Stadsgezicht

Mevrouw Pollmann van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg pleit ervoor (NRC Handelsblad, 23 juni) om de Dienst in staat te stellen, door verruiming van de Monumentenwet, ook financieel hulp te verlenen aan het mooier maken van de "historische' openbare ruimte. Dat is een nuttig voorstel. Pollmann noemt als voorbeeld de ruimte rondom het tracé van de bovengrondse tram dat misschien door de binnenstad van Utrecht zal komen te lopen.

Nu is de openbare ruimte in dit deel van de stad helemaal niet zo historisch. Alle middeleeuwse rooilijnen van de stad zijn verlegd, vooral sinds de katholieken met hun eredienst moesten ophouden (1580). De huidige openbare ruimte langs het beoogde tramtracé is vooral in de negentiende en de twintigste eeuw ontstaan en dat kun je toch niet historisch noemen. Met uitzondering van de Neude, het enige bedoelde plein van de oude stad en het Janskerkhof (het zuidelijke deel van het immuniteitsterrein van Sint-Jan), dat intact is gebleven.

Wat een verruimde Monumentenwet voor oude steden zou kunnen doen is: winkeliers, bedrijven en instellingen verplichten de talrijke en onsmakelijke uitingen van reclame - in de werkelijk historische openbare ruimte - weg te halen of zeer drastisch in te krimpen. En: meebetalen aan het bouwen van parkeergarages onder historische pleinen, zoals de Neu in Utrecht. Zonder garage krijg je de auto's van die Neude en het Janskerkhof niet weg. Van de voorbeelden van op te ruimen obstakels die Pollmann noemde, houd ik alleen nog de "verkeerd neergezette' autobushaltes aan het Janskerkhof over. Die kunnen door anderen worden omgebouwd tot een tramhalte. Voor autobussen is, naar veler oordeel, naast het tramtracé geen plaats.