dat hij klaar is, geloof ik tenminste. Ik ben zo terug. Ze verdween snel de lage gang in.

Zijn vader was naar de balkondeur gelopen. Hij klopte hard tegen het glas. Het gaf een dof, trillend geluid. Zie je, overal dubbele beglazing, zei hij. Je hoort hier bijna niets, zelfs niet van de weg beneden. Scheelt ook in de stookkosten. Alleen zijn ze getint. Daar zijn we minder gelukkig mee, om je de waarheid te zeggen. Waarom hij dat gedaan heeft, weet ik niet. Tegen de zon, waarschijnlijk. Om een uur of twee heb je hier de zon pal op staan. Daar zal hij niet van gehouden hebben, denk ik. Hij schoof de deur geluidloos open. Ze stapten achter elkaar het balkon op. Het licht maakte hem bijna blind. Zijn vader stak zijn hand uit en wees. Daar, links, kun je de Amstel zien, zei hij. En daar het Amsterdamse Bos. Kijk.

Hij probeerde de hand van zijn vader te volgen, maar schrok zo van de hoogte, dat hij zich instinctief met een hand vastgreep aan de leuning. Onder hem zag hij de daken van de auto's op de parkeerplaats. Terwijl zijn vader Utrecht aanwees, stelde hij zich voor hoe hij over de balustrade zou duikelen. Hij zou vallen en vallen en te pletter slaan op dat glimmend metaal daar beneden hem. Hij stelde zich voor hoe zijn hoofd uiteen zou spatten. Een moment zag hij zijn eigen lichaam daar beneden liggen, gemangeld vlees en bloed in rood doorweekte kleren. Hij probeerde zijn duizeligheid te onderdrukken en concentreerde zijn blik op een speelgoedmolentje dat tussen de bloemen in een van de bakken was gestoken. Zijn vader praatte tegen hem. De plastic wieken bewogen heen en weer in de wind, maar draaiden niet. Hij vroeg zich af hoe het molentje daar gekomen was.

Zijn moeder stond weer in de kamer achter hen. En, zei ze, kun je de Amstel zien? Hij draaide zich naar haar om en knikte. Ja, zei hij, plotseling niet langer duizelig. Het is prachtig. Zijn vader legde een hand op zijn schouder en ze stapten naar binnen. Dit was onze tuin, zei hij. Nu de rest van het huis.

Ze liepen door de gang en zijn vader opende een van de deuren. Dit is mijn werkkamer, zei hij met een weids gebaar. Hier kan ik soms uren lang alleen zitten. Zie je die stoelen? Vijfduizend per stuk. Dat bureau stond er ook al. Moest enkel en alleen opnieuw in de boenwas gezet worden. Moet je zien, zei zijn moeder en ze wees naar het plafond. Kijk eens hoe mooi dat afgewerkt is, zei ze. Overal sierlijsten. En het behang. Die man had een smáák, zei zijn vader. Van alles het beste. Alleen het mooiste was goed genoeg. Ja, zei zijn moeder, zielig. Als je bedenkt.

De keuken lag achter de deur tegenover de studeerkamer. Hij knipperde met zijn ogen: overal wit marmer, op de vloer, tegen de muur, op het aanrecht. Zijn moeder opende een kast en trok met een triomfantelijk gebaar een rolmechaniek naar buiten, waarin ze blikken en pakjes en potten had geordend. De ijskast en vrieskist, liet ze hem zien, gingen schuil achter een gewone houten kastdeur. Hier, zei zijn vader. Hij trok een banaan los van een tros in een schaal op het aanrecht en duwde hem in een gat in de glimmende stalen gootsteen. Er klonk een hard, malend geluid. Weg, zei zijn vader. Daar is niets van over. Handig hè. En ik wist niet eens dat zoiets bestond.

Ze bekeken een voor een de andere kamers van de flat. Hun slaapkamer, de logeerkamer, een rommelkamer, tot het toilet aan toe. Hij keek naar zijn ouders die in hun nieuwe huis rondliepen als toeristen in een museum. Het is prachtig, zei hij steeds weer. Hij voelde de prikkel in zijn linkerbeen opkomen. Nu wil ik de badkamer zien, zei hij snel.

Zijn vader en moeder gingen hem zwijgend voor door de gang. De badkamer lag achter de laatste deur rechts, vlak bij de woonkamer, tegenover de logeerkamer. Ook hier overal waar hij keek wit marmer. En spiegels: aan de wand boven de twee wasbakken en aan het plafond. De badkuip was twee-persoons en verzonken in een verhoging aan het andere eind van het vertrek. Voor je erin stapte, zag hij, moest je eerst vier marmeren treden opstappen. Daarboven spiegels. Erachter, tegen de muur, stond een grote koperen vaas zonder bloemen. Hij keek naar boven en zag zijn eigen ogen, klein en bang.

Wat een luxe, zei hij, terwijl hij zijn hand door zijn haar haalde. Decadent. Een Romeins badhuis.

Die spiegels willen we weghalen, zei zijn vader. Geen gezicht als je in bad zit. Iedere keer als je achterover leunt schrik je je rot. Je bent helemaal roze en verschrompeld. Je begrijpt niet hoe iemand op het idee komt.

Zoiets kan alleen een nicht bedenken, zei hij.

Zijn ouders zwegen, zichtbaar in verlegenheid gebracht.

Zo is het toch, zei hij scherp, zich tegelijkertijd schamend voor zijn agressieve toon. Toen haalde hij zijn schouders op. Een gewoon mens hangt geen spiegels boven zijn badkuip.

Jij hebt toch ook geen spiegels boven je bad, zei zijn moeder. Haar stem klonk gekwetst. De vrolijkheid waarmee ze de voordeur had opengedaan was verdwenen.

Misschien kan ik deze van jullie overnemen, zei hij. Hij glimlachte plotseling breed, alsof het vanaf het begin een grap was geweest.

Ze aten aan een tafel die hij herkende: hij was afkomstig uit het huis waar hij opgegroeid was. Ergens onder het blad moet mijn naam staan, zei hij. Op zijn knieën tastte hij naar de vertrouwde gekraste letters. Hij dacht ze te voelen, maar het was te donker om ze te kunnen zien.

Zijn moeder vertelde hem hoe je witlof bereidde in een magnetron. Een paar minuten met aanhangend water op de hoogste stand, dat was alles. Als hij zelf ook zo'n ding had, waarom gebruikte hij het dan niet? Zelfs zijn vader kon ermee overweg. Die kookte tegenwoordig heel vaak, een heel verschil met vroeger toen hij nog werkte en niet eens ei kon bakken. Nou ja een ei wel maar dat was dan ook alles. Zijn vader glimlachte verontschuldigend, alsof hij ergens op betrapt was.

Kook je thuis vaak voor jezelf, vroeg zijn moeder, die gemerkt had dat hij niet luisterde.

Hij slikte de hete witlof in zijn mond door en voelde het in zijn slokdarm branden. Niet vaak, zei hij, de laatste tijd heel weinig.

Je moet wel een beetje letten op wat je eet, zei zijn vader, terwijl met zijn vork zwaaide.

In restaurants krijg je ook verse groenten, antwoordde hij. Dit had hij al zo vaak gehoord. Vroeger, toen hij studeerde, moest hij altijd diepvriesmaaltijden verdedigen. Nu waren het restaurants, daar hadden ze nog minder van terug. Maar er is niets veranderd, dacht hij.

Zijn been prikte nog steeds. Onder tafel kneep hij met een hand in zijn kuit. Hij voelde niets.

Je bloemen staan er mooi bij, hoorde hij zijn moeder zeggen. Ze wees achter hem. Hij keek om en zag grote rode bloemen in een vaas op een marmeren pilaar, zorgvuldig uitgelicht met een spotlampje. De bloemen waren gearrangeerd als een decorstuk. Terwijl hij naar de dikke rode kelken staarde, voelde hij het bloed naar zijn gezicht stromen. Bloemen? Waren de woorden van zijn moeder ironisch bedoeld? Hij herinnerde zich niet dat hij haar bloemen had gegeven.

Paniek zaaide zich snel uit in zijn hoofd. Rode bloemen? Wanneer? Waar? Bij de deur? Natuurlijk bij de deur. Natuurlijk. Hij nam altijd bloemen mee. Nu ook. Hij probeerde zich voor te stellen hoe hij ze bij zijn binnenkomst aan haar had overhandigd. Hij probeerde het geritsel van het pakpapier te horen.

Jongen?

De stem van zijn vader.

Hij draaide zich weer om. Zijn vader en moeder keken hem aan, zo bang en bezorgd dat hij vanzelf nuchter werd. Ik dacht aan iets heel anders, zei hij zo neutraal mogelijk. Ik dacht, ik moest denken aan ons oude huis.

Je moeder en ik zijn er verleden week nog langs gereden, zei zijn vader. Ze hebben de tuin compleet omgeploegd. Er is nu een vijvertje met een stenen bruggetje. Echt waar. En ernaast hebben ze een plastic reiger neergezet.

Een plastic reiger, zei hij, blij iets met hen te kunnen delen. Dit was bekend terrein.

Het is in ieder geval beter dan een tuinkabouter, merkte zijn moeder op. Die zie je nog steeds overal bij ons in het dorp.

Nauwelijks, zei hij op de toon die ze van hem gewend waren. Nauwelijks beter.

Ik ben blij dat ik van die tuin af ben, zuchtte zijn vader.

Ergens vanachter uit de gang klonk een bel. Zijn moeder stond op. Het dessert is klaar, zei ze.

Zijn moeder liet hem zijn slaapkamer zien. Hij moest de stof van de gordijnen voelen. Ze demonstreerde het bed, een Auping. Zo kun je heerlijk lezen, zei ze, terwijl ze aan het koord trok en het hoofdeinde omhoog liet komen.

Toen ze de kamer uit was, bleef hij een ogenblik stil staan. De prikkel in zijn been was omhoog gekropen tot aan zijn lies. Hij ging op het bed zitten en deed zijn schoenen uit. Voorzichtig masseerde hij zijn gestrekte linkerbeen. In het licht van de grote lamp boven hem zag het vlees boven zijn sok er ongezond wit uit. Dood, dacht hij. Dood vlees. Hij kneep er hard in en schrok van de pijn.

Hij pakte de handdoek die zijn moeder voor hem op een stoel had gelegd. In de gang hoorde hij zachte stemmen uit de slaapkamer van zijn ouders komen. Net als vroeger, dacht hij. In het oude huis lagen hun kamers naast elkaar en wanneer hij 's nachts wakker werd uit een slechte droom en over de overloop naar de wc stapte, hoorde hij hen praten met gedempte, geruststellende stemmen. Hij bleef even staan in de donkere gang, maar was bang dat hij zou horen wat ze tegen elkaar over hem zeiden.

In de badkamer glansde het marmer dof. De vorige bewoner had overal kleine lampjes met zwak licht aangebracht, zodat het leek alsof er een dunne gouden mist in het vertrek hing. Hier was het, dacht hij. Hij trok zijn kleren uit en begon zich vlug te wassen voor de hoge spiegels. Hij probeerde niet naar zichzelf te kijken. Met zijn handen kletste hij water tegen zijn gezicht, zo snel en zo hard mogelijk. Hij pakte een washandje en zeepte vluchtig zijn oksels in. Vervolgens streek hij er voorzichtig mee langs zijn liezen, bang om te voelen.

Nadat hij zich had afgedroogd, trok hij zijn onderbroek aan en kamde zijn haar. Hij vouwde de handdoek op en raapte de rest van zijn kleren bij elkaar. Toen bleef hij staan en keek naar het lege bad. Even stelde hij het zich voor, als in een slechte thriller. De volle badkuip, de damp van het hete water. Het lichaam, onder water, bleek en opgezwollen. En bloed, natuurlijk, overal was bloed. Op de marmeren treden, in lange rode vingerstrepen op de tegels van de muren, grote rode wolken in het water. Dikke klodders op het gebroken glas.

Hij deed het licht uit en liep met zijn kleren in een bundeltje terug door de gang naar zijn kamer. Hij schrok toen hij de deur opende. Binnen was het aardedonker. Toch herinnerde hij zich heel goed dat hij de grote lamp aan het plafond had aangelaten. Was zijn moeder of vader nog hier geweest? Hij zag helemaal niets. Bij hem thuis waren de gordijnen dun; de stof die zijn moeder zo had geprezen liet evenveel licht door als een muur.

Hij legde zijn kleren naast zich neer en schuifelde op de tast naar het bed, waar hij hard met zijn scheenbeen tegenaan liep. In het donker voelde hij de pijn alsof die van een ander was, alsof zijn hele scheenbeen niet van hemzelf was. Hij ging op de rand van het bed zitten en wachtte, terwijl de doffe napijn langs zijn botten trok, voor het moment de prikkel onderdrukkend. Ik ben alleen, dacht hij plotseling. Niemand die me kan helpen.

De gedachte luchtte hem op een vreemde manier op. Hij zocht niet naar het lampje naast het bed en wilde meteen gaan slapen. Hij schoof onder de dekens en ging op zijn rug liggen, vastbesloten nergens aan te denken. Maar zijn hoofd was te helder, hij was wakker geschud door het beeld van het lichaam in het ligbad. Na een paar minuten schoof zijn linkerhand toch naar beneden, naar het elastiek van zijn boxer-short. Onwillekeurig schoof hij zijn vingers eronder en begon hij het zachte vlees bij zijn lies te masseren. Voelde hij iets? Hij kneedde de andere kant, maar twijfelde of er verschil was. Hij voelde nog eens, en nog eens. Zijn vingers begonnen aan het stugge haar te plukken. Voelde hij iets? Deed het pijn? Hij voelde iets. Ik ga dood, dacht hij. Ik ga dood. Zie je wel.

Hij zag de vorige bewoner van de flat, de dure man met de dure spullen. De man opent de sloten van de voordeur en komt lachend binnen, gevolgd door twee donkere jongens. Hij draagt een elegante jas (moet je voelen, hoorde hij zijn moeder zeggen), de donkere jongens gehavende leren jacks. Ze fluiten wanneer hij het licht in de gang aandoet.

Uit de ijskast in de keuken haalt de man een fles champagne, uit een van de kasten boven het aanrecht drie glazen. De jongens fluiten opnieuw. Zoveel dure spullen, ze worden er stil van maar ook boos. De man leidt hen naar de zitkamer en laat de fles trots knallen en schenkt hun glazen vol tot aan de rand. Hij kijkt toe terwijl ze ze gulzig leegdrinken, hij is vertederd en vaderlijk tegelijk. Gezellig, jongens, zegt hij en de woorden klinken vreemd misplaatst in zijn eigen huis.

De dure man en de donkere jongens drinken en drinken en de jongens worden steeds stiller en steeds bozer. Hun woede vult langzaam de kamer. Wanneer de champagnefles leeg is, stuurt de man een van de jongens naar de keuken om een nieuwe te halen. Ondertussen gaat hij naast de ander op de bank zitten en slaat een arm om hem heen. De andere jongen komt binnen met een nieuwe fles en laat zich aan de andere kant van de man vallen. Ze zoenen en strelen en de man ruikt het goedkope leer van hun jacks. Wanneer hij zijn broek losmaakt, stelt een van de jongens voor in bad te gaan. De man zegt dat het een reuzegoed idee is. Hij laat zich uitkleden door de jongens en loopt naakt met de fles en zijn glas door de gang naar de badkamer.

Wat was het moment dat het fout ging? In welke seconde of deel van een seconde won de woede van de jongens het van de dure dingen om hen heen? Hij bleef op zijn rug liggen in de donkere kamer en dacht aan de naakte dure man in zijn bad aan de andere kant van de gang, zijn handen onder het elastiek van zijn onderbroek.

Het is het moment dat de man zijn Rolex afdoet en op de rand van het bad legt. Zonder het goud van het horloge ziet hij er plotseling weerloos uit, een slachtoffer. De jongens zijn bloot de marmeren treden opgeklommen en zitten met hun benen in het water. Ze kijken naar het horloge op de rand en naar de roze man in het dampende bad. Ze zien hoe zwak de man is, hoe hulpeloos zonder zijn horloge. Ze zien dat de man niet bij zijn dure spullen hoort. Zoals hij daar zit is hij een arm schepsel, dat smeekt om wat de twee jongens teveel hebben. Zoals hij daar zit is hij niets. Ze kijken naar het lichaam in het hete water en zien zichzelf bloot in de spiegels aan het plafond. Hun woede wordt groter dan henzelf. Wanneer de man vragend zijn lege glas ophoudt, kijkt de ene jongen kort de ander aan en slaat de hals van de fles.

Hij schrok wakker. Zijn handen zaten nog steeds onder het elastiek van zijn broek. Hij probeerde op de klok naast zijn bed te kijken en realiseerde zich toen dat hij in de flat van zijn ouders was. Op hetzelfde moment herinnerde hij zich zijn droom, een waargebeurde droom, en even voelde hij zich als de man in het bad aan de andere kant van de gang, weerloos, zich net zo weinig bewust van wat hem te wachten stond. Toen zocht hij met zijn hand naar het lampje naast het bed. Hij stond op en liep de kamer uit, op zoek naar het toilet. In hun slaapkamer zwegen zijn ouders.