Make my day

Tegen het middaguur lijkt de baai, het strand met de zwemmers en de zee waarin enkele boten voor anker liggen aan kleur te hebben verloren, zoals een polaroid-foto die verschoten is. Er staat geen zuchtje wind en niemand waagt zich uit de schaduw van zijn parasol of windscherm. Zelfs de twee meisjes die eerst met hun luchtbed in het water speelden, liggen op hun buik en trekken met hun vingers figuren in het zand.

Een oudere man met een krans grijs haar fluistert iets tegen zijn vrouw in een roze nylon badpak. Ze houdt haar ogen gesloten. Een kinderrijke familie heeft zich dicht opeen onder een immense parasol van geel raffia verschanst. Over het water weerklinken de stemmen van de vissers in hun bootjes. Ze roepen iets naar elkaar, ze nemen afscheid en varen weg.

Op dit uur van de dag als de zon zijn hoogste stand bereikt heeft en de voorwerpen en mensen nauwelijks schaduwen hebben, wordt er naar een breekbaar evenwicht gezocht. Probeert ieder voor zich in balans met de elementen te geraken.

Anna houdt niet van een stilte waarin je insekten hoort zoemen. Ze staat op de top van een duin en slaat met een ontevreden gezicht het strandtafereel gade. Ze trekt aan haar te kleine rode badbroek en kijkt over haar schouders of hij haar tenminste is gevolgd. “Schiet eens op. Waar blijf je toch!”

Een jonge blonde man in tennisbroek en shirt komt over het paadje tussen de duinen aangelopen. Hij draagt haar rode strandtas en roept dat ze op het pad had moeten blijven. “Dat heb ik je nu al duizend keer gezegd!”

“Ik kijk altijd waar ik mijn voeten zet.” En ze rent het duin af, het strand op en laat zich tussen de twee meisjes in vallen op het luchtbed. Ze kennen haar en Anna knoopt een gesprekje aan. “We moeten maar eens het water in! Jullie badpak is kurkdroog en voor het luchtbed is het ook beter. Van mijn moeder mag ik geen luchtbed mee, ze zegt dat 't door de warmte opzwelt en dan uit elkaar knalt. Zal ik het eens voordoen?” Omdat de meisjes zwijgen, voegt ze eraan toe: “Hebben jullie weleens een oorverdovende knal gehoord?” Ze graait in haar badtas die aan de voeten van de blonde man staat, naar een grote opblaasbare strandbal en begint energiek te blazen.

Het jongste meisje zegt: “We geloven je heus wel.” En haar vriendinnetje meent dat het zonde van die mooie bal zou zijn als ze hem liet springen. Van de beide meisjes heeft zich een nauwelijks merkbare neerslachtigheid meester gemaakt, alsof zij geïnstrueerd zijn vooral aardig tegen Anna te zijn en met deze opdracht niet goed raad weten.

Iets aan Anna's houding verraadt dat zij hen doorheeft, maar dat het haar niet schelen kan. Voor haar blijven deze oudere meisjes wezens die gewoon anders zijn. Wel heel aantrekkelijk in hun kleurrijke badpakken met hun zilveren kettingen en ringetjes, maar onbereikbaar voor haar.

“Goed, ik spaar hem nog eventjes,” lacht Anna. Ze begrijpt niets van het lome middaguur. De man komt tussenbeide en zegt: “Jij vermaakt je hier wel. Tot straks dan maar weer.”

Anna kijkt hem niet na, schenkt zelfs geen aandacht aan zijn woorden. Ze is te druk bezig de meisjes over te halen om met haar het water in te gaan. Intussen past ze de sandalen van het oudste meisje en trekt haar blouse aan. Ze maakt veel misbaar, alsof ze van plan is ermee de zee in te lopen en weg te zwemmen. Ze is naar de vloedlijn gerend en maakt een paar parmantige danspasjes. “Pak ze dan!”

“We komen zwemmen,” roept het jongste meisje. “Als jij ophoudt met je aan te stellen,” voegt het oudere kind eraan toe.

Anna fronst haar wenkbrauwen en trekt de sandalen uit. Het zijn dure schoenen, het soort dat zijzelf later nooit zal kopen. Ze wordt bootsman net als haar vader. Het lijkt een goed plan.

Drie meisjes in de leeftijd van negen, twaalf en dertien jaar rennen het water in op de enige plaats waar je je voeten niet kunt bezeren. De grond is zacht en zanderig, er liggen geen puntige stenen en de baai is niet diep. Ze zwemmen achter elkaar en Anna kan ze nauwelijks bijhouden. “Het luchtbed,” roept ze, “waar is het luchtbed!”

Het oudste meisje zwemt naar haar toe en pakt haar bij de pols. “Laat dat,” zegt ze dreigend.

“Het is beter voor je bed.”

De meisjes zwemmen weer. Anna trappelt in het water en laat zich op haar rug glijden. In zee drijf je makkelijker dan in een zwembad en dat begrijpt ze niet. “Een lijk,” krijst ze. “Ik ben een lijk.” Haar stem is tot ver voorbij de duinen te horen.

De twee vriendinnetjes staan druipend aan de kant en werpen een afwachtende blik op Anna, maar die is zo in haar spel verdiept dat ze hun bestaan vergeten lijkt.

Anna drijft niet echt, ze zit op haar hurken op een steen, die glibberig is, vanachter haar wimpers ontdekt ze haar strandtas, alsof iemand hem vergeten heeft. “De tas in het zand,” zingt ze, “een hommel in de trommel.” Dan gaat ze op de steen staan, verrijst uit het water en roept naar de zonnebaders zo hard als ze kan: “Een hele grote vis. Moet je kijken. Een monster!” Ze neemt een duik en zwemt gehaast naar de kant. Ze schudt het zeewater uit haar haren en rent regelrecht naar de vrouw in het roze nylon badpak, die niet van haar lectuur opkijkt. Dan probeert ze het bij de man. “Hij beet me in mijn enkel. Hij heeft me in mijn enkel gebeten.” In een beweging zwaait ze met haar been zodat haar voet midden op zijn schoot terecht komt. De man bekijkt aandachtig de schram net bij de achillespees. Een paar druppeltjes bloed dringen zich door de geschaafde huid. “Je hebt je aan de rotsen gestoten,” zegt de man niet onvriendelijk.

Ze knijpt haar ogen bestraffend dicht en corrigeert. “Het was een vis, en niet zo'n kleintje ook.”

“Je vader zal vast wel een pleister hebben.”

Anna trekt haar enkel terug en gaat recht naast hem staan. Ze neemt de man op met een air alsof hij de grootste domkop is die zij kent. “Dat is mijn vader niet, het is de vriend van mijn moeder, iedereen weet het.” En met een kinderlijk, pruilend stemmetje vraagt ze: “Heeft u geen kindjes om mee te spelen?”

Intussen is zijn vrouw in gesprek geraakt met de moeder van het kinderrijke gezin. Ze hebben het op een akkoordje gegooid. De moeder wenkt Anna en zonder het oudere echtpaar nog een blik waardig te keuren, rent ze zo in haar armen. Uit een wit trommeltje met een rood kruis wordt een pleister tevoorschijn gehaald.

Haar kinderen komen langzaam uit hun lethargie, ze gaan dansend staan, het zand is warm en overdrijven hoort nu eenmaal bij een kinderziel. Het hele groepje rent joelend het water in. Drie jongens, vier meisjes; op een jongen na allemaal ouder dan Anna. En als zij denkt dat niemand kijkt, duwt ze hem met het hoofd onder water. De jongen geeft geen kik, hij roept geen hulp, maar trekt hard aan het elastiek van haar rode broek, die scheurt. Voor het eerst schrikt Anna echt en neemt een snoekduik.

Vanaf dat moment mijdt ze de jongen, zorgt dat er voldoende ruimte tussen hen is. De andere kinderen gooien met een ring. Anna heeft een hekel aan spelletjes, waarbij iets van je wordt verwacht. Ze zwemt met haar hoofd onder water en komt alleen boven om lucht te happen en te roepen: “Help! Ik verdrink.”

Een jonge visser heeft zijn boot op het strand getrokken en tuurt niet begrijpend naar het lawaaiige kind. Zijn zoontjes komen de mand vis halen en niet lang daarna zal zijn vrouw zich bij hem voegen. Ze wuift al vanuit de verte naar hem.

Hij zet niet alleen netten uit, hij zoekt naar zeeëgels tussen de stenen bij het rif, die hij met een mesje los wrikt. Het is een secuur werkje, maar het loont. Zeeëgels brengen meer op dan vissen, ze worden als delicatesse beschouwd. De geslachtsklieren eet men rauw. Je slurpt ze zo tussen de stekels vandaan. Hij kijkt nog steeds geërgerd naar het gillende kind en ook zijn vrouw schudt haar hoofd. Toeristen!

De kinderen zijn een voor een uit het water gekomen en stellen zich op in een rij om door hun moeder met zonne-olie ingewreven te worden. Vooral rug en schouders. Anna sluit zich zwijgend aan en heft haar gezicht op naar de moeder van zoveel kinderen. Eindelijk is het haar beurt; de olie ruikt naar kokos en Anna's huid glimt, geen plekje wordt overgeslagen, zelfs haar haren worden ingevet. Ze maakt stralend een kuif, zoals ze eens op een foto zag bij een baby met een te grote luier.

Al is de rust in de baai teruggekeerd, het lijkt alsof het geroep en gekrijs van het kind op het strand blijft hangen. Ze is op haar buik gaan liggen en staart naar het rustige, kabbelende water. Ze vraagt zich verbaasd af waar iedereen toch gebleven is. De kinderen zijn er, maar ze zitten verspreid, zodat het net is alsof ze er ook weer niet zijn. Ze schudt verward haar hoofd en probeert te slapen.

Het jongste kind is met zijn emmer in de weer, hij haalt vochtig zand bij de vloedlijn en bouwt een toren.

“Helpen?” biedt ze aan.

Hij doet alsof ze lucht is en het moet haar slechte geweten zijn dat ze zijn toren niet stuktrapt.

In de verte staat haar tas met strandspullen. “Ik heb een hommel in de trommel.” Ze sluipt naar haar tas en blaast de kleurrijke strandbal op. Luid gillend werpt ze hem in de lucht, maar terzelfder tijd is ze al haar aandacht ervoor kwijt. Ze loopt tot haar middel het water in, draait zich om en doet alsof alle mensen voor haar gekomen zijn. Ze zwaait, lacht en roept: “Ik kom zo weer terug!”

Het is niet te zeggen of iemand op het strand die boodschap zich persoonlijk heeft aangetrokken. Ze loopt nog verder tot ze zwemmen moet, krachtig maar niet overhaast spreidt en sluit ze armen en benen. “Ik volg het loodsmannetje, want ik ben een haai. Ik ruik mensenbloed.” Om haar heen zwemmen scholen zilveren visjes die onverstoorbaar hun koers volgen, nadat ze voor haar uitgeweken zijn. Anna rust wat uit op een breed plateau. In de verte op zee varen grote schepen. Op zo'n schip is zij geboren, haar moeder heeft het haar verteld. Anna was niet alleen te vroeg gekomen, maar ook nog op het water en niet aan land. “Van de schoot in een boot en mijn broek is rood.”

Op het strand onderscheidt ze de kanariegele raffiaparasol, die op zijn kant gevallen is, er zijn meer mensen gekomen, kinderen spelen langs de vloedlijn. “Ik ben op zee geboren en mijn moeder had me bijna verloren.”

Elk jaar gaan ze naar de baai, ze huren een fijn appartement met uitzicht op de vulkaan die al eeuwen niet meer werkt. De vulkaan is dood. Het kan er behoorlijk hard waaien, zodat het zand draaikolkend wervelt en door alle kieren naar binnen stuift. Halverwege de vulkaan ligt een heel klein dorp, een straat en een paar verspreide huisjes. Er wonen mensen die zwarte kleren dragen. Ze kopen er kruiden. Ieder jaar.

Vanaf het balkon kun je de zee tussen de duinen als een glinsterende streep zien liggen. Anna ontmoet er ieder jaar dezelfde mensen; gezinnen met kinderen en oudere echtparen. Haar moeder zegt dat het ieder jaar andere gasten zijn. “Ze lijken zo op elkaar,” had Anna tegengeworpen. “Let dan eens beter op.”

De meeste gasten spreken dezelfde taal, ze stappen in hetzelfde vliegtuig en worden met de bus naar identieke appartementen gereden. Alleen het water is anders, de zee verandert steeds van kleur en er leven onnoemlijk veel vissen waarvan ze de namen niet kent. Er zijn vissen met ogen als lantaarntjes, die zichzelf kunnen bij lichten als ze in het donker zwemmen. Paarse, groene of roze kwallen met meterslange tentakels, die gif bevatten. En zeesterren. Het leven in zee is het boeiendste leven dat zij kent en als je je door het water laat glijden, gebeurt het weleens dat je gewichtloos wordt, zonder gedachten, zodat je je heel plezierig voelt; één met de zee.

Anna werpt een minachtende blik naar de mensen op het strand, die hier hun best doen om bruin te worden, om in de herfst al hun kleur te verliezen. Ze heeft zich weer in het water laten glijden, ze spreidt haar armen en haar benen. Je wordt er rustig van, een beetje slaperig zelfs. Ze hoeft zich helemaal niet in te spannen. Net als bij een vis worden haar aders aan de binnenkant van haar armen blauw. Er trekt een siddering door haar lichaam. En ineens beseft ze dat ze het koud heeft.

Sommige vissersbootjes zijn weer uitgevaren, krakkemikkige houten gevallen waar de verf vanaf gebladderd is, de kleuren zijn verschoten. Buitenboordmotoren grommen; benzinelucht. Nu moet ze gaan zitten, ze zoekt naar een geschikt plateau. Even gaat ze kopje onder, dan is het water weer zonder deining en de rust is teruggekeerd. Intens zout water, ze kan er wel tegen. Ze is vertrouwd met de zee, ze is praktisch in het water geboren. Ze ontwaart een driehoekige steen die zacht lijkt door groene algen, maar juist als ze bijna zit, stoot ze haar voet. En het is alsof ze door honderden naalden wordt gestoken. Nooit heeft ze zoiets gevoeld. Ze registreert de pijn, die uit haar voet omhoog trekt. Een helse pijn, die misselijk maakt. Druppels zeewater vallen uit haar blonde haren, lopen in haar ogen. Zout prikt. Een meisje op een steen midden op zee.

We gaan je voet bekijken; het is de bootsman die in haar spreekt. Til je voet langzaam uit het water, zet je hak op de steen. Je bent heel lenig en ook flink. Droog je tranen en bekijk je tenen. Ze is verrast. Het valt mee. Zelfs de pijn wordt minder. Onder de nagel van haar grote teen ontdekt ze een paar gemene stekels en onder de nagelriem zit er ook een heel stel. Het lijken doorntjes. En zoals het de dochter van een echte bootsman betaamt, trekt ze de stekels, zonder er bij na te denken, er stuk voor stuk uit. Ze wil onderzoeken welke vis zulke stekels heeft. Thuisbrengen kan ze ze niet. Kalkachtig hard. Niet alle stekels laten zich zo gemakkelijk verwijderen. En terwijl ze haar best doet, dringt de kou tot in haar botten. Ze heeft nooit geweten dat het zo koud in het water kon zijn, zelfs de steen is ijskoud. De zon lijkt geen warmte meer af te geven.

De jonge visser wantrouwt krijsende kinderen, ze beledigen de rust van zijn gebied, maar een doodstil meisje op een steen aan het einde van de baai maakt hem achterdochtig. Hij koerst in haar richting, niemand kent de smalle geulen tussen het rif beter dan hij en zijn boot steekt niet diep. Loslopende kinderen zouden verboden moeten worden, en erop los zwemmende helemaal. Hij kijkt nijdig naar het blote kind. Blond, bleek en verwend natuurlijk. Halfverzopen, haar in witte klissen. “Kom verdorie van mijn stenen,” bijt hij haar in het Grieks toe.

Ze kijkt hem roerloos aan en roept dan: “Hallootje, ik ben door een vis gebeten, een hele grote vis.”

Voorzichtig manoeuvreert hij de boot dichterbij, wenkt en trekt haar aan boord. “Ik ben op een boot geboren. En mijn vader is mijn moeder verloren.”

De man verstaat haar niet, maar op hetzelfde moment ontwaart hij zeeëgels; zijn gezicht ontspant en wordt zelfs vriendelijk. Anna voelt dat er iets gebeurt, wat hem vrolijk stemt. Ze mag zijn trui aantrekken, hij ruikt naar bedorven vis, het deert haar niet.

De man heeft zich uit de boot laten zakken, staat wijdbeens tot zijn hals in zee, trekt een duikbril over zijn ogen en verdwijnt, alleen de snorkel steekt uit het water. Hij verwijdert een voor een de stekeldieren, die roodachtig zijn en stopt ze in het net om zijn middel. Hij neemt rustig de tijd. Dit maakt zijn dag goed.

Op het strand van de baai is het stiller geworden, de raffiaparasol is ingeklapt en de meeste strandstoelen zijn leeg. Ze wist niet dat zij zover zwemmen kon, bijna was ze het zeegat uitgezwommen.

De man is de boot in geklommen en maakt het net om zijn middel los, leegt het in een plastic korf. Hij gaat wijdbeens voor haar staan, tilt haar op het bankje en dan gebaart hij haar dat ze hem een zoen op zijn wang moet geven. “Make my day,” zegt hij.

Ze kijkt hem niet begrijpend aan en steekt haar voet naar voren. Hij neemt haar voet op zijn knie en grijnst breed, nadat hij hem teen voor teen bekeken heeft. Hij neemt zijn mes, knipt het open en wipt drie doorntjes onder haar nagels vandaan. Het mesje is vlijmscherp. Haring kaken, het moet zoiets als haring kaken zijn, denkt ze verward maar opgelucht. Ze bekijken elkaar een moment aandachtig. “Make my day,” zegt de man weer. En dan buigt ze zich iets naar voren en kust hem plotseling op zijn linkerwang.

Hij trekt de buitenboordmotor aan en langzaam varen ze in de richting van het strand. Anna voelt haar wangen gloeien, de trui heeft haar botten warm gemaakt. Hij tilt haar uit de boot en draagt haar naar het strand, de korf egels zet hij tussen hen in.

De zon is naar de kim gedaald, het licht heeft aan scherpte verloren en het is heel prettig aan het stille strand. De man tikt op haar schouder om haar aandacht te vragen. Hij laat haar een zeeëgel zien, een levende klit met pootjes. Een bonzend hart met stekeltjes van kalk. Hij snijdt met zijn vlijmscherpe mes in een beweging het dier open en haalt er iets uit met de punt van het lemmet en stopt het in zijn mond.

Op dat moment hoort ze indringend haar naam. Iemand roept ongeduldig en nijdig. Ze draait zich niet om, nog niet. De visser snijdt weer een zeeëgel open en haalt de inhoud tussen de stekels vandaan. Anna doet haar ogen dicht en opent haar mond, voelt iets glibberen. Proeven durft ze niet echt, maar dat zij voortaan tot de ingewijden hoort is haar duidelijk. Een verbond met de visser en de zee.

Ze trekt de trui uit en gooit hem in het zand, ze bedankt hem een paar keer en als ze wegloopt, zwaait ze.

Ongeduldig wordt haar naam geroepen. Het zijn haar moeder en haar nieuwe vriend. Ze hoort de vrouw van het kinderrijke gezin die een pleister op haar enkel plakte tegen haar buurvrouw in het nylon badpak zeggen: “We hebben het allemaal met haar te doen, ze wordt elke dag op het strand gedropt en in het appartement zijn de hele middag de gordijnen dicht.” Ze kijkt niet op, maar goed dat zij het hart van een zeeegel in haar maag heeft zitten. Ze voelt het kloppen. Een geheim cadeau. Ze hoort nu bij de visser en de baai. Ze klimt tegen het duin aan. “Anna!” klinkt de stem van haar moeder, “als ik je roep, heb je meteen te komen!”

“Hallootje,” begroet ze uitbundig, “ik ben vandaag bijna verzopen.”