Orgelfestival met variaties op weerbarstig thema

Concert: Finale Improvisatieconcours in het kader van het Internationale Orgelfestival. Gehoord: 9/7 Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem. Radio-uitz.: 14/7 Radio 4 NCRV.

Twee Zweedse organisten en twee Nederlanders waren als finalisten uit de voorronden van de Haarlemse improvisatiewedstrijd overgebleven. Ze moesten in de finale een ”passacaglia', een reeks variaties, bouwen op een weerbarstig thema van Xavier Darasse. Iedereen kon met de jury eens zijn, dat op een goed niveau was gemusiceerd, maar in de wandelgangen van de Haarlemse Bavo hadden weinigen in Tomas Willstedt de winnaar gehoord. Toch was het deze Zweed (tweede organist van de kathedraal van Lund), die de hoofdprijs kreeg van de jury, bestaande uit Rupert Frieberger (Oostenrijk), Naji Hakim (Frankrijk), Oleg Jantchenko (Rusland) en Jan Jongepier (Nederland).

Het thema van de Franse organist Darasse bevatte elementen genoeg om pakkend op te improviseren, maar was te onrustig om de basis te vormen van een passacaglia - en uitgerekend die vorm dienden de improvisatoren te hanteren. En zo was het gegeven meer een venijnig obstakel dan een bron van inspiratie. Een goed deel van het de deelnemers toegemeten uur voorbereidingstijd zal besteed zijn aan het vinden van een bruikbare voetzetting.

Cor Ardesch, organist te Winterswijk, was als eerste aan de beurt. Hij kapte uit het thema een vereenvoudigde variant om als doorloper in de bas te fungeren. Boven dat fundament ging hij in de weer met flarden van het origineel. In de tweede helft van zijn introverte improvisatie liet hij deze procedure varen om over te gaan op een meer algemene variatietechniek.

Een veel speelser aanpak koos de Zweed Mattias Wager, in 1967 geboren te Stockholm en daarmee veruit de jongste deelnemer. Hij zette stukjes thema kleurrijk tegen elkaar af en wekte consequent de indruk plezier te beleven aan het voorgeschreven materiaal. Tijdens zijn passacaglia-opbouw wekte hij op zijn minst de suggestie het thema soepel en stabiel in de benen te hebben. Met eenvoudige, trefzekere middelen wist hij aandacht te houden, maar na een bekronende pedaalsolo had hij moeten stoppen. Hij begon toen nog een lyrisch hoofdstuk en kon dat niet meer spannend afwerken.

De Nederlander Klaas Stok had als derde deelnemer de grote lijnen van zijn improvisatie steviger in handen. Zijn passacaglia-deel klemde hij met gevoel voor symmetrie tussen fors geregistreerde tremolo's en zijn tweede deel was een eigenzinnige, groots opgezette fuga. Het was jammer, dat Stok in contrapuntisch opzicht niet overal helderheid wist te verschaffen. Soms zwierven de stemmen doelloos rond.

De laatste improvisatie was die van de zegevierende Zweed Tomas Willstedt. De zuivere passacaglia-momenten daarin klonken moeizaam, maar in fraaiere gedeelten tastte hij royaal in zijn trucendoos. Het publiek veerde op toen hij een verbindingsstukje harmoniseerde als een radio-jingle. Effectiever was de manier waarop Willstedt zijn improvisatie terugborduurde naar de begingedachte.