Newski Prospekt

Om de tijd te doden las Visch alle dagen. Zoals er in wachtkamers, zoals er tijdens verloren uren, zoals er op lange treinreizen gelezen wordt in afwachting van een bestemming, zo las Visch het ene dikke boek na het andere; in afwachting van het leven dat hij het zijne zou kunnen noemen las hij over de levens van anderen - en lééfde die levens.

Tijdens het lezen bestond hij niet. Althans niet als Herman Visch, om het nauwkeuriger te stellen. Want de vervoering waarmee hij las bezorgde hem heftigere en wezenlijkere ervaringen dan het moeizame voortdoen van zijn eigen, zijn "echte' bestaan. Hoewel de boeken zich afspeelden in andere werelden en andere tijden, had hij toch steeds de indruk dat hij het beschrevene op de een of andere manier kende. Hij voer mee op de Pequod, op zoek naar Moby-Dick, overleefde op Wanhoopseiland met de inboorling Vrijdag; hij wandelde op zondag naast een dame met een parasol over een Parijse boulevard, hij logeerde op Russische landgoederen en dreef op een vlot de Mississippi af - en het was hem allemaal op de een of andere manier vertrouwd.

Dat kwam natuurlijk voornamelijk doordat hij zich met de hoofdpersoon vereenzelvigde, maar het merkwaardige was nu juist dat hij zich ook de omgeving toeëigende: in zijn verbeelding speelden al die boeken zich af in huizen waar hij kwam, in straten waar hij dagelijks liep en in landschappen die hij kende als zijn eigen handpalm - de Waterstraat als Newski Prospekt of als Parijse boulevard, waarbij hij alleen de lantarens, die 's nachts oplichtten als een weg naar de hemel, zelf hoefde te verzinnen, het huis van Henkie Eenhoorn als Petersburgse huurkazerne of als Newyorks immigrantenhotel, de Waal, die breed en traag westwaarts vloeide, was de Mississippi, maar ook de Wolga of de Amazone, de velden in de omtrek werden Russische landerijen waar verveling en verlangen in wersten gemeten worden, soms waren het echter Amerikaanse prairies en als het moest zelfs Hollandse weilanden waar gevlekte koeien graasden.

Zulke metamorfosen gingen moeiteloos, want ze voltrokken zich in zijn verbeelding. Toch was het niet zo dat hij meteen verwachtte in de Waterstraat de équipages over de keitjes te zien karossen noch dacht hij aan dubbeldekse raderboten als hij langs de Waal liep. Wat na het lezen achterbleef was geen herinnering, het was vager, het was iets van horen zeggen, iets waarvan je wist dat het bestond, maar wat je zelf niet kende. Wel was de omgeving sindsdien niet dezelfde meer; alles leek weliswaar onveranderd, maar hij was gaan vermoeden dat er meer was, dat er voor hem iets werd achtergehouden, dat er iets was waar hij geen weet van had. De huizen werden façades en de mensen gemaskerden, en hij meende, al wist hij niet hoe dat precies in zijn werk zou gaan, dat hij deze schijn eens zou doorzien en dat dan het wezen der dingen, het ware en waarachtige leven, aan hem geopenbaard zou worden.

De voornaamste belemmering was, zoals hij het zag, de tijd, die bij hem anders verliep dan in boeken - en ook anders dan bij andere mensen. Iedereen scheen er te weinig van te hebben, hij had er juist te veel van. Visch vergeleek het met schepen op de rivier. Die stroomafwaarts voeren, gingen nauwelijks sneller dan het meestromende water; alleen als je naar de oever keek, zag je hoe snel ze vooruitkwamen. De schepen die stroomopwaarts voeren, gingen veel en veel sneller dan het tegemoetstromende water, ze verslonden zeeën van water, maar als je naar de oever keek, kwamen ze nauwelijks vooruit. Zo zag je de zogenaamd succesvolle en doelgerichte mensen voortjakkeren met de stroom mee, opgejaagd door de snelstromende tijd, nee sneller nog dan de tijd, die hen niet kan bijhouden, zodat ze er naar hun mening altijd te weinig van hadden. Visch daarentegen, die, als hij al een richting had, de andere kant op ging, vorderde hoegenaamd niet, het leek er zelfs meer op dat hij stilstond; de tijd stroomde echter als een rivier onder hem weg - en kwam als een rivier op hem af, zo machtig dat hij er nauwelijks tegenop kon. Je zou je kunnen afvragen waarom Visch dat deed, waarom hij zich niet liever liet meevoeren op de stroom. Maar dat is hetzelfde als je afvragen waarom Visch niet was als alle mensen.

Inderdaad vroeg Visch zich dat vaak af.

Denken over zijn leven deed hij bij voortduring, en omdat er in zijn leven niet veel voorviel, betekende dit meestal denken over het leven van anderen. En denkend over anderen, ontdekte hij vooral wat hij niet wilde. Aldus zag hij zichzelf vooralsnog in negatieve termen, wat zich in de omgang uitte in een hooghartige afzijdigheid, die door anderen echter niet werd opgemerkt, aangezien hij niet iemand was aan wie iets op te merken viel.

Ook zijn vriend Henkie Eenhoorn begon hem over het hoofd te zien. Henkie was er de figuur niet naar om over iemand na te denken, laat staan om tot een karakterschouw te komen, maar als je zijn schouderophalen, zijn zuchtend de deur uitlopen en zijn andere kleine ergernissen in taal zou moeten omzetten, dan luidde de slotsom: "Raar'. Voor Henkie omvatte dit woord zowel een zeker respect voor zonderlinge en eigenwijze trekken als een afkeuring van afwijkend, dat wil zeggen "aanstellerig' gedrag en meer algemeen viel er alles onder wat hij niet begreep. Wat hij met name niet begreep waren Visch' onwil en willoosheid die hem tot diep in de dag aan zijn bed gekluisterd hielden, terwijl hijzelf, wellicht willekeurig, maar in ieder geval met gretigheid en toewijding, de dagen tegemoet liep alsof hij ze allemaal tegelijk wilde omarmen.

Waarschijnlijk wilde Visch wel iets, hij wilde wellicht meer dan zijn vriend, en in zekere zin wilde hij te veel - maar hij wilde het niet echt en daarom leek het hem verstandig zijn leven eerst te verzinnen in plaats van er meteen, halsoverkop, in te tuimelen.

Soms meende Visch dat het allemaal kwam doordat hij was gaan nadenken terwijl hij het helemaal niet goed kon, nadenken. Dat er iets in gang was gezet wat hij niet meer kon tegenhouden, een trein die over een traject raasde waar niemand was om de wissels om te zetten. Inderdaad had hij het gevoel dat zijn gedachten voortraasden en dat hij er niets meer aan kon doen: hij kon niet tegelijk in de trein zitten en naast het spoor staan om de wissels te bedienen. Zo vlogen zijn gedachten door zijn kop zonder dat hij ze kon afremmen of van richting kon veranderen. Ze tolden door zijn kop; ze gingen wel hard maar kwamen niet ver. Zijn hoofd was eigenlijk te klein voor zijn gedachten, ze wilden er uit breken en in volle vaart de wereld in knallen. Ze wilden hem meesleuren, maar ze kwamen niet los.

Alleen als hij boeken las, en hij als het ware overstapte op de gedachtentrein van een ander, slaagde hij er in te ontsnappen aan de beklemming van telkens hetzelfde. De boeken voerden hem mee naar andere werelden, hij leefde andermans levens of het zijn eigen was; zijn hart barstte open, hij onderging liefdes en stierf duizend doden, hij beleefde oogverblindende en hartstochtelijke avonturen... en werd steeds weer afgezet in het kamertje met de voorraaddozen naast de oude oorlogsheld die al niet meer van dit leven was en naast de bioscoop die hem de geluiden bracht maar niet het licht, in een huis dat niet echt het zijne was en in een leven dat het best gekarakteriseerd kon worden door de wijze waarop hij zich er in bevond: liggend op zijn bed en niets, niets weten te doen.

Zijn boeken haalde hij altijd bij meneer Wisselaar, de leraar Duits, die zeer op hem gesteld scheen ondanks het vooruitzicht dat Visch zou zakken voor zijn eindexamen. Meneer Wisselaar stond hem elke keer handenwrijvend op te wachten, soms trappelde hij zelfs met zijn voeten alsof hij verkleumd was. Voor het kopje thee, dat door mevrouw Wisselaar altijd met zoveel zorg en toewijding was voorbereid, had hij geen tijd; met haastige passen beende hij, twee, drie treden tegelijk, de trap op. En Visch, na wat onbeholpen knikjes richting mevrouw in de gang, er struikelend achteraan. In het studeervertrek sloot Wisselaar met een voldaan en voldongen "Zo!' de deur achter hen en bood hij Visch een stoel aan waar je veel te diep in wegzakte. Zelf liep hij onrustig, maar toch heel dwingend, langs de boekenwanden en tikte alvast hier en daar een rug aan. Ondertussen hield hij steeds een oog op Visch, die achterover hing in de stoel en geen verweer had tegen wat dan ook. Plotseling bleef hij staan en vroeg hij onverhoeds: “Hoe beviel het?” en dan noemde hij de titel van het boek dat Visch terugbracht. Maar zonder het antwoord te kunnen afwachten somde hij een reeks titels op die Visch niet kende en die hem als toverspreuken in de oren klonken. “Ken je...?” Visch kende niks. “En dit, moet je lezen,” zei hij en begon een gedicht of een passage voor te dragen. Soms gaf hij hem een boek in handen, maar voordat Visch het zelfs maar had kunnen doorbladeren, griste hij het weg en begon hij het zelf te lezen. Daarna vertelde hij, gehaast en zich herhaaldelijk versprekend, waar het over ging, geen acht slaand op Visch' tegenwerping dat hij het eerst liever zelf las. Wisselaar verried alles, maar hij liet zich zo meeslepen door zijn woorden dat Visch het niet meer kon volgen en op den duur wist hij niet eens meer over welk boek Wisselaar het had. Hij vertelde over personages en over schrijverslevens, hij haalde eigen herinneringen op en vertelde wat iemand hem ooit verteld had, en al die verhalen vermengden en vermenigvuldigden zich in het hoofd van Visch, dat arme, kleine hoofd dat al zo vol zat met dingen die het niet begreep.

Voordat hij aanbelde had hij nog de weidsheid in zijn hoofd van het boek dat hij terugbracht. Hij was, afhankelijk van wat hij gelezen had, als een jonge graaf met liefdesverdriet of als een losbol met speelschulden door de straten gegaan - hij was gegaan met de losheid en het gemak die het kenmerk zijn van het leven van anderen. Het waren momenten dat hij zich erg bewust was van zichzelf: hij bekeek zich in de spiegeling van donkere ruiten en zag zich zoals anderen hem moesten zien - alsof hij alleen kon bestaan als hij zichzelf als een ander zag, alsof hij alleen in de spiegeling kon bestaan. Hij bedacht dat alles wat er was op iets anders leek. Dat het er pas kon zijn als het op iets anders leek en dat alles wat uniek en onbetreden was niet kon zijn noch gekend kon worden. Hij bedacht dit, en voelde zijn zelfbewustzijn vervluchtigen. Zijn stemming van zoëven was geheel verdwenen; met zware schoenen liep hij voort, en als hij tenslotte aanbelde bij het huis van zijn leraar was hij weer die hij was voordat hij aan het boek begonnen was: iemand die nog niemand was, een leeg blad dat nog moest worden beschreven.

Binnengetreden in de boekenkamer voelde hij zich helemaal verdwijnen, een duizeling deed zijn laatste gedachten weggorgelen als een plas water in een afvoerput. In volslagen nietigheid stond hij daar, omringd door die duizenden boeken waarvan hij de schrijvers noch de titels kende, laat staan de levens die zich daarachter schuilhielden. Een kerkhof van namen was het, de ruggen waren zerken die droef de eeuwigheid doorstonden, en alleen hij kon die doden doen ontwaken. Meneer Wisselaar was daar niet de geschikte persoon voor, dat wist hij zeker. Als die over boeken sprak, sprak hij in grafredes, vol woorden als "belang' en "onvergetelijk', hij was een gids in een dodenrijk, een reisleider tussen ruïnes, zijn woorden waren niet de toverwoorden waarmee de doden kunnen worden teruggeroepen. Visch stond er alleen voor, dat was hem wel duidelijk, maar nu hij voor die overweldigende menigte stond, vreesde hij dat hij niet bij machte was. Het was een veelheid die hij niet bevatten kon. Een los boek was al een wereld die te groot voor hem was, een bibliotheek was een universum waar geen einde aan kwam, waar in lichtjaren gemeten werd en waar de eeuwen voorbijtikten alsof het secondes waren. Toch was Visch ervan overtuigd dat hij moest weten wat die urnenmuur van namen verborgen hield, omdat die het geheim moest bevatten. Misschien was het er niet te vinden, maar het was zeker niet te vinden als hij zomaar, zonder zich vooraf op de hoogte te hebben gesteld, aan zijn leven begon. Als die duizenden en duizenden schrijvers, voorwaar niet de minsten onder de mensen, niets hadden gevonden, hoe zou hij dat dan kunnen, hij die niets wist en die niets had meegemaakt. Het werd hem duidelijk dat het zijn onwetendheid was die hem beklemd hield, die hem tegenhield in zijn onstuimige verlangen het leven binnen te treden dat hij het zijne zou mogen noemen.

Zo stond hij voor die boekenkast als voor een muur die hij moest slechten om de wereld te kunnen zien zoals zij werkelijk was.

Voor meneer Wisselaar betekenden die boeken heel wat anders. Hij zei dat die wanden hem juist beschermden tegen de buitenwereld, een woord dat klonk alsof er winter heerste en het binnen behaaglijk toeven was. Visch begreep dat niet: de boeken die hij las maakten hem juist onrustig, ze joegen hem de straat op, ze lokten en wenkten hem en lieten hem achter met vage beloftes over daar en ginds, over straks en zo meteen, maar ze verzuimden hem te zeggen waar het was en wanneer precies, zodat Visch zich voelde als een feestganger die zijn uitnodiging is kwijtgeraakt en die weet dat hij onherroepelijk iets mist - en die, omdat hij er niet bij is, denkt dat iedereen gelukkig is en dat het dus mogelijk is dat er geluk bestaat waarvoor ze hem volstrekt niet nodig hebben, dat, erger nog, geluk en hij niets met elkaar te maken hebben.

Zulke gedachten had hij bij meneer Wisselaar.

Die zelf nergens last van had. Daar stond hij weer met een boek te zwaaien. “Mooimooimooi,” kraaide hij. Visch werd er akelig van. Hij had ineens de gewaarwording dat die halvegare het denkwerk van eeuwen stond te verkwanselen, dat het eigenlijk een schande was dat die boeken in handen waren gevallen van deze figuur. Als die schrijvers dit zouden weten, dat meneer Wisselaar hier zo raar stond te doen met hun diepste zieleroerselen - dan moesten ze toch wanhopig worden van het besef inderdaad voor niets te hebben geleefd. Misschien waren veel schrijvers daarom zo pessimistisch: omdat ze voorvoelden dat het hier op uit zou draaien - een idioot die "mooimooimooi' riep, terwijl niets in zijn leven er op wees dat hij er ook maar een fractie van begrepen had. Het was Visch een raadsel: zoveel boeken gelezen hebben en tenslotte een meneer Wisselaar worden. En het ergste van alles: daarmee in zijn nopjes zijn.

Er was iets laatdunkends in deze tevredenheid. Zoals meneer Wisselaar over schrijvers sprak, was het alsof hij het over zijn beste leerlingen had. "Goed gedaan.' "Knap geschreven.' "Bewonderenswaardig.' Het scheen hem niet persoonlijk te raken, wat vooral duidelijk werd als mevrouw Wisselaar met het theeblad boven kwam. Die entree verwarde Visch altijd. Staande voor het mysterie dat die boeken voor hem waren, vond hij het plotseling onmogelijk antwoord te geven op de vraag: “Gebruik je suiker en melk?” Meneer Wisselaar daarentegen, die voor alles een verklaring had, wist meteen het antwoord: voor hem was de literatuur een schepje suiker in de lauwe thee des levens.

Als ze in hun thee zaten te roeren, ook mevrouw was gezellig aangeschoven, wilden ze altijd per se een gesprek met hem voeren over wat hij "later' van plan was te gaan doen. Gelukkig wist meneer Wisselaar ook hier het antwoord op, zodat ze het er op hielden dat Visch in de letteren verder ging. “Mooi vak,” meende meneer Wisselaar. Hij zei het op een toon alsof het leven een kunstje was dat je onder de knie moest krijgen. Visch dacht: die boeken moesten hem afgenomen worden, het is een schande dat hij ze in handen heeft gekregen. Hij kon er misschien mee beginnen geleende exemplaren niet meer terug te brengen, hij zou ze ook zonder omhaal kunnen stelen als Wisselaar even niet op hem lette, een boek per plank, zodat het niet gauw zou opvallen. Maar in plaats daarvan dronk hij zijn kopje thee leeg en bedankte hij meneer en mevrouw vriendelijk voor alles wat ze voor hem deden. Hij stikte zowat van ingehoudenheid, hij had het gevoel dat die thee zeer krachtige gassen tot ontwikkeling bracht die, als hij niet snel maakte dat hij wegkwam, hier binnenskamers tot ontploffing zouden komen.

Toch keerde hij hier steeds terug. Nooit zou hij naar de openbare leeszaal gaan, waar de boeken met plakkertjes, plastic en stempels van hun exclusiviteit en heimelijkheid werden ontdaan en door domme en bovendien lelijke juffrouwen tot "leesboeken' en "studieboeken' werden vernederd. Bij meneer Wisselaar werden ze tenminste met égards behandeld, hij bezat bovendien oude en zeldzame werken - eerste drukken en speciale uitgaven - die Visch het gevoel gaven heel dicht bij te komen - alsof hij, door die bijzondere boeken aan te raken, raakte aan wat er in beschreven stond.

Ooit zou hij zelf zulke boeken bezitten, zoals hij ook ooit zo'n leven zou hebben dat in die boeken beschreven werd. Nu nog ging hij steeds met andermans boeken naar huis, het huis dat het zijne niet was, naar een leven dat nog moest beginnen en hij las die boeken in de hoop ooit te zullen lezen over een leven dat zo mooi en zo waar was dat het voor hem moest zijn bestemd. Zo mooi en zo waar dat alles wat hij kende zou veranderen, dat niet meer alles op iets anders leek, als een immer wijkend verschiet, maar dat alles zijn ware gedaante zou aannemen en hij, eindelijk, kon beginnen te bestaan.

(romanfragment)