Inferno

Alleen omdat jij in haar geloofde, Fransina, heb ik de vrouw over wie beweerd wordt dat zij in staat is haar stem, neen, haar strottehoofd aan doden uit te lenen, bezocht.

Bij het eerste bezoek sprak zij: “Nu niet. Neen, niet nu.”

Bij het tweede: “Ik zal een poging voor u doen.”

Maar nadat zij in een leunstoel, in de groene schaduw van een rode lamp, een kwartier lang roerloos gezeten had, gaf zij haar pogingen op en verzocht mij een andere dag terug te komen.

Ik ben die andere dag gegaan en alles wat ze zei (met de stem van Vares) heb ik gestenografeerd.

Achterwege liet ik de plichtplegingen die bij een telefoongesprek gebruikelijk zijn en die zelfs geesten naar het schijnt niet kunnen vergeten.

Dat Vares' verhaal vreemd is, zal, indien al iemand, zeker jij hem kunnen vergeven.

Jij, met je verlangen naar een wereld die rond is noch hoekig, maar anders, waar geluid noch stilte heerst, maar iets anders, waar men licht noch duisternis onderscheiden kan; waar koude noch warmte, hemelzucht noch zwaartekracht ons kunnen bevangen - of vangen... Maar waar men andere gewaarwordingen heeft; waar de verst ontwaakten iets anders ondervinden... men zou een nieuw woord moeten bedenken... een r e e k s nieuwe woorden, een geheel andere taal, ware het niet dat men om jou te kunnen bevredigen, iets nog weer heel anders zou moeten vinden, niet met woorden of taal te vergelijken. Zo wilde jij het immers, Fransina? Nietwaar, zo wilde jij het toch: al het andere anders, misschien zelfs wel in plaats van ànders, iets anders...

Het verhaal van Vares is anders. Doch niet meer dan anders. - Anders? Niet tot een hogere macht dan de tweede.

Wijt het als je wilt aan zijn geestenbestaan.

Geloof in een heelal uit in elkaar passende ringen of elkander overkoepelende sferen opgebouwd.

Meen dat Vares nog slechts tot de eerste sfeer is opgestegen, dat zijn verhaal daardoor anders is. Meen dat hij later in wijdere sferen stijgen kan, dat hij zal worden: anders-tot-een-hogere-macht. Dat ook van deze sfeer uit contact met ons stervelingen niet meer mogelijk zal zijn.

Ik zal je veronderstelling niet bestrijden en hoop zelfs, vooral wat het laatste punt betreft, dat zij waar is.

Vergeef mij mijn openhartigheid.

Maar het gesprek dat ik door middel van het medium met hem heb gevoerd, - ik hoop dat het 't laatste "levensteken' is dat wij van hem ontvangen zullen en dat jij nu in zo hoge mate gerust omtrent zijn lot zult zijn, dat je je alleen nog om het mijne bekommeren zal.

Ik verlang alleen naar leven hier, wisselend en altijd eender - het is gemakkelijker opgeschreven dan gevonden.

Ik wil alleen jou, veranderend en goddank steeds dezelfde.

Jij kunt in mijn bestaan alleen passen, wanneer je eender blijft, alleen mij toegedaan voortaan.

En, zeg me wanneer je Vares' relaas gehoord zult hebben... zeg mij of dit het "andere' was dat je verwachtte.

Dit verhaal dat in niets hoegenaamd lijkt op de gebeurtenissen zoals wij die hebben beleefd. Erken dan eerlijk of je nog gelooft aan Vares' voortbestaan.

Ik weet zeker dat je zult zeggen van niet...

“Ik weet niet zeker of jij het bent, Sosso,” zei het medium met de stem van Vares, “ik hoop van niet. Ik haat je al te zeer, dan dat ik je nog ooit zou willen herkennen.

Ik zal mijn verhaal vertellen alsof iedere mogelijkheid uitgesloten is, dat jij het bent tegen wie ik spreek.

Wij waren met ons vieren in de auto.

Enir zat achter het stuur, Sosso rechts naast hem, ik met Fransina achterin (Fransina achter Sosso). Fransina had het spiegeltje boven de voorruit zo gedraaid, dat wij daarin alleen Enir konden zien, en Sosso niet. Zij moest het wel zo gedraaid hebben, want anders konden zij die voorin zaten, altijd degenen achterin zien. Nu kon alleen Enir dat.

Het was bijna avond en de mist van het schimmenrijk was uit het hele landschap opgerezen en rustte allerwegen op beemd en bos. Waar wij reden, ik weet het niet meer. Zo weinig heb ik erop gelet.

Tersluik speelde ik met Fransina's vingers, die zij, opdat het gevecht erom de aandacht van Sosso niet trekken zou, mij niet onthouden kon. Maar haar blik beduidde mij kalm te blijven, wat ik niet vermocht en wat ook overbodig was. Wie had iets kunnen waarnemen bij deze schemering en dat nog wel terwijl de spiegel was verdraaid?

Enir lette alleen op de weg, zich oriënterend als het ware op het mondingsvuur van de kanonnen aan de horizon.

Niets verhinderde dus het spel tussen ons, tussen jou, Fransina, en mij. Een spel van kom niet verder dan mijn pols, anders fluit de scheidsrechter. Onze gehele liefde was dit spel. Daardoor vermoeide zij ons niet - die Liebe...

En dit is het enige waarvoor ik Sosso soms dankbaar zijn kon, of meende te kunnen zijn. Want de omgang tussen Fransina en mij heeft te kort geduurd dan dat zij ons zou hebben kunnen vermoeien. Nu probeerden wij onze dorst te lessen uit een kruik met te nauwe hals en misschien was het nog eerder dit wat ons vermoeide.

Alleen als dichtbij een granaat insloeg en door de druk van de ontploffing de auto met alle vier de wielen opgetild werd van de weg - de motor, vrij van zware arbeid, loeide hoger en hoger, maar het toerental daalde vanzelfsprekend abrupt, wanneer de achterwielen het wegdek weer grepen, - alleen dan durfden wij onze knieën elkaar te doen raken. En alleen wanneer ik iets, mijn sigarettenkoker bij voorbeeld, met opzet vallen liet, durfde ik met mijn wang haar been te strelen. Als hagel van staal kletterden de granaatscherven op het dak van de auto.

En dan keek zij mij zo grappig-bestraffend aan, dat ik op de achterkant van een lucifersdoosje schreef: “Ik wil je omhelzen”... en doordat ze dit in het donker niet lezen kon, moest ik een lucifer aansteken om het haar te doen zien. Mijn gezicht verborg ik daarbij in haar lange haren en ik streek de punt van mijn tong heel even langs de rand van haar oor. Het enige dat zij mij zonder verweer toevertrouwde, waren haar geuren, maar die waren zwak en, gedeeltelijk door sigaretterook overweldigd, te ijl.

Ik poogde mij voor te stellen hoe zij waren geweest op ogenblikken dat ik haar nog dichter naderen kon, haar en haar parfum, dat zijn geur aan een bloemensoort ontlenen moest die maar éénmaal had gebloeid... En daaruit was dit parfum gedistilleerd. Ik poogde mij voor te stellen hoe haar geuren waren geweest op ogenblikken waarop ik haar zó dicht naderen kon, dat een innerlijke stem mij smeekte haar te ontvluchten... bevreesd dat haar geuren mij dodelijk bedwelmen zouden en ten prooi doen vallen aan een sterven dat worgt met handen van bont...

Ik zou niet hebben willen vluchten.

Ik dacht erover hoe het geweest zou zijn indien ik wèl gewild had: zo sterven...

Ik had niet gewild.

En in zo diepe overpeinzingen deed deze overweging mij verzinken, dat ik het spel met Fransina erdoor vergat. Elke schok van de auto, door een dichtbij ontploffende granaat veroorzaakt, stootte mij dieper in de afgrond van de droom. Ik voelde hoe Fransina haar nagels in de palm van mijn hand drukte, verwonderd als zij geweest moet zijn, dat ik haar nabijheid vergeten scheen. Haar nabijheid die ik mij met haast onmetelijk grote moeilijkheden placht te verschaffen. Haar nabijheid die ik zo groot liet worden als de angst voor Sosso maar toeliet.

Ik sloeg geen acht op Fransina's nagels.

Ik voelde mij verstenen alsof ik mijzelf gehypnotiseerd had.

Toch nam ik helder waar wat er in de auto gebeurde, dit wil zeggen niets.

En in het spiegeltje zag ik hoe Fransina's ogen mij vol ontzetting aanstaarden.

En dit is het eerste vreemde geweest (wat ik pas veel later besefte): dat Fransina in het spiegeltje naar mij keek, want de om de zoveel ademtochten aanzwellende gloed van onze sigaretten was vrijwel het enige dat nog licht verspreidde.

Ik hoorde kort daarop een klap en nam een stilstand waar. De motor zweeg. Granaten vlogen in huilende vlagen over ons heen.

Ik lag met mijn hoofd op Fransina's schoot, maar voelde niet dat zij mij streelde. Zij zat zó diep ineengedoken, dat het leek of zij mijn hoofd tussen borst en knieën kraken wilde. Of al had gekraakt... Uit mijn mond vloeide overvloedig bloed. Natuurlijk was het niet Fransina die mij gekraakt had.

Zij jammerde zacht en poogde zich op te richten, wat pas veel later lukte, toen Sosso eindelijk het portier aan haar kant, dat onbeschadigd gebleven was bij de ontploffing die aan de andere zijde van de auto had plaatsgevonden, open kreeg. Maar dat het portier onbeschadigd gebleven was, had niet met zich meegebracht dat het nog als gewoonlijk functioneerde. Dus had het lang, heel lang geduurd eer het meegaf, en daarna pas kon Fransina haar benen strekken.

Een roze anjer die gezeten had in een kristallen vaasje dat aan de rug van de voorbank was opgehangen, rolde met mij mee naar buiten. Ik vergat de anjer; mijzelf ook.

Ik had het ontstellende, verlammende bewustzijn dat het gedaan was, gedaan het hier, gedaan het nu, gedaan de oorlog, gedaan de vrede.

En ik herinnerde mij al mijn vergeefse overwinningen.

Zo de avond dat Fransina, Sosso en ik bij elkaar zaten, bij Sosso thuis. Wij aten bonbons en ten slotte waren er nog twee over. Sosso nam de ene, Fransina stond erop dat ik de andere nemen zou. Ik weigerde.

“Je hebt weinig invloed op hem,” meende Sosso, met zijn gebruikelijke domheid.

Ik stond op en drukte Fransina die tegenspartelde en haar hoofd tegen mijn borst aandrukte, de bonbon in de mond en Sosso zag niet dat ik haar kuste in haar hals. Hij brak zijn bonbon in tweeën. Maar de noga waarmee de schelp van chocolade gevuld was, brak niet en bleef in zijn geheel aan de helft zitten die hij mij gaf.

“Kijk, jij hebt het beste deel,” verkondigde hij.

Domheid en helderziendheid gaan vaak samen.

Ik stond naast de verongelukte auto in de vochtige, koude lucht, en keek toe wat de anderen deden. Het woei te hard dan dat mijn ogen vochtig hadden kunnen worden, maar zij deden wel pijn.

Sosso en Enir raapten mijn lichaam op. Onzinnig wapperden mijn broekspijpen om mijn dode benen.

Zij legden mij aan de kant van de weg, ineengerold als een embryo. Mijn hoofd was platgedrukt tot een vissekop. Mijn ogen staarden schuin omhoog, de oogleden opbollend van bloed.

Ook Fransina stond nu naast het voertuig.

Zij schudde mijn bloed, dat op haar kleren geen vlekken achterliet, eraf alsof het kwikdruppels waren.

Rood kwik.

Amsterdam, 25 december 1943