Oorlog Karabach is geen zaak van Armeniërs en Azeri alleen

MOSKOU, 10 JULI. Het doel is uiteraard hoog en verheven. Als je de strijdende partijen erom vraagt, is het "cultuur' en "zelfbescherming' dat de klok slaat. Maar op de achtergrond spelen in de oorlog om Nagorny Karabach ook andere motieven een rol: losgeslagen romantiek en masculien anarchisme bijvoorbeeld, vermengd met kruisridderdom tegen het "kwaad' van de overzijde.

Daarom is de strijd om Nagorny Karabach, die nu reeds viereneenhalf jaar woedt, al duizenden slachtoffers heeft geëist en sinds twee maanden in een nieuwe escalatie is terechtgekomen omdat de afscheiding van de enclave nabij lijkt, niet louter een bezigheid van Armeniërs en Azeri. De wapens komen merendeels uit de magazijnen van het Rode Leger dat voor geld en goede woorden tot veel bereid is. Aan beide zijden van het front vechten echter ook Russen en Oekraïeners mee.

De gewone infanteristen zijn de Armeniërs dan wel Azeri. Die moeten als eersten de linies in, omdat ze het terrein beter kennen en de schijn moeten ophouden. Maar daarachter geven "Slavische officieren', Russen en Oekraïeners die bijna zonder uitzondering in Afghanistan het vak oorlog hebben geleerd, de bevelen over mens en vooral materieel. Van heinde en verre komen ze. Ze kennen elkaar vaak uit die tijd. Soms komen ze elkaar zelfs aan beide zijden van het front tegen, de ene tankcommandant aan de Armeense kant en een oude kameraad uit Afghanistan aan de Azerbajdzjaanse die via de boordradio eerst even met elkaar spreken alvorens het vuur wordt geopend.

Bij de Azeri zijn vooral "huurlingen' in dienst, zeggen ze aan de overzijde in Armenië. Er is sprake van weddes van tienduizend roebel per geleverd gevechtsuur. De Armeniërs zouden minder betalen: vierhonderd roebel per uur. Maar daar staat dan ook een missie tegenover: de verdediging van het christendom! Niet voor niets hebben soldiers of fortune uit de Armeense diaspora in Amerika zich reeds gemeld, jongens uit Armeense gezinnen in de Verenigde Staten die alleen Engels of hun eigen moedertaal spreken en het land waarvoor ze komen vechten alleen maar uit de verhalen kenden.

Maar uiteindelijk is ook deze oorlog, zoals bijna overal en nagenoeg altijd, bovenal normondermijnend. Je kunt ze dus her en der treffen: de mannen die onder het mom van geestelijke zendingsarbeid aan het plunderen zijn geslagen. Zoals bijvoorbeeld die Armeniër in Stepanakert (de hoofdstad van Nagorny Karabach) die thuis drie computers, enkele ghettoblasters en talloze kleurentelevisies heeft staan. Buitgemaakt bij de bestorming van Agdam, een strategische plaats op Azerbajdzjaans grondgebied vlak over de grens van Nagorny Karabach. Of die twee pubers die nu al een half jaar in de loopgraven zijn te vinden en, onder het genot van een stevig glas cognac uit een van de vele veertig-litertanks en een forse joint vol autochtone marihuana, met hun wapen op jouw borst geprikt (“geintje”) uitleggen wat hen bezielt: “Rambo en Arnold Schwarzenegger” evenaren. Of, in hun eigen woorden: “De dorpen intrekken, de Turken doden en de Turkinnen naaien”.

De Russische fotograaf Oleg Klimov was afgelopen weken in Nagorny Karabach. Hij trok mee op naar de nachtelijke slagen, dronk en rookte met de "maten', hoorde hun verhalen en maakte ondertussen deze reportage over de langdurigste van de serie burgeroorlogen die de voormalige Sovjet-Unie nu al meer dan vier jaar teistert.